Stabat Maria Magdalena

Stabat Maria MagdalenaKan je lijden verdrijven met schoonheid? Het is al wat me nog rest, hier in dit kille Franciscanenklooster van Pozzuoli, waar mijn dagen zijn geteld. Zelfs mijn naam klinkt oneindig veel mooier dan de broze botten die ze draagt: Giovanni Battista Pergolesi. Je moet het zangerig uitspreken, zoals alle Italianen doen. Daar hou ik van.

Misschien ken je me nog niet, maar dat is niet zo vreemd. Ik zit al jaren vastgekluisterd in dit klooster en denk niet dat ik er ooit nog uit kom. Het gezegende jaar des Heren 1736 zal beslist mijn laatste worden. Het is nog maar de vraag of ik het einde van de lente haal. Stiekem hoop ik dat Hij me tot zich zal nemen op Paasdag of beter nog, op Goede Vrijdag, de dag van de kruisiging. Ik weet dat ik me moet hoeden voor dergelijke hoogmoed maar een ding is zeker: ik zal nog hard moeten doorwerken om mijn laatste muziekstuk afgewerkt te krijgen. Mijn krachten nemen elke dag een beetje af en ik hoest de longen uit mijn lijf. Elke dag bid ik ’s morgens en ook ’s avonds bij de vespers dat ik mijn laatste compositie mag voltooien. En welk thema is er passander in dit stadium van mijn geteisterde, jonge leven – op 4 januari werd ik 26 – dan het Stabat Mater?

Moeder Maria die bij het kruis staat van haar Zoon, het is een beeld dat me altijd blijft beroeren, nu meer dan ooit. Misschien is het omdat ik mijn moeder zaliger aan mijn zijde mis, nu mijn donkerste uren aangebroken zijn. Tegen tuberculose is geen kruid gewassen. Tuberculose, het is een naam die veel te mooi, veel te legato klinkt voor zo’n vreselijke ziekte. Ik noem ze liever de witte pest, zoals iedereen. Het is alsof een rivier van slijmen bezit neemt van je longen, tot je er langzaam maar zeker in verdrinkt. Soms voelt het aan als het proberen hozen van een lek geslagen schip. Maar dat is nog niets vergeleken bij wat Hij heeft moeten doorstaan op die veelbesproken dag.

Ik ben blij en opgelucht dat ik aan de twaalfde en laatste beweging van mijn Stabat Mater aanbeland ben. “Quando corpus morietur”, wanneer het lichaam zal sterven, zo begint het laatste vers van die wonderlijke hymne van Jacopone da Todi. Ik denk voor de muziek van dat laatste vers aan een Largo Assai in F mineur, net zoals bij de eerste beweging. Dat maakt de cirkel rond, dan kan ik mijn leven met verlicht gemoed overhandigen aan het mysterie.

Elke avond, wanneer het duister intreedt en in het klooster de fakkels zijn gedoofd, herhaal ik in mijn hoofd de muziek van de eerste elf bewegingen. Het is een ervaring die zo intens is, dat ik naar onvindbare adem moet happen in mijn reutelende longen. Dan wikkel ik het geitenharen deken om me heen en kronkel mijn lichaam in een foetushouding, tot ik zo week word als een pasgeboren baby en hengel naar de troost van een warme moederhand.

Stabat mater dolorosa. Maria, de moeder van Jezus, staande bij het kruis. Ook Magdalena staat er, verguisd door velen, in het hart gesloten door een. Elke nacht wordt het me duidelijker dat zij even belangrijk als Maria is. Naar deze man kijken deze vrouwen omhoog met een gebroken hart en een sluier van tranen, zij aan zij. Het is een onwrikbaar verbond van vrouwen, verenigd in een diepe smart.

In mijn hoofd hoor ik de intro. Wanneer je dacht dat ik daarvoor de eer zou opeisen, ben je aan het verkeerde adres. De Allerhoogste heeft ze me geschonken. Het is wellicht het mooiste dat ik ooit gecomponeerd heb. Ik voel de snaren van de viool over mijn frêle huid strijken en zet me schrap voor de eerste aanhef van de sopraan, die bij me naar binnen snijdt als een mes door boter, een gevoel dat de contratenor alleen maar zal versterken. Stabat mater dolorosa, ik zou eeuwig kunnen blijven luisteren naar die klaagtonalen, die stemvibratie waarin mijn lijden en dat van de hele wereld is vervat.

Juxta crucem lacrimosa, dum pendebat filius. Ik zie nu de scène bij het kruis, glashelder, en zoals steeds gaan er koude rillingen door me heen. Ik wriemel onrustig heen en weer op mijn brits, mijn pupillen draaien onder mijn oogleden alle richtingen op. Heb ik de deur gesloten? Ik wil niet dat de monniken me zo zien. Hoe kan ik ze in godsnaam uitleggen wat er door me heen gaat? Het is een kwelling, een loutering en een extase.

Soms fantaseer ik over een compositie die de kruisiging terug kan draaien. Stel je voor dat een paar uur eerder Jezus door Pilatus vrijgesproken wordt, hoogstens verbannen. Dat hij niet door de Via Dolorosa dat loodzware kruis moet torsen met die opgehitste, wraaklustige Joden in zijn kielzog. Dat die doornenkroon niet telkens als bloedige pennen in zijn gelaat krast, zodat rode druppels in grillige banen over zijn gelaat sijpelen. Hoeveel kan een man verdragen, zelfs met een goddelijke geest?

Wanneer die al gebruikte ijzernagels door zijn handpalmen worden gedreven, hoor ik de ijzingwekkende kreten doordringen tot in het kleinste steegje van Jeruzalem. De Romeinse soldaat, aangeduid voor dat lugubere karwei, lijkt daarbij onbewogen, alsof het een routineuze, alledaagse timmerklus betreft. In mijn hoofd hoor ik de echo van die verschroeiende pijn, mijn handen verkrampen tot gebalde vuisten. Ik wil de longen uit mijn lijf schreeuwen, maar meer dan een schrale, slijmerige hoest komt er niet uit.

Jezus’ moeder en (Maria) Magdalena staan niet alleen, daar bij het kruis, en toch zijn ze eenzamer dan de woestijnwind. Machteloos tegenover die gewapende soldaten en hun honderdman, die met een strenge haviksblik alles in goede banen probeert te leiden. Discipline is zijn fetisj. Het is duidelijk dat hij zo snel mogelijk deze ongewone klus wil klaren. In hun rug voelen ze de haat van die meute uitzinnige Joden, die onderaan Golgotha als ramptoeristen toekijken, als bosjes duivelsogen helemaal tot aan de Damascuspoort. Een tiental meter naast diezelfde poort tuurt hogepriester Kajafas, omringd door zijn opportunistische dienaars, met emotieloze ogen naar het macabere tafereel. Ik herken hem aan de fonkelende onyxstenen en de gouden ketting rond zijn hals, ik zie de schittering van de saffieren op de borstlap van zijn donkerblauwe priesterkleed. Zoveel uiterlijk vertoon, zoveel schraalheid van ziel. ‘God, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen,’ sprak Jezus dan nog tijdens zijn lijdensweg. Hij bedoelde daarmee niet dat het onnozelaars zijn, weet ik, maar dat ze de weg naar Liefde, zoals hij die jaren heeft verkondigd, nog niet hebben gevonden. Die vergevingsgezindheid tot op het kruis verbijstert mij nog steeds. Ik hoop dat Hij die ook voor mij zal hebben. Componist van mooie muziek of niet, polio in mijn linkerbeen of niet, of zelfs de witte pest, zondaars zijn we allemaal.

Terwijl ik de sopraan en de contratenor mijn Stabat Mater hoor vertolken, ontvouwen zich voor mijn ogen steeds meer details. Ik zie hoe groepjes Joden achter de rug van hun hand samenzweerderig commentaar geven op het dramatische verloop. Daarbij werpen ze af en toe een gretige, stiekeme blik naar de gekruisigden. Een aansteller uit zo’n kliek roept schamper: ‘Zie hem daar hangen, de Koning der Joden.’ Ze bespreken de exploten van deze zonderlinge, aanstootgevende profeet en speculeren over wie van de drie gekruisigden het eerst zal sterven. Diezelfde hitsige opruier stookt nog wat meer: ‘De afgang zou compleet zijn, mocht die zelfverklaarde zoon van God het niet eens halen van die twee braakballen.’ Mocht ik erbij geweest zijn en de kracht hebben gehad, dan zou ik die man een muilpeer hebben verkocht en hem met zijn duivelse tronie tegen de stadswallen hebben gekwakt.

Vlakbij het kruis zitten drie Romeinse soldaten verveeld te wachten tot de gekruisigden het loodje leggen. Hun honderdman Longinus staat toe dat ze dobbelen om Jezus’ kledingstukken. In een ultieme vernedering nemen ze alles van hem af, tot zijn bebloede onderkleed toe. Maar kijk, plots graaien ze de dobbelstenen bij elkaar en krabbelen pijlsnel recht. Ze fatsoeneren de halsdoek boven hun platenharnas en schikken de helmen op hun verraste hoofden. Onder de boog van de Damascuspoort is Pilatus verschenen, hun grote baas. Hij valt op in zijn hagelwitte toga met de paarse boorden. Hij ondersteunt zijn rechter ellenboog, terwijl hij een hand half voor zijn mond houdt, alsof hij iets wil bedisselen met zijn lijfwachten. Hij wisselt een onderkoelde blik uit met Kajafas, die niet meer dan tien meter van hem afstaat, en wendt dan snel terug het hoofd in de richting van de kruisen. Het staat hem niet aan dat hij de hogepriester zijn zin heeft moeten geven. Anderzijds, heeft hij bedacht, als die zelfverklaarde koning der Joden een kritische massa zou weten te bereiken, zou die profeet niet alleen voor de hogepriesters een bedreiging vormen, maar op termijn ook voor de Romeinse keizer. Dat risico kan hij niet nemen. Toch zit het hem niet lekker. Hij voelt zich gepasseerd in zijn stoere, Romeinse gezag en maakt zich misnoegd uit de voeten. Voor mij is er niets dat verder afstaat van het mysterie, van die grenzeloze liefde van de Allerhoogste, dan dat macabere, politieke spel. Het heeft iets zieligs of, liever gezegd, zielloos.

Johannes staat er ook, zij aan zij met Jezus’ moeder en Magdalena. Als er iemand is die de grootsheid van de ziel manifesteert tijdens dit dramatische gebeuren, dan is hij het wel. Als enige van de mannelijke getrouwen blijft hij Jezus in zijn laatste uren bijstaan. Voor mij is hij de waardigste van alle apostelen. Zoals de twee vrouwen heeft hij een band met de meester die de anderen hem altijd hebben benijd. Is het daarom dat Mattheus, Lucas, Marcus en de anderen uitblinken in afwezigheid? Of is het hun werkelijk enkel en alleen te doen om het redden van hun hachje?

Het ontroert me hoe Jezus aan Johannes vraagt zich na dit drama te ontfermen over zijn moeder. Dat hij zelfs daar nog oog voor heeft, terwijl hij langzaam doodbloedt. ‘O quam tristis et afflicta,’ zingt de sopraan geëmotioneerd. Het voor mij pijnlijkste moment is wanneer Jezus het hoofd omhoog richt, weg van alles en iedereen, en met de weinige kracht die hem nog rest ten hemel roept: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt ge mij verlaten?’ Magdalena is ontzet. Ze zit op haar knieën op de grond, haar hoofd hangt als een slappe vod op centimeters van  de rotsige bodem. Maria zit naast haar gebukt met een hand op haar schouder, terwijl ze hartstochtelijk huilt achter de sluier van haar lange, zwarte haren, die als een brede waaier over de stoffige grond liggen verspreid. Bij het horen van die woorden richt ze zich eensklaps op. Ze stapt gedecideerd op Jezus’ af en stut haar armen tegen het cederhouten kruis. Ze laat haar hoofd in haar nek vallen en staart pal omhoog: ‘Zeg dat niet, zeg dat toch niet, mijn grote Liefde. Zeg niet dat je dat meent. Hoor je me?’ Ik weet dat de Kerk niet teveel moet hebben van haar, maar telkens die beelden zich voor mijn geestesoog manifesteren wordt me duidelijk dat Magdalena… Hij is haar geliefde. Op deze manier van Hem gescheiden worden veroorzaakt een gapende wonde in haar ziel.

Jezus viseert nog steeds de grauwe lucht. Donkere wolken schuiven als een sinistere lappendeken over Jeruzalem. Magdalena klemt haar armen rond het kruis en zijgt door haar knieën neer. ‘Zeg dat toch niet,’ herhaalt ze. Ze weent niet langer en toont in dit donkerste moment haar vastberadenheid. Zowel in de muziek als de schilderkunst wemelt het van de Stabat Maters, maar niemand heeft er ooit aan gedacht een “Stabat Magdalena” in het leven te roepen. Alsof haar aanwezigheid bij het kruis een anekdote in de marge is. Ik heb er wel aan gedacht. Elke dag denk ik eraan, en toch durf ik de titel niet veranderen. Dat kan ik de Franciscanen van dit klooster, die zo goed voor me zorgen, niet aandoen. Voor de paus blijft Magdalena die overspelige hoer, een slinkse zondares die geen podium verdient. Het zou het klooster in diskrediet brengen en ik zou niet langer begraven worden op gewijde grond. Dat kan ik de monniken noch mijn familie aandoen. Maar niemand kan me beletten de werkelijke titel van mijn laatste compositie in mijn hart te schrijven: “Stabat Magdalena”.

Jezus laat zijn hoofd zakken en kijkt haar aan. Hij kucht, terwijl een straaltje bloed langs zijn lippen naar beneden sijpelt. ‘Ik heb dorst,’ prevelt hij. Op dat moment treffen de ogen van Jezus en Magdalena elkaar, een blik die mijn hart doet overslaan. Het is alsof ze woordenloos communiceren in de geheimtaal van de ziel. Het gaat over de Liefde, vang ik op, hun Liefde, waar zelfs de dood niet kan tussenkomen. Tussen hoop en vrees fronst Magdalena haar dunne wenkbrauwen, met haar gewaad wrijft ze haar tranen droog. Rond Jezus’ mondhoeken verschijnt een zachte glimlach die door haar wordt beantwoord met innige ontroering.

Hun intieme moment wordt brutaal doorbroken door een grijnzende soldaat. Hij duwt Magdalena opzij, prikt een spons op zijn lans en duwt die brutaal in Jezus’ aangezicht. De vrouwen hebben niet gezien dat hij ze gedrenkt heeft in een kruik met zure wijn. Zijn kompanen maken grappen: ‘Is het lekker? We hebben nog meer!’ Jezus sluit andermaal de ogen wanneer zijn droge, gebarsten lippen sippen aan de spons. De soldaat duwt hem nu vol in het gelaat. Hij schaterlacht, zijn makkers heulen mee: ‘Zie hem daar hangen, de koning der Joden, de Messias. Wanneer ga je jezelf redden?’ Nog meer gelach. Het is onverdraaglijk, ik begraaf mijn hoofd onder het kussen. De sopraan zingt: ‘Tui nati vulnerati, tam dignati pro me pati, poenas mecum divide!’ Ach, dat ik de pijn voelde, die uw lieve Zoon doorwoelde, toen Hij stervend voor mij streed. Die pijn, die voel ik nu in elke vezel van mijn lijf.

Een misselijkmakende, rotte geur hangt boven Golgotha en zijn drie gekruisigden. Hun bloed neemt bezit van de kale rots aan de rand van die desolate steengroeve. Het valt me op dat niemand aandacht heeft voor de mannen die Jezus flankeren, ook al is hun lijden er niet minder om. Misdadigers noemen ze hen. Ik ben aangedaan wanneer ze kibbelen en een van hen het onverwacht voor Jezus opneemt: ‘Wij hangen hier terecht,’ roept hij die andere boef toe, ‘maar Hij hier, Hij heeft niets misdaan.’ Het antwoord van zijn kompaan is een monkellachje. Waarop hij weer: ‘Heb jij dan geen ontzag voor God, nu ook jij deze straf ondergaat?’ Dat Jezus die man nog vergeving schenkt, op dat moment, je moet het gezien hebben om de barmhartigheid van die daad te kunnen inschatten. Als een film die zich voor mijn ogen afspeelt, zie ik alle vergevingen, alle genezingen, toespraken en wonderen van Jezus tijdens zijn abrupt gestopte, aardse leven. Ze flitsen aan me voorbij in een paar luttele seconden, even kostbaar als regendruppels in de woestijn. Sacrale momenten waarin de goddelijkheid van dat veel te korte leven zit samengebald.

Ik kijk naar Johannes, hoe hij bidt, bedroefd maar sereen. Waar zitten zijn gezellen? In welk schuildoord wachten ze verschrikt het einde af van deze nachtmerrie? Er treedt een duisternis in die niet door de nacht geschapen is. Iedereen kijkt spichtig om zich heen, de roddelpraatjes verstommen. Zelfs de soldaten en de honderdman doen er het zwijgen toe en kijken ontzet omhoog. Magdalena bidt onafgebroken met Maria en Johannes. Ze laat haar linkerhand rusten op haar borst, terwijl ze met de rechterhand naar het kruis reikt, naar haar geliefde. Ik zie wat ze aan het doen zijn: ze verbinden hun harten over de grenzen van de dood. Zelfs die kan hen niet langer scheiden. De ziel van Jezus komt langzaam los van dat moegetergde lichaam. Het is vreemd, maar misschien schittert zijn ziel in dit donkerste moment meer dan ooit tevoren. Het is een schouwspel dat bijna niemand opmerkt, omdat ze niet kijken met de juiste ogen.

‘Het is volbracht,’ zegt Jezus. ‘Het is volbracht,’ herhaalt Magdalena. Jezus kijkt een laatste maal naar haar, schenkt ook zijn moeder en Johannes een laatste liefdevolle blik, draait dan zijn ogen hemelwaarts. De duisternis is nu bijna compleet, ook al is het pas drie uur ’s namiddags.

‘Vader, in uw handen leg ik mijn geest,’ spreekt Hij zijn laatste woorden. Het ‘Amen’ van zijn trouwste volgelingen valt samen met een krachtige, onaardse doodsschreeuw, die als een onstuitbare echo weergalmt over de heuvels van Judea. Jezus’ aardse lichaam heeft zijn laatste adem uitgeblazen. Wat op dat moment gebeurt, is ongelooflijk.

Het begint met de tempel, amper enkele steenworpen van de plek des onheils verwijderd. Binnenin bevindt zich de heiligste der heilige plaatsen, daar waar Gods heerlijkheid op aarde verblijft. Het is beveiligd door een gordijn van wel twintig meter hoog en tien centimeter dik. Stel je voor, tien centimeter! Het is vervaardigd van blauw, paars en scharlaken wol, en dubbeldraads fijn linnen. Zelfs een stel paarden zou niet in staat zijn dit kapot te trekken. Een keer per jaar mag hogepriester Kajafas hier naar binnen. Een enkele keer per jaar, om te bidden voor verzoening van de zonden van het Israëlische volk. Maar deze zonde, het kruisigen van Hem, die door diezelfde God gezonden is, is te groot, te onvergeeflijk.

Wanneer Jezus zijn laatste adem heeft uitblazen scheurt het sterkste gordijn van Israël in twee stukken, van boven naar beneden, als betrof het perkament van de goedkoopste soort. Zo klinkt het ook een beetje, maar dan luider, veel luider, zodat het tot ver buiten de Damascuspoort gehoord wordt. Kajafas kijkt verschrikt om zich heen. Onder het volk ontstaat paniek. Men weet nog niet waar het vandaan komt, tot een dienaar komt berichten. Kajafas slaat een hand voor zijn mond en is nog niet van de verbazing bekomen wanneer ook de aarde aan het beven gaat. De kruisen schokken heen en weer, maar vallen niet. Alle toeschouwers maken zich als de bliksem uit de voeten. Een man wordt vertrappeld. Sommigen slaan zich op de borst: ‘Hoe konden we er zo naast zitten? Hij was waarlijk de zoon van God. Zal Hij dit ons ooit vergeven?’ Met de kopjes naar beneden drumt het gepeupel aan de smalle poort, waar nog meer mensen dreigen vertrappeld te worden. Ze wurmen zich onder de boog door als bange, anonieme zandkorrels door een zandloper. Dan verdwijnen ze kriskras in de steegjes van Jeruzalem. Sommigen wagen het erop langs de tempel te hollen om poolshoogte te nemen. Met ogen van ongeloof zien ze het gescheurde tempelgordijn en slaken ijselijke kreten.

‘Hij was waarlijk de zoon van God,’ zegt Longinus, de Romeinse honderdman. In devotie knielt hij voor het kruis. In de achtergrond zit Kajafas nog steeds op de grond met zijn gevolg. Hij is niet gevlucht, alsof hij door het gebeuren aan de grond genageld is. Over zijn hoofd heeft hij een inderhaast achtergelaten kaffiya geslagen. Maria, Johannes en Moeder zitten zij aan zij nog steeds te bidden bij het kruis.

‘We willen hier weg,’ panikeren de soldaten. ‘Nu!’

‘Zowaar de zoon van God,’ herhaalt Longinus met betraande ogen.

‘Zie je wel dat ik gelijk had,’ zegt de ene gekruisigde misdadiger tegen de andere. ‘Laat me met rust,’ zucht die. ‘Ik wil sterven.’

‘Zullen we hun botten breken?’ dringen de soldaten aan. ‘Longinus, luister je?’ Ik ben nog steeds verbaasd over de wreedheid waartoe de mens in staat is. Toen, en ook nu nog. Het is een methode om gekruisigden sneller te doen sterven, weet ik. Als hun benen gebroken zijn, kunnen ze niet meer steunen op het voetbalkje en bloeden ze sneller dood. Ik hoor een harde knak en draai mijn hoofd andermaal weg onder het kussen.

‘Aan hem raak je niet,’ wijst de honderdman naar Jezus. Hij buigt het hoofd. ‘Ja, van hem blijven jullie af,’ treedt Magdalena bij als een leeuwin. Ze heeft zich opgericht en staat met haar rug tegen het kruis geplant. Haar hoofd raakt de voeten van Jezus, waardoor een straaltje bloed op haar witte sluier sijpelt.

‘Verman je, Longinus,’ praten zijn soldaten op hem in. ‘We moeten hier weg.’ Ze kijken naar de wolken die zo donker als de nacht zijn en wijzen naar de Damascuspoort, waaronder Kajafas als een van de laatsten de aftocht heeft geblazen. Zonder een antwoord van Longinus af te wachten pakken de soldaten de andere misdadiger aan. Hij schreeuwt het uit, nog voor ze aan hem raken.

‘Stop ermee!’ Longinus neemt een lans. Magdalena kan niet verhinderen dat hij Jezus in de zij steekt. Ze schuddebolt met haar hoofd.

‘Kijk, hij is al dood,’ snauwt Longinus tegen zijn soldaten. ‘Van hem blijven jullie af. Begrepen?’ Johannes en Maria zien hoe Magdalena Longinus wegduwt van het kruis. Hij biedt geen weerstand meer. Ze vormen nu alle drie rond het kruis een beschermende haag. Zonder dat ze er aandacht voor heeft, komt het witte gewaad van Magdalena helemaal onder het bloed te zitten. Het deert haar niet. Ze probeert vertrouwen te houden in het laatste, woordenloze hartscontact met Jezus. Ik voel haar twijfel en haar lijden. Ze zijn een deel van mij geworden.

De sopraan heeft de tiende beweging ingezet: ‘Fac me cruce custodiri, Morte Christi praemuniri, Confoveri gratia.’ Laat het kruis over mij waken, laat zijn dood mij sterker maken, zodat hij me begeleidt. Het klinkt als een gebed dat past bij die niet aflatende beeldenstroom. Zo zie ik nog hoe Jozef van Arimathea van Pilatus toestemming verkrijgt om het lichaam te begraven in zijn tuin. Zorgzaam wikkelt hij het lichaam in linnen doeken en legt het met de hulp van Johannes, Magdalena en moeder Maria in het graf, waarna Nicodemus het bedekt met honderd pond mirre en aloë.

Nog is de lijdensweg niet voorbij. Door toedoen van Kajafas wordt hun vreedzame wake bij Jezus’ lichaam brutaal verstoord. Als wilde honden worden ze weggejaagd door een nieuw kwartet Romeinse soldaten. Het graf wordt verzegeld en vanaf nu door hen bewaakt. Dat hij op de derde dag zal verrijzen lijkt voor Kajafas een slechte grap, die perfect past bij deze charismatische charlatan. En toch, na deze spectaculaire tekens is hij door twijfel overmand. Hij is naar de tempel geweest en heeft net als iedereen gezien hoe dat heilige gordijn erbij ligt als een slappe vod, onherstelbaar. Dit kan hij niet laten gebeuren. Een Kajafas breng je niet zo snel van de wijs. Hij heeft geen idee.

Ik zie hoe Judas Iskariot bleek wegtrekt en helemaal van slag naar diezelfde tempel trekt. ‘Ik heb gezondigd,’ beklaagt hij zichzelf tegen de priesters. ‘Ik heb onschuldig bloed verraden. Hier hebben jullie de beloning terug voor mijn verraad.’ De priesters kijken elkaar aan en draaien hun rug naar Judas. ‘Ik moet jullie bloedgeld niet,’ probeert hij tevergeefs. Hij keert het zakje ondersteboven en schudt de dertig zilverlingen uit over de tempelvloer, maakt zich daarna uit de voeten. Incognito haast hij zich door de smalle steegjes van Jeruzalem tot hij buiten de stad is, steeds verder, tot hij helemaal buiten adem de smeulende velden van Hakeldama heeft bereikt. Zijn wanhoop bestaat uit de onoplosbare vraag welke boete zijn daden ooit zal kunnen vergeven. Een schrale, droge wind heerst over de donkerrode aarde van deze vlakte, waar de geur hangt van rottende kadavers. Op een heuvelkam staat een schaapsherder toe te kijken naar deze eenzame man, die het ondenkbare doet aan een kale, verschroeide boom.

‘Fac ut animae donetur,’ vatten de sopraan en de contratenor het laatste vers aan. Eindelijk hoor ik de muziek die erbij hoort en vervolledig de partituur. Het is een vreemd doch bevrijdend gevoel om mijn laatste noten neer te pennen. ‘Paradisi gloria, Amen’. De laatste beelden voeren me terug naar het graf van Jezus, waar een schitterende, witte aura rond zijn lichaam hangt. Het is de voorbode van het mysterie dat zich op Paasdag zal voltrekken: de verrijzenis. Is het een toeval dat Magdalena Jezus als eerste zal herkennen op die bewuste dag, die nu al 1736 jaar lang gevierd wordt als het moment van de Grote Verlossing?

Volgende week is het zover, ik kan niet wachten tot het Goede Vrijdag wordt, tot de Paasdag aanbreekt. Ik leg het perkament met de partituur neer naast mijn brits, doof de kaars en sluit de ogen. Het is volbracht. Ook al is mijn Stabat Mater gecomponeerd in opdracht van de Confraternità dei Cavalieri di San Luigi di Palazzo, het is niet voor hen dat ik het gemaakt heb. Ik heb het enkel gecreëerd voor de allerhoogste, alleen aan Hem draag ik het op. De première zal ik niet meer meemaken, maar dat deert me niet. Het applaus van het publiek, als dat er al komt, zal me worst wezen. Het belangrijkste is dat Hij het hoort.

De cirkel is rond. Ik hoest steeds erger en zie de nacht met grote deernis tegemoet. Laat me alsjeblieft nog Pasen halen. Ik denk aan moeder Maria en mijn eigen moeder, die ik al zeven lange jaren mis. Zullen ze op me wachten? Moederliefde is met niets te vergelijken, een zalf die alle wonden heelt. In mijn Stabat Mater heb ik dat gevoel proberen te vangen, ook al is dat een onmogelijke opdracht. Ik denk ook aan Kajafas, Pilatus en Judas. Schuilt niet in ieder van ons een drift naar macht en aanzien, een opportunist of een verrader? In de duisternis van de nacht snak ik naar vrede met mijn demonen. Daarvoor zoek ik steun bij Johannes, de meest integere en wijze der apostelen. Sta me bij, Johannes, wijze man, omring me met je onnoembare geest. En voor ik mijn geest aan de allerhoogste toevertrouw wil ik niet in het minst mijn dank betuigen aan Magdalena, die mysterieuze, sensuele en onderschatte vrouw. Ze moeten stoppen met haar een hoer te noemen. Haar liefde voor Jezus was groots en oprecht, dat voel ik in elke noot van mijn laatste compositie. Zo’n liefde heb ik jammer genoeg zelf nooit mogen kennen – mijn enige grote verliefdheid bleef onbeantwoord. Het is goed zo.

Het is alsof ik Magdalena langs de ene zijde van mijn bed zie zitten, en moeder Maria met Johannes aan de andere zijde. Ik stel me voor dat ze mijn koude polsen in de palm van hun warme handen leggen, terwijl ik kijk naar een schitterend licht dat oprijst aan mijn voeteneinde. Mijn kleine leven is bijna ten einde. Ik heb geleerd dat je lijden niet kan verdrijven met schoonheid, maar ze wel elkaar de hand kan doen reiken. Beiden plaveien ze de weg naar iets dat vele malen hoger dan onszelf is. Ik geef me over aan de clementie van de moedertroost, aan de zoetheid van de Liefde der geliefden, aan de wijsheid van onuitgesproken woorden. Nog een stap, een enkele, en ik ben dra voorbij dat lange lijden. In het donker strek ik een laatste maal mijn hand, zoals Magdalena naar de geliefde aan het kruis. Ik hoor hemelse muziek en leg mijn ziel neer in de schoot van het grootste der mysteries.

De afbeelding bovenaan is een fragment uit een schilderij van de Franse schilder Jacques Joseph Tissot (1836 – 1902). Opvallend is het perspectief – vanachter het kruis – waardoor de focus ligt op de ervaring van zij die voor het kruis staan. Rechts staat Maria, links de apostel Johannes en de vrouw die het kruis omhelst is Maria Magdalena. Dit schilderij was mede de inspiratie voor dit verhaal.

De componist Giovanni Battista Pergolesi stierf op 26 maart 1736, een paar dagen voor Goede Vrijdag. Hij werd 26. Zijn Stabat Mater werd in 2016 door de luisteraars van Klara verkozen tot beste klassieke muziekstuk in de jaarlijkse Top 100. Luister hieronder waarom.

 

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: