Zeven pogingen tot zoenen

IMG_3481Grommende macho’s die vrouwen lastig vallen? Het zou nooit in me zijn opgekomen toen ik in de vorige eeuw de verovering van het andere geslacht met frisse moed aanvatte. Toen geweld nog teder was, en de jacht naar de eerste zoen bezaaid met huizenhoge obstakels en een enkele hinderlaag.

Eerste poging. Ik ben bijna zes. Op weg naar school spring ik over de stoeptegels, zonder de randjes te raken. Een jonge ridder te paard, flitsend met hetzelfde zwaard als mijn held in het “Zwaard van Ardoewaan”, een jeugdserie op televisie. Ik sta op het punt de straat naar de schoolpoort te dwarsen. Het gele bloempje, geklemd tussen de groeven van het voetpad, lacht naar de zon, en naar mij. Natuurlijk moet ik het haar schenken. De juf zal me een volle minuut knuffelen, wellicht veel langer. Ik zal haar held zijn van de dag, van de week, het hele schooljaar. In haar hart zal ik de zoete stempel van mijn onvoorwaardelijke liefde achterlaten. Ik trek het bloempje van tussen de voegen, zonder dat de lange wortel afbreekt. Gaaf. De schoolbel rinkelt, ik moet me reppen. Wat scheelt het voor een groots moment als dit?

‘Alsjeblieft, juf Jasmine, deze is voor jou!’ tover ik in de klas vanachter mijn rug de paardenbloem tevoorschijn. De lach op mijn mond expandeert naar recordbreedte. De pupillen in mijn ogen ademen de sprankel van een liefhebbend kinderhart. Juf Jasmine neemt het aan tussen duim en wijsvinger. Ze houdt de bloem met gestrekte arm voor zich uit en bestudeert ze als een wantrouwige detective. Een fractie van een seconde, niet langer, dan mikt ze het resoluut in het vuilnisbakje. Het dichtklappende deksel deelt een mokerslag uit. ‘Zo’n vuile pisbloem, ben je niet beschaamd? En je bent nog te laat ook. In de hoek jij!’ Ik huil niet. Daarvoor ben ik te verbijsterd.

Tegen de leeftijd dat het andere geslacht interessant wordt blinken de meisjes uit in onbereikbaarheid. De muren van hun scholen zijn onneembaarder dan het Gravensteen van Gent. Dit terwijl onze tomaten in bloei komen. De exploratie van de vrouwelijke wereld is even spannend als “Twintig duizend mijlen onder zee”. Zelfs seksuele opvoeding staat voor het eerst op de agenda van het conservatieve college, een twijfelachtige eer die een kaalhoofdige, bijna gepensioneerde priester te beurt valt. Op vlekkige stencils komen we te weten dat we toe zijn aan het betasten van onszelf. Kojak kan het gegniffel tijdens de les niet duiden, en nog minder dulden. Op dat moment scheppen we al lang tegen elkaar op over onze mannelijke opmars. Het bijeen gepochte zaad kan een spermabank voor jaren van liquiditeit voorzien. De waarheid is: we voelen ons klein en onzeker, en de prille zoektocht naar de vrouwelijke geheimen moet nog schoorvoetend beginnen.

Tweede poging. De tijd is aangebroken om kandidates te spotten voor de eerste zoen. Af en toe komen er vriendinnen van mijn zus over de vloer. Ze is drie jaar ouder. Dat betekent dat de vrouwelijke trafiek bestaat uit meisjes die, nadat ze de groenfactor van broerlief gemonsterd hebben, me totaal negeren. Zelfs een met liefdesverdriet worstelend exemplaar, dat dringend toe is aan troost en een betere partij, ziet niets in een groener alternatief dat zich interesseert aan Ufo’s en de evolutie van kikkerdril.

Poging nummer drie: de klasgenoten eruit pikken die wel over jongere zussen beschikken. Vervolgens mezelf uitnodigen op verjaardagsfeestjes, waar deze bevallige jonggazelles verlegen maar geïnteresseerd vanuit de achtergrond zullen toekijken. Onder elkaar zullen ze het mannelijke aanbod oeverloos becommentariëren en in hun dagboeken voorzien van romantische passages met als titel: maneuvers op een stuntelige catwalk. Heel misschien zullen ze me opmerken en, in het beste geval, bij hun broer naar me informeren. Wie is die jongen? Verder dan wat giechels en een stel blozende kaken schop ik het niet. Ik laat me de kaas van het brood eten door meer bijdehandse klasgenoten. De concurrentie is moordend en meedogenloos.

Vierde Poging. Mijn beste vriend heeft een jongere zus die op rijpheid komt. Mijn bevoorrechte positie moet me in pole position brengen. Ze heeft schattige vlechtjes, zomersproeten en een beugel. Als die laatste er eindelijk uitgaat en er tegelijk onder haar bloemenhemdjes onmiskenbare heuveltjes tot ontwikkeling komen slaat mijn radar rood uit. Verder dan woordelijk geflirt komt het niet. Het hoogtepunt bestaat uit een ludiek vechtpartijtje. Het is al avond en ze draagt een nachtjapon. Ze verliest haar evenwicht en gaat ietwat lullig tegen de grond. Ongewild wipt haar avondkleed tot heuphoogte, waardoor een toefje schaamhaar een volle seconde aan zedige bedekking ontsnapt. Een spannende, dagboekwaardige gebeurtenis in mijn nog prille ontdekkingstocht, dat wel. Maar ik blijf achter, zoenloos en verweesd.

Poging vijf, de eerste tennisfuif. Nog voor de eerste slow komt Inge naar me toe. Of ik straks wil dansen met haar vriendin? Sandra zit iets verder een ongemakkelijke glimlach te produceren. Ik kijk haar aan, ze lacht verlegen doch charmant. Wat is ze knap met haar bruine golvende haren, waar ze af en toe met haar rechterhand nonchalant door strijkt. Ik weet dat ze al enkele jongens gehad heeft. Wat als ik er niets van bak, gonst het in mijn hoofd, terwijl al mijn tennismaten erop staan te kijken?

‘Mja,’ antwoord ik. Natuurlijk wil ik dat. Met haar dansen, eerst op armafstand en dan steeds een beetje dichter. In het midden van de tweede slow zal ik haar tegen me aandrukken, een arm stoer achter haar rug. Haar hoofd zal langzaam landen op mijn linkerschouder en haar borstjes zullen rusten tegen mijn licht gespierde borstkas, waardoor ik ze nog beter zal kunnen voelen. En dan, als de laatste slow op gang komt zal ik het doen. Ik zal haar eerst zachtjes zoenen op de lippen, en daarna zwoele likjes uitproberen. De DJ wisselt de laatste dansplaat voor “Du” van Peter Maffay, een plakker van formaat. Ondanks mijn gesettelde date vind ik geen adem meer. Paniek van mijn tenen tot mijn kruin. In een fractie van seconde kies ik voor plan B.

‘Wil je met me dansen?’ vraag ik met schraperige stem.

‘Het was wel de bedoeling dat je met Sandra danste,’ stribbelt Inge tegen.

‘Straks. Na deze.’ Nauwelijks een paar meter van ons vandaan schuifelt Sandra onbehaaglijk op haar stoel. Een sluier van ontgoocheling is over haar gezicht neergedaald. Ik durf niet te kijken, probeer een praatje met Inge over het tornooi.

‘Heb je mijn match tegen David gezien?’

‘Je danst zo dadelijk toch met haar?’

‘Mijn backhand was super, toch?’

‘Ja of neen? Anders houd ik het ook …’

‘Doe ik.’

“Duu-uu-uu, du bist alles auf der welt,” schalt het door de luidspreker. Ik voel me een voetballer die een voorzet voor het lege doel alsnog heeft naast gekopt. Ik hoor een denkbeeldig publiek fluiten. De tweede slow begint, ik raap al mijn moed samen en steven af op Sandra. Ze danst een slow met me. Een gesprek dat er geen is. Ze zegt dat ze het begrepen heeft. Daar gaat mijn eerste kus, de kus die echte mannen onderscheidt van te beleefde, te bedeesde jongens. Die avond zal ik niet meer zoenen. Dichtstbijzijnde uitgang.

Bij poging zes gaat bijna alles goed. Decor is een populaire danstent in de stad. Als de laatste slow plaats ruimt voor een disco hit kijkt Marleen op haar horloge. Ik heb het nog niet aangedurfd, ook niet na twee schuifeldansen. Haar pa staat binnen vijf minuten met zijn auto voor de deur. Nog even kijkt ze verwachtingsvol. Ze lijkt zo ervaren, alsof ze dit al tientallen keren gedaan heeft. Twijfel, en dan plant ik stommelings een zoen, ergens halverwege tussen haar wang en het randje van haar lippen.

‘Kom je hier vaker?’ probeer ik de meubelen te redden.

‘Misschien.’

‘Mag ik je telefoonnummer?’

‘Mijn pa wacht.’

Zevende poging. Hoe ouder ik word, hoe groter het verlangen, en hoe groter de angst om als een gieter af te gaan. Ik zit lelijk in de tang. Dan ga ik voor iets wat ik nog nooit gedaan heb: niet durven, toch doen. ‘Jij nog nooit gekust?’ lacht ze. ‘Geloof ik nooit.’

Vandaag lijkt alles zoveel makkelijker. Toch doorploegen jonge mensen nog steeds een oerwoud van relationele onzekerheden. Daar moet ik soms aan denken wanneer ik verhalen lees over macho’s, al dan niet uit vreemde landen, die ongegeneerd en weinig subtiel vrouwen bejegenen, daarbij soms ver over de schreef gaan. Dan denk ik terug aan hoe ik aan het andere einde van het spectrum heb gestaan. Geen seconde spijt voel ik voor het ervaren van zoiets heftig als de angst voor afwijzing. Het heeft gemaakt tot ik wie ik ben. Het heeft me moed geleerd en verbinding met het hart. Kwetsbaar en respectvol te zijn.

Telkens voel ik weer diezelfde paniek, zoals wanneer ik voor tweehonderd Indiërs verondersteld werd onverwacht een presentatie te geven. Wanneer ik op mijn allereerste, zelf in elkaar geknutselde workshop de deelnemers zag toekomen. Wanneer ik het podium beklom om Jacques Brel te brengen met piano begeleiding. Vele malen ben ik een kleine dood gestorven. Ook nu nog overvalt het me nog soms. Wat gaan ze van die blog denken? Van mijn eerste roman, die binnen enkele maanden uitkomt? Niet durven, toch doen.

Het aantal mannen die authentiek durven zijn neemt toe, ook onder leiders en politici. Ik beeld me in dat de dagen van de macho’s zijn geteld. Nog steeds zetten ze op het wereldtoneel de dingen naar hun hand. Ze verdragen geen afwijzing, zijn kampioenen in het zaaien van verdeeldheid. Wij tegen de rest. Het westen tegen het oosten. Noorden tegen het zuiden. Mannen tegen vrouwen. Ze ontlenen hun kracht aan stoere taal, gezwaai met wapens en het vingerwijzen van de vijand. Ze weten (nog) niet dat macht uitoefenen over de ander, en over vrouwen in het bijzonder, falen is om je angsten en je tekortkomingen onder ogen te zien. Het is lafheid en gebrek aan moed.

Vrouwen zijn de grootste leermeesters van de man om in zijn kracht te komen. Ze testen je vanaf je vroege levensjaren, elke dag opnieuw. De wachtwoorden tot hun hart zijn authenticiteit, respect en bravoure. Wie slaagt wacht de smaak van paradijselijke zoenen, een koesterende haven en de slagkracht van het zwaard van Ardoewaan. Het is tijd aan die mannen om op te staan en zich te tonen in de wereld. Ook al kost dat zeven pogingen of meer.

De armlengte van mannen

IMG_4334

Dilemma: “Als man lijdzaam toekijken hoe een vrouw door een meute wordt aangerand, of haar uit hun klauwen proberen te bevrijden en een messteek riskeren?” Vrouwen verwachten altijd het tweede. Terecht. Dus waarom is dit voor mannen zo’n moeilijke keuze?

Begin jaren tachtig, toen ik een jaar of zestien was, werd ik op een avond vastgegrepen door een vijftal jonge mannen. Ik wist wie ze waren en wat ze van plan waren: me vastbinden en vernederende zaakjes uithalen. De leider, een dertiger en een kop groter, viel op door zijn bolle haviksneus. Hij pronkte stoer met een sixpack op het moment dat het woord nog moest worden uitgevonden. Ik vergeet nooit de grimas op zijn gelaat toen hij voor me stond, terwijl de rest me als een veelarmige octopus in bedwang hield. De woede die in me opwelde was enorm. Het was als een vuur dat vanuit de aarde doorheen mijn voetzolen drong, zich een weg omhoog baande en in mijn buik een slapende vulkaan wekte. Ik voelde de hitte van lava doordringen tot in mijn ledematen, een proces dat zich voltrok in luttele seconden. Feit was dat ik op een bepaald moment erin slaagde mijn rechterarm los te wrikken en de leider een vuistslag uit te delen. Hij deinsde achteruit en sloeg zijn handen voor zijn gezicht. De consternatie bij de andere belagers was zo groot dat ik ervan kon profiteren om me los te wurmen en de biezen te nemen. De eerste honderd meter had ik me op zijn minst tot provinciaal kampioen kunnen kronen. Later heb ik vernomen dat hij aan dat voorval een neusbreuk had overgehouden.

Ik ben niet fier op dat verhaal. Het gaat niet over de goede tegen de slechte. Het gaat niet over Hollywood heroïek. Het gaat over de energie van de krijger. De krijger gebruikt geen nodeloos geweld. Hij strijdt voor een rechtvaardig en hoger doel, in opdracht van de koning. Een koning die regeert vanuit het hart, nooit aflaat om de noden van zijn volk in de gaten te houden en te verzekeren. Een koning die opkomt voor de zwakkeren en hen zijn onvoorwaardelijke bescherming biedt. Als iemand op gewelddadige wijze raakt aan een kwetsbaar iemand, dan raken ze aan hem. Dat weten zijn krijgers. Dan gaan ze handelen, collectief, als een enkel organisme verbonden met het universum. Als het moet op gevaar van eigen leven. Daar gaat geen aarzeling of dilemma aan vooraf.

Vrouwen zijn niet zwak, integendeel. Maar tegen een bende losgeslagen mannen kunnen ze zelden op. Wij mannen moeten dat weten. Of we nu politieagent of toevallige omstaander zijn doet er niet toe. Als vrouwen in gevaar zijn moeten we handelen. We moeten elkaar een fractie van een seconde aankijken en weten wat ons te doen staat. Desnoods alleen. Vlak voor we ingrijpen, vragen we steun aan het universum. Dat het geweldloos mag verlopen. Indien het niet anders kan bidden we dat we met een enkele rake klap de tegenstander kunnen uitschakelen, zonder dat hij er blijvende schade aan overhoudt. We vragen dat het vuur van gerechtvaardigde kwaadheid in ons opwelt en ons een kracht geeft die we nooit in onszelf hadden vermoed. Dergelijk vuur voelen we als de integriteit van onszelf of iemand anders wordt belaagd. De integriteit van iemand beschermen is een daad van liefde. In een paar diepe ademhalingen, meer niet, voltrekken we dit ritueel, waarbij we het vuur naar binnen zuigen. We hebben geen tijd te verliezen.

We rennen naar het groepje dat een vrouw aan het aanranden is. Vlak voor hen planten we onze voeten neer, geaard en onvervaard. Met luide stem roepen we om er onmiddellijk mee te stoppen. Misschien ook dat hun god hen op dit moment ziet en hun daden zal beoordelen. Ook al voelen we de angst en de adrenaline gieren door ons lijf, we tonen ons onbevreesd en vastberaden. Als ze ons negeren of uitlachen is het tijd voor actie. Onze focus gaat daarbij in eerste instantie uit naar het beschermen van de vrouw, niet naar een knokpartij. We gooien ons ertussen en proberen haar te bevrijden uit haar hachelijke situatie. “Wie raakt aan haar, raakt aan ons,” stralen we uit. Vanaf dan verloopt alles organisch, als in een roes. Als we een klap uitdelen is het een gerichte, geleid door een hogere kracht.

Loopt het altijd goed af? Ons lichaam kan er (fel) gehavend uitkomen, dat zeker. En onze poging kan mislukken, dat ook. We zijn geen onaantastbare helden zoals op het witte doek. Toch zullen we diep vanbinnen de zielenkracht voelen, die ons zal vertellen dat we juist gehandeld hebben, vanuit liefde en rechtvaardigheid. Een beeld van een vrouw die aangerand wordt en waarbij we niets ondernomen hebben zal gans ons leven op ons netvlies blijven kleven. Het zal ons slapeloze nachten bezorgen. Tot de krijger in ons eindelijk wakker wordt.

Allemaal lekker gezegd misschien, maar of ik het zelf consistent zou doen? Zo’n held ben ik immers niet, en al zeker geen actieheld. Door een en ander neer te pennen weet ik een ding: de angst voelen en het toch doen is de enige optie waarbij we als man in het reine met onszelf en met het universum kunnen zijn. Wij mannen hebben de voeling met het gezonde krijgerschap verloren. We kamperen in ons hoofd en zijn individualistische scheepjes geworden op de woelige oceaan van veranderende tijden.

Tijdens de voorbije week regende het reacties in de pers en op facebook over de incidenten in Keulen, waarbij de mannen veelal uitblonken in afwezigheid. De “armlengte” was het meest gebezigde woord, nadat de burgemeester van Keulen, nota bene zelf een vrouw, aan alle vrouwen de raad gaf om van mannen minstens deze afstand in acht te houden. Als grenzen gerespecteerd worden doen lengtes er niet zo toe. Of gaan we als man en vrouw elkaar geen knuffel meer durven geven? En wat is trouwens de armlengte van mannen? Dit is mijn definitie: “De armlengte van mannen toon je door je armen wijd te spreiden, de handpalmen naar elkaar toe, en alle vrouwen duidelijk te maken dat dit de beschermende cocon is waarop ze altijd en in elke situatie zullen kunnen rekenen.”

Een heel klein beetje Jezus

IMG_4180.JPGVersion française en bas.

Als een stille schreeuw hangen aan de eeuwigheid. Laura is amper twaalf, wanneer ze de fluweelzachte ceintuur uit haar peignoir schuift. Rond de kerstdis zal haar lege stoel hunkeren naar de bruis van een vervlogen leven.

Laura woont in Durbuy. In het pittoreske stadje schuimen toeristen het jaar rond de vele souvenirstalletjes af. Op terrasjes proeven ze goedkeurend van produits artisanales. Hand in hand flaneren ze door de nauwe, Ardense straatjes, tot op de brug over de Ourthe. Ze nemen selfies of staren dromerig in het ruisende water. Aan de overkant van de rivier klimmen rotspartijen naar de hemel. Ze waken over het stadje met kloeke, vaderlijke bezorgdheid. Het is daar, hoog boven de huizen van Ardense steen, dat de ladder voor Laura wordt neergelaten. Het is de ladder naar de hemel. Een engel komt trede per trede naar beneden, ze lacht Laura tegemoet. Het meisje kijkt toe met verbazing en met hoop, blij dat ze niet langer alleen is.

‘Welkom, ik ben Elize,’ begroet de engel haar. ‘Maar je mag Lies zeggen, zo noemen ze me wel vaker. En wie ben jij, meisje?’

‘Ik ben Laura,’ antwoordt het meisje onwennig.

‘Wat een mooie naam. Waarom kom je zo vroeg naar huis, mijn kind?’

‘Ik voelde me vreselijk verraden. Ze was zo lang mijn beste vriendin, begrijp je?’

‘Niets is zo vreselijk als het verliezen van de liefde.’ De engel streelt traag door Laura’s lange haren. Ze huilt stille tranen.

‘Mijn troost hadden ook je papa en mama kunnen brengen,’ fluistert de engel weemoedig.

‘Ik weet het. Word ik nu gestraft?’ Laura kijkt angstig naar de engel.

‘Dat woord kennen we hier niet,’ stelt Siens glimlach haar gerust.

‘Mag ik eens aan je vleugels voelen?’ Zonder een antwoord af te wachten, laat Laura haar hand over de veren glijden. ’Dat is supercool. Zoiets zacht heb ik nog nooit gevoeld.’

‘Zo zacht ga ik je nu leren worden voor jezelf. Ik zal daarbij je persoonlijke begeleidster zijn. Een soort van juf, zeg maar.’ De engel tilt Laura op en zet het meisje op haar rug.

‘Vergeet de ladder, we gaan vliegen. Hou je maar goed vast aan me!’

‘Dit is te gek!’ Laura klemt zich stevig vast, terwijl ze haar kaak tegen de veren strijkt. Eerst zweven ze boven hoge bergen en onmetelijke oceanen, tot de aarde een kleine blauwe knikker wordt en ze langs fonkelende sterren suizen. Na een adembenemende vlucht wacht een nooit gezien lichtspektakel hen op, pal in het midden tussen een karmijnrode ster en een staartvormige uitloper van de Melkweg.

‘Dit is de tuin van zelfliefde,’ lacht engel Elize, wanneer ze door de grote, met duizenden bloemen versierde poort, naar binnen zweven.

‘Kan je daar spelen?’

‘Je kan daar alles, zolang het in verbinding is met de liefde voor jezelf.’ Laura rent naar een schommel. Het zitje is fluweelzacht en lijkt op een pluchen dolfijn. De touwen zijn klimplanten, bezaaid met ontelbare gele en oranje bloempjes. Ze lichten ritmisch op, het lijken net flikkerende kerstlampjes. Nadat Laura zich in de schommel heeft genesteld, geeft engel Elize een duwtje. Er is niet veel nodig om de schommel met grote, elegante zwier in beweging te brengen. Voor de eerste maal sinds ze de aarde heeft verlaten verschijnt er een glimlach rond Laura’s lippen.

‘Vind je het fijn?’

‘En of.’ Laura kijkt omhoog. ‘Waar hangt die schommel eigenlijk aan vast?’ wordt ze nieuwsgierig. Ze kan het niet goed zien, hoezeer ze ook haar best doet.

‘Kan je een geheimpje bewaren?’ Engel Elize legt samenzweerderig een vinger op haar mond.

‘Toe, engel Lies, vertel.’

‘Beloof me dat je het aan niemand zal verder vertellen. Die schommel… die hangt namelijk aan de pink van God.’

‘Echt waar?’ Laura kijkt stomverbaasd. ‘Heeft God dan zo’n grote pink?’

‘En een nog veel groter hart. Zo groot dat we er allemaal in kunnen.’ Laura springt van de schommel en spurt naar de bioscoop. Die is naast de rozentuin gelegen. Op de affiche staat Finding Dory geprogrammeerd.

‘Niet zo snel,’ roept de engel. ‘Ik kan je niet bijhouden. En we moeten eerst nog een ritueeltje doen.’

‘Wat voor ritueeltje?’ vraagt Laura opgewonden.

‘Kom hier maar eens voor me staan en leg je hand op je hart.’ Elize laat haar warme hand op Laura’s hoofd landen en kijkt diep in haar ogen. ‘Zeg me na: ik beloof dat ik altijd zal houden van mezelf.’

‘Ik houd veel van anderen,’ oppert Laura. ‘Is dat dan niet hetzelfde?’

‘Niet helemaal. Als je niet houdt van jezelf, hoe kan je dan van anderen houden?’

‘Ik dacht dat het omgekeerd was,’ fronst Laura de wenkbrauwen.

‘Dat weet ik.’

‘Oké dan.’ Laura sluit haar ogen en haalt diep adem. ‘Ik beloof dat ik altijd zal houden van mezelf.’ Nadat ze die woorden heeft uitgesproken, rollen er tranen over haar wangen. Het daagt Laura dat anderen je wel kunnen kwetsen, maar dat zelfliefde de eerste schokken dempt. Uiteindelijk heelt die zelfs alle wonden, stukje bij beetje, tot het hart geen lijm meer nodig heeft en het als een bloem weer voorzichtig zal ontluiken, klaar om opnieuw te bloeien.

‘Ik mis papa en mama,’ snikt Laura. ‘En mijn zussen en mijn broer. Kan ik echt niet meer terug?’

‘Toch wel, maar…’

‘Kunnen we dan nu vertrekken?’

‘Niet meer in deze gedaante. Je kan wel nog schrijven in hun dromen of op andere manieren signalen naar ze sturen.’

‘Kan ik dan in een droom vertellen dat ik volgende ochtend een signaal ga geven? Anders letten ze er misschien niet op.’

‘Wat slim van je. Daar had ik nog niet bij stilgestaan. Kom.’ Engel Elize vliegt met Laura dezelfde weg terug naar de Aarde. Ze zien hoe de voorbereidingen voor Kerstmis al volop aan de gang zijn. Duizenden engelen sjouwen met cadeaus en lampionnen, in alle maten en kleuren. Sommigen hebben geheimzinnige pakjes bij zich.

‘Daar zit troost in voor de mensen die het nodig hebben,’ legt Elize uit. Het is zo druk dat ze moeten opletten andere engelen niet voor de vleugels te vliegen. Uiteindelijk landen ze op de kruin van de oude appelboom in de tuin van Laura’s huis. Het begint te schemeren, en binnen zijn de lampen al aangestoken. Doorheen de gordijnen kunnen ze de kerstversiering zien, zij het niet zoveel als vorige jaren. Engel Elize kijkt Laura indringend aan.

‘Laura, lieve meid, sluit je mooie ogen, haal zeven diepe ademteugen en tel dan nog een keer tot tien.’ Laura twijfelt niet. Ze ademt snel maar diep, en het tellen lijkt een eeuwigheid te duren. Eindelijk is ze klaar en kijkt ze verwachtingsvol naar de engel.

‘Dan mag je nu je wensen doen aan de mensen die je moest verlaten,’ lacht Elize. ‘Weet dat je woorden zullen neerdalen in hun hart en in hun dromen.’ Laura staart dromerig voor zich uit. Dan legt ze plechtig een hand op haar hart en zoekt naar de mooiste woorden die ze ooit zou kunnen bedenken.

‘Liefste papa en mama, zussen en broer,’ zegt ze een beetje plechtig, als betrof het een vroege nieuwjaarsbrief. ‘Ik ben in goede handen. Bij engel Lies, die is heel cool. Ik ben aan het leren houden van mezelf. Als ik dat nu ‘ns eerder… Hey, maar alles komt wel goed.’ Elize knikt bemoedigend.

‘Huil, mama en papa, maar blijf niet treuren. Laat jullie tranen in de aarde vloeien, zodat ze in de lente bloemen kunnen baren. Dan zal ik de madeliefjes zijn, de grote gele krokus in de tuin, en in mei de oeverloze zee van witte klokjes. Ik zal het moedige winterkoninkje zijn dat schalks tegen het raam aantikt, de buizerd die hoog boven het huis met lome vleugels cirkels in de lucht tekent.’

‘Treur, maar niet te lang. Ik zal dat schattige schapenwolkje aan de blauwe hemel zijn. In de vroege ochtend zal ik de eerste zonnestraal zijn die alles okergeel kleurt, ’s avonds de laatste straal die een roze teint over jullie kaken strijkt.’

‘Treur, en leef dan weer. Ik zal me verstoppen in de vriendelijke woorden van de buurvrouw, de postbode of de verkoopster van de bakker om de hoek. Ik zal in jullie dromen guitig voorbij huppelen op de rug van een kameel of kangoeroe. Met een magische bezem zal ik jullie nachtmerries verjagen en vervangen door de dans van wilde passiebloemen.’

‘Treur, en geef je dan weer over aan de roep om tomeloos te leven. Ik zal jullie kleine, onzichtbare prinses zijn, jullie beschermengel, een goede fee met branie en met troost. En met Kerstmis zal ik heel speciaal bij jullie zijn. In de kerststal zal ik tussen de wijzen uit het Oosten staan. Ik zal waken over de os en de ezel en de toestand van het stro. Dan zal ik mijn mooiste liedjes zingen, terwijl Maria haar heel bijzonder kindje baart. En wanneer jullie het met Kerstmis in de kribbe leggen, zal ik een heel klein beetje Jezus zijn.’

 Opgedragen aan Laura en haar familie.

Un tout petit peu Jésus

IMG_4180.JPGComme un cri muet pour l’éternité. Laura dénoue la ceinture de son peignoir, elle a à peine douze ans. Sa chaise à la table de Noël sera vide, en souvenir nostalgique d’une vie qui s’est éteinte.

Laura habite Durbuy le pittoresque, fort prisé des touristes qui aiment flâner dans les ruelles avec leurs échoppes de souvenirs, ou goutent des produits artisanaux. Après le pont sur l’Ourthe, qui invite aux photos souvenir, il y a les rochers pointant vers le ciel, qui protègent paternellement la petite ville. Et là-bas, nettement plus haut que les maisons ardennaises, on déroule une échelle pour Laura, l’échelle du ciel. Un ange en descend et sourit à Laura. La fillette étonnée est pleine d’espoir : elle n’est plus seule.

« Bonjour » dit l’ange. « Je m’appelle Angéline, et toi ? »

« Je suis Laura, » répond-elle d’une voix hésitante.

« C’est un beau nom, mais tu es bien jeune pour venir déjà nous rejoindre. »

« Je me sens terriblement trahie, vois-tu? »

« Rien de plus triste que de perdre l’amour. » L’ange lui caresse les longs cheveux, des grosses larmes coulent.

L’ange est plein de compassion « Tes parents étaient prêts à te consoler, le sais-tu ? »

« Je le sais bien, serait-ce là ma punition ? » s’inquiète Laura.

« Ce mot-là, nous l’ignorons ! » L’ange lui sourit.

« Puis-je toucher tes ailes », et elle caresse les plumes duveteuses. « Comme c’est doux. »

« Je veux t’apprendre à être tout aussi douce pour toi-même, je serai ton ange-gardien, même ton enseignante. » L’ange soulève Laura et la prend sur son dos. « Pas besoin d’échelle, nous nous envolons, accroches-toi ! »

« C’est fou ! » Laura s’agrippe et enfouit son visage dans le doux plumage. Ensemble elles survolent montagnes et océans, la terre est toute petite, les étoiles scintillent. Le vol fantastique se termine dans une féerie de lumière, entre une étoile rougeoyante, et la queue de la voie lactée. Elles atteignent un portail magnifiques orné d’une multitude de fleurs « Bienvenue dans le jardin de l’amour de soi » sourit l’ange.

« Puis-je y jouer ? »

« Tout est possible, si tu veux te faire du bien. » Laura découvre une balançoire, le siège est si doux, on dirait un dauphin en peluche. Les cordes sont des tiges grimpantes, fleuries et pleines de lampions brillants. Angéline pousse la balançoire, qui bientôt va et vient gracieusement. Laura sourit, c’est la première fois depuis son d’épart de la terre.

« Tu aimes ? »

« Bien sûr, mais je ne vois pas l’attache des cordes ? »

« Peux-tu garder un secret ? » Angéline met un doigt sur les lèvres.

« Vas-y, Angéline, dis-moi »

« Ne le raconte à personne, la balnéaire est suspendue… au petit doigt de Dieu ! »

« Sûre ? Alors il doit avoir les doigts bien grands ? »

« Mais son cœur est bien plus grand, il peut nous héberger tous. » Laura délaisse sa balançoire, il y a une salle qui annonce le film Le monde de Dory. « Allons-y ! »

« Pas si vite, » dit l’Ange. « Il y a un rituel à accomplir. »

« Lequel ? » Laura est tout excitée. « Mets-toi en face de moi, la main sur le cœur » Angéline pose une main sur son front, et la regarde dans les yeux. « Promets-moi : je m’aimerai pour toujours. »

« Mais j’aime les autres, n’est-ce pas pareil ? »

« Pas du tout, si tu ne t’aimes pas toi-même, comment pourrais-tu aimer les autres ? »

« Je croyais plutôt l’inverse ! »

« Oui, je le sais. »

« C’est bon ! » Laura ferme les yeux, respire un bon coup et proclame : « J’aurais toujours de l’amour pour moi-même. » Les larmes coulent, bienfaisantes. Laura a compris : les autres peuvent te blesser, mais c’est la confiance en soi qui sera ton bouclier, et qui guérira petit à petit toutes les blessures. A la fin, ton cœur refleurira. Laura sanglote.

« Mes parents me manquent et aussi mes sœurs et mon frère, je voudrais tous les revoir, conduis-moi pour les retrouver. »

« Je crains que ce n’est pas si facile. Tu seras une autre Laura, tu les rejoindras dans leurs rêves, tu leur enverras de subtils messages. »

« Alors, il faut qu’ils aient ce rêve que demain je leur enverrai un message, autrement ils requéraient de ne pas m’entendre. »

« Que tu es bien intelligente, Laura. Allons voir ensemble, direction terre »

En cours de route les préparatifs pour Noël battent le plein. Des milliers d’anges volettent, les bras chargés de lampions, de cadeaux, de paquets mystérieux. Ils sont tellement nombreux qu’ils risquent de se cogner les ailes. Angéline remarque qu’il y a beaucoup de gens à rendre heureux.

Angéline et Laura ont atterri dans la cime du vieux pommier dans le jardin de Laura. Dans la maison les lumières sont allumées, mais la décoration de Noel est moins importante que d’habitude.

« Ma gentille Laura, » Angéline est solennelle, « ferme les yeux, respire sept fois, et puis compte jusqu’à dix. Fais maintenant tes vœux à tous ceux que tu dois quitter. » Laura pose la main sur son cœur et cherche les plus beaux mots à dire, ceux qu’elle utilisait pour ses lettres de nouvel an. « Chers bien-aimés, je suis sous les ailes de l’ange Angéline, mon amie. Elle m’apprend l’amour de soi. J’aurais dû l’essayer bien plus tôt, mais tout ira mieux pour moi. » Angéline l’encourage.

« Vos larmes, maman et papa, frère et sœurs, couleront pour que le jardin puisse voir éclore au printemps la pâquerette, les crocus et le muguet. Le roitelet viendra cogner au carreau, la buse tirera ses cercles haut au-dessus de notre toit, n’ayez pas trop de chagrin.

Ayez moins de chagrin, je serai le petit nuage blanc dans le ciel bleu, le rayon de soleil matinal aux touches d’ocre et le dernier qui vous baignera de rose.

Ayez moins de chagrin, et reprenez le fil de la vie. Je serai dans les mots aimables de la voisine, du facteur ou du chauffeur de bus. Dans vos rêves un peu fous vous me verrez à dos d’un chameau ou la poursuite d’un kangourou sauteur.

J’aurai un balai magique qui chassera vos cauchemars et en fera des fleurs dansantes.

Ayez moins de chagrin, et vivez intensément. Je serai votre petite princesse invisible, votre ange gardien, fanfaron mais plein de réconfort. Je serai avec vous, tout près pour Noël. Cherchez-moi entre les rois mages, je soignerai l’âne et le bœuf et litière. Quand Marie aura son petit, je lui chanterai mes plus jolies chansons. Et lorsqu’à minuit vous déposerez l’enfant dans la crèche, je serai moi-même un tout petit peu Jésus. »

Dédicacé à Laura et sa famille

De engel van terreur alarm niveau 4

De Syrische jongen draagt een bestofte Barça T-shirt met gescheurde mouw. Messi pronkt op de rug in gele letters. In de grote hal zitten de asielzoekers her en der verspreid. Een gesluierde vrouw tuurt door het raampje van een wasmachine naar de wilde dans van het schuimende water. Rond een tafel zit een paar man op klapstoeltjes de speelkaarten van een nieuwe deling te bestuderen. Schoppen troef. Een hoestend meisje test of de benen van haar pop in spagaat kunnen. Twee kleine jongens en een meisje rennen achter een bal aan die door Messi met een nonchalante hakbeweging wordt gecontroleerd.

De Lubbeekse kandidaten voor vrijwilligerswerk stromen druppelsgewijs binnen voor de info avond. Ik ben een van hen. De moeder van Messi roept naar de jongen, die Tarek blijkt te heten. Hij hoort het maar negeert haar. Gebiologeerd staart hij me aan, waardoor een andere jongen hem de bal onfutselt en in het lege denkbeeldige doel tegen de betonnen muur trapt. De keeper, een meisje van een jaar of vijf in een lang wit kleedje is opgeschrikt door al die vreemde mensen. Net voor de scoringskans is ze naar mama gespurt en heeft haar benen met beide armpjes omklemd.

‘You like Messi?’ probeer ik. En ook nog: ‘How old?’ Een stem achter me vertaalt. Tarek spreidt fier alle vingers van een hand en maakt een V-teken met de andere.

‘Seven. Waaw. Big boy.’ Ik moet denken aan toen ik zelf zeven was. Decennia geleden en toch alsof het gisteren was. Een juli ochtend in 1971, het was nog donker. ‘Ga je een grote jongen zijn?’ siste mama toen ik protesteerde omdat mijn twee en een half jaar oudere zus langs de raamkant mocht zitten. De Peugeot 504 was voor de kampeerreis naar Saint-Tropez helemaal volgestouwd, met als gevolg dat ik met zuslief twee lange rijdagen op minder dan een halve achterbank geprangd zou zitten. Zonder ruzie als het even kon.

Karel Spillebeen van 5B had op school beweerd dat Brigitte Bardot in Saint-Tropez soms over het strand liep. Helemaal in haar blootje had hij eraan toegevoegd, wat door ma met klem ontkend werd maar door pa bevestigd: ‘Omdat de golven daar wild kunnen zijn verliest ze soms haar bikini,’ had hij geknipoogd. Plots wist ik niet meer of ik in het water zou durven. Ik had nog maar pas mijn zwembrevet behaald. En om door het ganse strand uitgelachen te worden omdat ik mijn zwembroek was verloren had ik al helemaal geen zin.

Toen we Parijs naderden was het eindelijk licht geworden. Dan wist ik wat er ging komen: geworstel met weerbarstige wegenkaarten op de schoot, soms een vloek. Parijs had vele in- en uitgangen. Als je de verkeerde nam kwam je volgens pa uit aan de Atlantische Oceaan in plaats van aan de Middellandse Zee. Wanneer we eindelijk de juiste exit te pakken hadden, wat door een diepe zucht van pa kenbaar werd gemaakt, wachtte nog de grootste beproeving. Vierhonderd vijftig kilometer tot Lyon. Ik en mijn zus onbeweeglijk in ons kleine hok, vechtend tegen te frequente plasbeurten. Met de billen bloot op de pechstrook is voor een kind de grootste ondergang. Erdoor slapen was de beste strategie. Dan moest je niet en zat je plots weer honderd kilometer verder.

Het was al tegen Lyon aan toen het begon mis te lopen. De file ging voor geen meter vooruit, een op hol geslagen caravan zoals zou blijken.

‘Duurder of niet, ik had nog zo gezegd dat je beter aan die Shell getankt had,’ snauwde mama, waarop pa zweeg en zenuwachtig lonkte naar het wijzertje dat flirtte met het nulpunt.

‘En we hebben nog niet eens logement. Straks zit alles vol,’ strooide ze nog zout op de wonde.

‘Dan slaan we toch naast de autostrade onze tent op,’ zei pa op een rare toon.

‘Dat zie je van hier. Ga jij straks maar met de jerrycan benzine halen. Kilometers te voet als het moet.’ Ma slaakte een diepe zucht en keek door het zijraam naar een onbestemd punt in de verte. De schrik sloeg me om het hart. Wat als pa met zijn jerrycan de auto niet meer zou terugvinden? Wat als iedereen ons zou uitlachen als we onze tent vlak naast de autostrade moesten oprichten? Hopelijk was er minstens toch een bosje.

‘Leopardo!’ Mijn hart maakte sprongetjes. Ik had het altijd een gekke naam gevonden voor een engel.

‘Je bent niets te vroeg,’ zei ik tegen hem. Leopardo was de engel van de bange kinderen, dat herhaalde hij elke keer. Hij had me al vaker geholpen.

‘Je wordt nu echt te oud voor denkbeeldige vriendjes,’ had ma me onlangs op het hart gedrukt en dus sprak ik enkel nog op fluistertoon met hem. Vreemd dat niemand anders hem zag of hoorde.

‘Het gaat wel lukken,’ stelde Leopardo me gerust. De file schoof twintig meter op en kwam weer tot stilstand.

‘Het gaat wel lukken,’ herhaalde ik tegen pa en ma. Ze reageerden niet, dus zei ik het nog eens.

‘Zwijg en zit stil.’ Ik moest lachen omdat Leopardo papa nabootste en daarbij gekke bekken trok. Ik probeerde me serieus te houden maar dat was moeilijk met zijn fratsen. De wijzer stond al een heel eind in het rood gekleurde gedeelte. Er verscheen een bord. Nog tien kilometer tot de volgende pomp, een Fina. Leopardo was achter de auto gaan staan. Ik had me omgedraaid en keek gefascineerd door de achterruit naar zijn exploten. Hij showde me lachend zijn biceps die grappig opbolden en begon vervolgens op clowneske manier te duwen. Dat was zo hilarisch dat ik weer moest gniffelen. In de auto achter ons, een Renault met gele nummerplaat die een caravan voorttrok, wuifden ze lachend naar me terug. Zouden zij Leopardo ook zien?

Geloof het of niet, een halfuur laten viel de auto pardoes een paar meter voor de pomp stil. De opluchting bij papa en mama was enorm. We stapten uit. Ik zag hoe Leopardo enkele keren genoegzaam in zijn handen wreef en vlak voor hij glimlachend wegvloog met een grotesk lange vinger wees naar een klein opblaasbaar bootje in de Fina shop.

‘De kaart is vol,’ deed mama triomfantelijk nadat pa de benzine betaald had en zij de zegels op haar bijna volle spaarkaart bijgeplakt had. Toen daagde het me. Ik sleurde ma mee naar het bootje dat voor een volle kaart nog slechts een kleine opleg hoefde. Nu we gered waren profiteerde ik van de opperbeste stemming en haalde mijn slag thuis.

De rest van de reis verliep voorspoedig. Op de camping van de Plage de Pampelonne veroverden we een lommerrijke plek. Ik werd snel vriendjes met Frits van twee tenten verder, net als ik zeven en uit Amsterdam. We waren met zijn plastieken petanqueballen aan het spelen toen zijn vijf jaar oudere broer Gerrit met een duikbril op zijn kop en te grote zwemvinnen in zijn armen geklemd kwam aangerend.

‘Ik heb een inktvis gezien, ik heb een inktvis gezien,’ joelde hij. ‘Hij spoot voor mijn ogen de hele rimram leeg. De zee zag er zwart van.’

‘Dat kan niet,’ reageerde ik ongelovig.

‘Kan wel, kan wel,’ pochte Gerrit. Hij toonde een zwart plekje op zijn linkerarm en verdween eensklaps om zijn relaas te herhalen bij iedereen die het wou horen.

Toen we ’s namiddags naar het strand gingen was ik plots niet meer zo gretig om in het water te gaan. Pa had het Fina bootje met een paar krachtige stampen op de blaasbalg opgeblazen tot het helemaal bol stond.

‘Je kan nu zwemmen en dus mag je vanaf nu alleen gaan,’ schonk hij me onverwachts vertrouwen.

My beautiful picture

‘Wat ben je toch zwaar geworden,’ zei pa toen hij me in het bootje hees en afduwde in de rustige golven. Als de nieuwe koning van de Middellandse zee dobberde ik rond met mijn beentjes afhangend over de rand. Maar terwijl pa en ma op het strand een te lang werkjaar probeerden weg te slapen dreef ik stilaan af richting woeliger wordende zee. Ik twijfelde om uit het bootje te klauteren en terug te zwemmen. Wat als die glibberige inktvis plots zou opduiken en me zwart zou spuiten? Ik riep naar papa en mama op het strand. Ze hoorden het niet.

‘Inktvissen hebben ’s namiddags les,’ grapte de plots opgedaagde engel Leopardo. Hij zat in hurkzit op het water, vlak voor de boeg van mijn bootje. ‘Dan hebben ze al hun inkt nodig om op te schrijven wat de meester inktvis hen dicteert. En ik ben er ook nog altijd.’ Leopardo graaide met zijn armen in het water, diepte een ontiegelijk klein visje op en lanceerde het als een frisbee een golf of twintig verder. ‘Meer zit hier niet. Klim maar uit het bootje, leun met je buik op de rand en trappel met je voeten richting strand.’

‘Kan je me wat duwen zoals bij de auto?’ vroeg ik. Leopardo trok zijn onderlip overdreven naar beneden terwijl hij naar de hemel lonkte.

‘Wat zou ik zeggen? Dat je het alleen kan deze keer. Echt waar, je kan het. Je zal wel zien.’

‘Toe nou,’ probeerde ik nog terwijl ik al in het water gleed.

‘Jij was toch de koning van de Middellandse zee?’ jende hij. Ik trappelde met mijn beentjes het bootje voor me uit. Het werkte.

‘Ik laat je nu. Ik blijf hier nog wat rondhangen. Voor het geval een ander kind me nodig heeft.’

Op het strand kreeg ik een ijsje met pistache. Papa plaagde mama. Iets over de komst van Brigitte Bardot. Drie weken lang heeft ze nooit voorbij geparadeerd. Noch met, noch zonder bikini.

* * *

Vierenveertig jaar later, herfst 2015. Relaas van Tarek, de Syrische jongen:

‘Jij bent de koning van de Middellandse zee,’ probeert Leopardo me moed in te spreken. Het is twee uur geleden sinds we in het holst van de nacht van de Turkse kust met een opblaasboot vertrokken zijn. Van Kos nog steeds geen spoor. Met twintig zijn we. Ik hoorde pa nog protesteren: de boot zou maar goed voor zes zijn. Vlak voor de overtocht heb ik gezien hoe hij met lange tanden een hele stapel bankbiljetten gaf aan een onvriendelijke meneer, die ze gretig uit zijn handen griste. Naar Europa gaan kost veel geld. Hopelijk hebben we nog genoeg voor andere norse meneren. Is Europa nog ver? Ik weet het eigenlijk niet.

Ik ben nog steeds verbijsterd dat de kapitein ergens zomaar uit de boot gesprongen is en ons verweesd in de donkere nacht achterliet. Niemand van ons die kan zwemmen maar hij kon het als de beste. Even later werd hij onder luid protest door een motorbootje opgepikt. Toen het gebrom uitstierf in de verte restte ons alleen nog het klotsen van de woelige zee. Daar zijn we nu als makke prooien aan overgeleverd. Het water, aanvankelijk nog rustig, is de laatste minuten haar duivels aan het ontbinden. We zwalpen op en neer en van links naar rechts. Ondertussen slaan de golven als grijparmen over ons heen tot we helemaal doorweekt zijn. Pa zit op de rand op zo’n dikke opblaasworst, die door het gezamenlijke gewicht half onder water wordt geduwd. Ma die tegen papa zit aangeklemd, ik met mijn zusje Amira verscholen in mama’s schoot. Een vrouw tegenover ons blijft maar schreeuwen, waardoor alle kindjes beginnen te wenen en ik met hen. Leopardo verschijnt niets te laat. Hij is de engel van de bange kinderen, zegt hij telkens weer. Hij imiteert de schreeuwende vrouw met zoveel hysterische overdrijving dat mijn tranen overgaan in slappe lach.

‘Wat valt er te lachen?’ Pa verkoopt me een schijnoorveeg die in de lucht blijft hangen.

‘Laat hem,’ snauwt ma. ‘Dat komt door de spanning.’ Ik bewonder haar kalmte en haar kracht. Haar blik kan concurreren met die van een havik. Kan zij Kos al zien?

‘Het komt allemaal goed,’ herhaalt Leopardo. Niemand anders lijkt hem op te merken. Ik ben zo blij dat hij er is. De eerste keer was toen er in ons dorp een bom gevallen was, zomaar uit de lucht. Een muur van ons huisje was ingestort. Niemand gewond – we sliepen in een andere ruimte – maar zowat al ons speelgoed bedolven onder puin. Tot overmaat van ramp ook mijn truitje van Messi. Dat is de beste voetballer van de wereld. Gekregen van oma voor mijn verjaardag. Gelukkig heeft pa het kunnen redden, met de hulp van Leopardo. Zonder dat pa het besefte had de engel loodzware stenen helpen torsen. Om te redden wat er nog te redden viel. Sindsdien heb ik het truitje van Messi altijd aan. Een voetbalgod is tenslotte ook een god, en die kunnen je altijd helpen, net zoals Leopardo.

Er ontstaat paniek wanneer we water maken en het bootje dreigt te zinken. Ik zie hoe Leopardo in het water duikt. Mijn hart slaat een paar slagen over. Hij gaat toch niet zomaar verdwijnen zoals de kapitein? Niets is minder waar. Hij is onder het bootje door gezwommen en draagt het op zijn rug. Net voor de boeg steekt hij zijn hoofd boven water. Hij doet een grappige zwemslag en trappelt met zijn voeten. Ik voel dat we vooruit gaan.

‘Hij helpt ons! Leopardo helpt ons!’ roep ik.

‘’t Is goed jongen,’ zegt mama. Ze aait over mijn bol.

‘De kust!’ juicht mama een paar minuten later. Zij is de eerste die hem heeft gezien. Ik wist het: haviksogen. Doornat maar gelukkig gaan we aan land. Er staan vriendelijke mensen klaar met dekens. Ik kijk naar Leopardo, die het water van zijn vleugels schudt en afscheid wuivend terug de zee op gaat. Terwijl pa ons voortduwt draai ik me om en wuif terug.

Leopardo is sindsdien nog een paar keer verschenen. Zoals toen ons gezin in Macedonië gescheiden dreigde te geraken. Toen liet hij pardoes een jongeman struikelen en duwde een andere opzij, zodat we nog net samen een overvolle trein opraakten. Of bij de grens met Kroatië met die enge wachters te paard, of toen …

Uiteindelijk zijn we in België geraakt, in Lubbeek. Het is niet zoals in Syrië, maar het is ok. We hebben ons eigen huisje, een containerwoning noemen ze dat hier. Ik vind het wel cool, het is een beetje als kamperen. En vooral: er vallen hier geen bommen. Het is er veilig. Althans, dat dacht ik toch. Want deze week is het hier T alarm niveau 4. Ik mag het T woord niet meer uitspreken van pa. ‘Je bent nog te jong voor zo’n lelijke woorden,’ zegt hij. Ahmed, die zeker vijf jaar ouder is dan ik en het dus kan weten, beweert dat 4 het hoogste niveau is. Dan zijn er heel gemene mensen die met geweren over straat lopen en je zomaar kunnen neerschieten. ‘Ze zitten niet eens zo ver van hier,’ voegde hij er nog aan toe. Ik heb schrik, want uitgerekend vandaag komen er vreemde mensen. Nu ja, ze zijn van hier en komen om te helpen werd verteld. Maar die slechteriken van T alarm niveau 4 konden ook van hier zijn volgens Ahmed. Bij de mensen die binnenkomen zie ik een man van een jaar of vijftig met een zwarte rugzak. De bandieten verstoppen daar soms dingen in die kunnen ontploffen heeft Ahmed nog verteld. Ik verlies de bal aan Sayid, wat normaal gezien zelden gebeurt, en ik kijk verstijfd naar de man met de rugzak. Gelukkig komt Leopardo aangevlogen.

‘Ik ben de engel van T alarm niveau 4,’ lacht hij. ‘Een beschermengel. Een reddende engel, indien nodig.’

‘Nietwaar,’ zeg ik. ‘Jij bent de engel van de bange kinderen.’

‘Ook. Ik heb nu tijdelijk een duobaan. Of wil je niet dat ik een energieschild rond het gebouw optrek, zoals ik net gedaan heb? Ondoordringbaar voor gemene mensen.’

‘Ik heb schrik van die meneer.’

‘Weet ik. Heb je niet geluisterd naar wat ik net gezegd heb?’

‘Is die meneer niet gemeen dan?’

‘Totaal niet. Zijn enige wapen is een pen. Wist je dat hij zelfs schrijft over jou?’

‘Echt? Dat is cool.’

‘Ik ga nu maar. Je wordt een grote jongen. Gaandeweg zal je zelf je angsten overwinnen. Dan zal ik niet meer hoeven te verschijnen. Omdat een stukje van mij voor altijd in jou zal zitten. Je zal een man worden die zal handelen uit liefde. Niet uit angst, daar komt alleen maar herrie van. In liefde vind je de ware moed en kracht. Dan zal je zoals Messi recht op doel durven afgaan. En niet voor eeuwig blijven hangen in de verdediging of, erger nog, terugspelen op de keeper. Dan kan je nooit scoren, toch? Zo is het ook met het echte leven. Om echt te leven moet je je hart volgen en moedig zijn. Anders ben je al een beetje dood nog lang voor je oud zal zijn. Ga ervoor, Messi.’

Ik zet mijn zwarte rugzak op de grond. Tarek staart me niet langer aan. Hij verovert de bal op Sayid, slalomt rond hem en mij en schiet dan overhoeks in een denkbeeldige winkelhaak. Hij gooit zijn armen in de lucht en taxeert me met een brede glimlach en roept me iets toe in het Arabisch. Ik draai me om naar zijn moeder met een vragende blik.

‘Let maar niet op hem,’ zucht ze. ‘Hij slaat soms wartaal uit. De oorlog, weet je wel.’

‘Maar wat zei hij dan?’

‘O, niets bijzonders. Hij is zo gek van voetbal. Of je wou opschrijven dat hij later de nieuwe Messi wordt.’

Paradijs

P1020479 ‘Waarom heb je die mensen gedood?’ vroeg het lichtwezen. Nadat hij met genoegdoening had gekeken naar het bloedbad had de jongeman op het knopje van de bommengordel gedrukt. Zijn ziel was uit zijn lichaam gerukt geweest en vlak voor het lichtwezen abrupt tot stilstand gekomen.
‘Het waren ongelovigen,’ glunderde hij. ‘Alles voor het parad…’
‘Ongelovigen?’ onderbrak het lichtwezen hem vriendelijk doch kordaat. In de achtergrond vormden de zielen van de slachtoffers een lichtgevende, pulserende cirkel.
‘Ze geloofden in stoutmoedige dromen die ze met bravoure en hartstocht zouden najagen. Sommigen geloofden in de diepe ontroering wanneer ze hun baby voor de eerste keer liefdevol zouden kunnen omarmen. Anderen geloofden dan weer in hun vermogen om van deze aarde een betere plek te maken. Door een boom te planten, een vluchteling te helpen of simpelweg door een oude vrouw veilig over straat te escorteren. Eén jonge vrouw geloofde dat ze met haar gitaarsongs en haar fluwelen stem mensen zou raken tot in hun hart. Twee net afgestudeerde jongemannen geloofden dat ze later als Artsen Zonder Grenzen mensenlevens zouden redden in Afrika. Een zeventigjarige voormalig leraar geloofde dat hij met zijn verhalen vol wijsheid jongeren zou inspireren. Een postbode geloofde stellig dat de warme glimlach die hij mensen bezorgde altijd meer zou betekenen dan de brieven die hij op zijn ronde afleverde. Dit hadden ze gemeen: ze geloofden allemaal in de kracht van de liefde, in de stad van de liefde. Dat is precies waarom ze nu naar het paradijs gaan.’ Achter het lichtwezen vormden de zielen een feeërieke ketting. Ze vlogen weg op de rug van een adelaar, die met trage majestueuze vleugelslagen steeds hoger aan de hemel klom. De jongeman keek toe hoe ze uiteindelijk verdwenen in een verblindend licht. Het drong stilaan tot hem door dat hij niet mee zou kunnen.
‘Liefde dus,’ stamelde hij, en hij weende bittere tranen.

Opgedragen aan de slachtoffers van Parijs.

De ziel van Parijs

Eiffel

‘Onze strijd tegen het terrorisme zal meedogenloos zijn,’ zegt de Franse president. De volgende dagen zullen de kranten bol staan van verslaggeving over de Parijse aanslagen. Wie zijn die slechteriken precies, zal men zich afvragen. Zijn het teruggekeerde Syriëstrijders, westerse Isis sympathisanten of een ander zootje ongeregeld? Zit er een netwerk achter, een organisatie, een brein, een filosofie? Moeten we de grenzen sluiten, het leger inschakelen, sportevenementen verbieden, de noodtoestand uitroepen, het budget voor staatsveiligheid verdubbelen?

Wanneer de nieuwswaarde na een week of minder stilaan zal afnemen zal men terug overgaan tot de orde van de dag. Als het zo lang duurt. In het midden van een bericht over de aanslagen springt er een pop-up advertentie tevoorschijn: ‘Hoe u elk jaar wil profiteren van uw fiscaal voordeel via pensioensparen’, gevolgd door een banklogo. Boven een andere terreurduiding word ik ingelicht over een unieke afprijzing voor een 24-delige bestekset van Villeroy en Boch. De strijd van goed tegen kwaad is zo’n gretig leesvoer dat het marketingsgewijs misdadig zou zijn deze niet van reclameblokken te voorzien.

Hoe raak je als twintigjarige zo ver heen dat je op een dag besluit mensen te gaan neermaaien, vraag ik me wel eens af. De kans is groot dat deze jongens ooit schattige baby’s waren die temidden van lachende mensen welkom in de wereld werden geheten. Kinderen met een nog maagdelijke en lege harde schijf, door de verkeerde mensen geprogrammeerd. Adolescenten op zoek naar een identiteit en naar een toekomst, ingevuld door de lokroep naar valse heroïek.

‘Dit zijn de slechte en wij zij de goede,’ peperde iemand hen misschien dagelijks in, al dan niet zwaaiend met een dik boek waarin het grote gelijk volgens hen onomstotelijk te vinden is. Of misschien groeiden ze op in een milieu waarin marginaliteit hun toekomst langzaam maar zeker van alle rooskleurige perspectieven ontdeed. Een maatschappij waar pensioensparen een buitenaardse term is en een Villeroy en Boch bestekset, al dan niet afgeprijsd, een symbool van een wereld waarin je geld en kansen hebt, of ook niet. Misschien groeide hun frustratie tot een kookpunt, tot ze à point waren voor grijnzende haatpredikers met suikerspinbaarden. Of zoals de president van Senegal de ongelijkheid verwoordde na de top over de vluchtelingencrisis in Malta, waar Afrika een zak geld werd geboden om tienduizenden asielzoekers terug te nemen: ‘Dat zou allemaal niet nodig zijn als de westerse multinationals een eerlijke prijs – en taks – zouden betalen voor onze grondstoffen (lees: olie)’.

Europa is in de ogen van de halve wereld een Disneyland geworden waar iedereen een ticket voor wil bemachtigen. Een pretpark waar de attracties van feeërieke avondverlichting voorzien zijn, voor de ene slechts een kredietkaart transactie verwijderd, voor de andere voor altijd een ijsje, lekkerbekkend voor de mond gehouden en dan terug weggetrokken. Maar, en ten allen tijde: the show must go on. En dus meer prikkeldraadgrenzen, halve uitkleedpartijen op luchthavens, meer louche gesnuffel in onze computers en aanzwellende oorlogsretoriek van strijdvaardige politici.

In de zondagse wachtrij bij de bakker scrolt een ongeschoren man in trainingspak op zijn Samsung de laatste nieuwsberichtjes door. ‘Hier zie,’ begint hij ongevraagd een betoog. ‘Dat krijg je nu met die vluchtelingen. Je kon het van hier zien aankomen dat daar krapuul zou tussenzitten.’ Een vrouw met een ongeduldig trappelend kind aan haar zijde knikt instemmend, een bonkige man die een zak pistolets in ontvangst neemt haalt zijn schouders op.

‘Ze moesten ze allemaal terug op het eerste vliegtuig terug zetten,’ probeert hij opnieuw bijval te ontlokken.

‘Binnenkort komen er nog een paar honderd naar hier,’ trapt de verkoopster een open deur in. ‘Asielzoekers. Je mag er niet aan denken dat hier binnenkort zo’n bommengordel staat aan te schuiven.’ De man in trainingspak blaast hoorbaar lucht uit door zijn neusgaten.

‘Ik zal eens zeggen wat ze moeten doen,’ weet hij. ‘Een: deporteren die handel. Twee: het spel ginder plat bombarderen, burgers of niet. Korte metten zoals in de tweede wereldoorlog.’ Niemand reageert, de verkoopster plooit een taartdoos open en deponeert er zorvuldig een kriekentaart in.

Ik denk: natuurlijk zijn de aanslagen weerzinwekkend. Natuurlijk vallen moorden nooit goed te praten. Natuurlijk moeten we ons beschermen en daar het nodige voor doen. Maar als het enige antwoord een oudtestamentisch ‘oog om oog, tand om tand’ is dan zal de spiraal van geweld alleen maar toenemen. We hebben leiders nodig die meer vista tonen dan het inspelen op de volkswoede of het koketteren met meedogenloze weerwraak. De echte grinta bestaat erin te durven kijken wat de wereld nodig heeft om zoekgeraakte evenwichten, van welke aard ook, te herstellen. Voorbij de angst en het geweld. Dan alleen zal de stad van de liefde haar ware ziel kunnen herwinnen.

De laatste wens van Helmut Turnsek

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
Gebaseerd op een waargebeurd verhaal gepubliceerd in The Times van 9 November 2015.

11 juni 1939, Oostenrijk

‘Moet je echt weg mama?’ vroeg ik met besmuikte blik.

‘Ach, Helmut, jongen, binnen twee weken ben ik toch terug heb ik gezegd. Parijs ligt nu ook weer niet aan de andere kant van de wereld. Mag ik je er bovendien op wijzen dat je al acht bent. Da’s een leeftijd waarop ik verwacht dat je een grote flinke jongen bent. Als ik jou was zou ik dus ophouden met dat gezeur, anders breng ik geen cadeautje voor je mee.’

‘Cadeautje? Ik had veel liever gehad dat Franz hier bleef. Waarom mama? In godsnaam, waarom?’ Buiten claxonneerde de wagen die mama en Franz kwam ophalen. Ik begon te huilen. Franz was mijn beste speelkameraad, mijn enige. Ik was verbijsterd dat hij nota bene door mijn eigen moeder werd meegenomen. Kon mevrouw Leichter dat niet zelf? Moeders taak was enkel haar huishouden te beredderen, toch? Niet meer en niet minder.

‘Er zijn daarbuiten slechte mensen. Die willen Franz en Frau Leichter kwaad, dat heb ik je toch al duizend keer verteld.’

‘Nogmaals duizendmaal dank, Maria.’ Frau Leichter legde een hand op mama’s schouder om haar woorden kracht bij te zetten. Ik had ook wel gezien dat er iets scheelde met de Joden. Ze waren heel de tijd angstig en er waren dingen die ze niet meer mochten, maar ik wist niet goed waarom. Ik begreep niet waarom Franz voor die rare pesterijen weg moest en waarom Frau Leichter bleef. Ik omklemde mama met grijpende armpjes, ze tilde me een laatste keer op voor een moederzoen.

‘Wat ben je zwaar geworden, Helmut. Beloof me dat je flink zult zijn.’ Het was het laatste wat ze tegen me zei. Ik knikte met een zwaar gemoed. Ze plantte me terug neer en trok de wenende Franz mee naar de zwarte Ford. Franz rukte zich nog één keer los en liep terug voor een laatste omhelzing van Frau Leichter. ‘Ga nu maar, mijn jongen,’ aaide ze hem over de bol terwijl ze zich sterker hield dan ze was. Toen richtte Franz zich tot mij. ‘Tot binnenkort gladiator,’ stotterde hij. We hadden de dag tevoren nog de Romeinen tegen de Grieken gespeeld. Hij kneep zo stevig in mijn hand dat de pijn tot aan mijn elleboog doorschoot. ‘En toch winnen de Romeinen,’ pochte ik. Toen klom hij in de wagen. Ik liep de sputterende Ford nog een eindje achterna. Ik zag hoe mama en Franz vanachter de bedampte achterruit wuifden tot ze uit het zicht verdwenen. Ik had geen idee dat ik moeder negen en Franz pas vijfenzeventig jaar later terug zou zien.

20 april 2014, Londen

Straks komt hij. Franz. Uit New York, hij schijnt er een succesvol leven opgebouwd te hebben. Ik sta stijf van de zenuwen. Hoe lang is dat geleden? Vijfenzeventig jaar? We waren nog kwajongens. We worstelden buiten in het gras als jonge katjes – ik won meestal – zodat onze mama’s diep zuchtten bij de zoveelste vuile broek. We stampten balletjes met de ruimte tussen twee azalea’s als doel, als de bal zoals zo vaak niet belandde in de tuin van weduwe Nüssbaum, die hem pas terugsmeet op voorwaarde dat we haar en haar immer kwetterende parkiet met een bezoekje vereerden.

Het vliegtuig van Franz, een Boeing Dreamliner mailde hij, zou twee uur geleden moeten geland zijn. Dromen heb ik niet meer. Maar ik ben gelukkig dat de kanker me dit nog gunt, ook al heeft hij me in een dodelijke greep. Een paar maand, meer heb ik niet meer volgens de witte jassen. Het laatste moment met Franz kleeft op mijn netvlies. Als in een dramatische filmscène zie ik de Ford nog elke dag om de hoek verdwijnen.

Het heeft lang geduurd voor ik het allemaal begreep. Hoe mama was ingegaan op het idee van Frau Leichter om haar zoon in veiligheid te brengen. En dat simpelweg door te doen alsof ik het was, haar eigen zoon, ook al leken we niet eens zo hard op elkaar. We waren exact even groot toen, dat wel, zodat geen van ons beide een voordeel bij het worstelen had.

Het plannetje lukte. Franz afgezet in Parijs, tussenstop voor Amerika dat hij met de nodige dosis geluk bereikte. Het grote New York, hij alvast in veiligheid. Voor mama liep het mis op het moment dat ze wou terugkeren naar Oostenrijk. Iemand had het plannetje doorzien, iemand had mama verraden. Wellicht die lafaard van drie huizen verder, die steeds vanachter zijn vuile gordijn alles in de gaten hield, hoe heette die ook alweer? Mama kon niet meer terug en vluchtte naar Engeland. Wie weet was ze anders wel zoals Frau Leichter in zo’n kamp beland. Frau Leichter werd gedeporteerd naar Ravensbrück en stierf er in 1942. En ik, ik bleef verweesd achter in Oostenrijk, letterlijk. Tot haar verdwijning nog onder de hoede van Frau Leichter. Wat volgde waren jaren van wanhoop in weeshuizen allerhande. Ik probeerde er het beste van te maken, ik had immers beloofd om flink te zijn tot mama’s terugkeer. Maar elke nacht huilde ik onder de lakens mezelf stilletjes in slaap. Via het Rode Kruis konden we berichtjes uitwisselen, 25 woorden om de 6 maand. Meer kon niet, omwille van de veiligheid werd er verteld. Dat ze van me hield en dat we mekaar zouden terugzien, dat stond er elke keer in. Zo hield ik het vol. Die paar woorden op een verkreukeld vodje papier waren mijn zoete levenslijn.

Toch lukte het pas in 1948 om met mama herenigd te raken. Mijn hart klopte in mijn keel toen de trein puffend St. Pancras station in Londen binnenreed en ik aan het begin van het perron mama spotte. Hoe ze naar me toeliep en ik naar haar. Vlak voor we mekaar troffen stopten we abrupt, keken elkaar een seconde ongelovig aan en gaven ons toen over aan de gulzige omhelzing die ons negen lange jaren lang was ontzegd. We hebben nog gelukkige jaren gekend samen. Maar iets in haar was gebroken, ik kon het niet exact benoemen. Ze was niet meer dezelfde, zou het nooit meer worden. Acht jaar later stierf ze aan een hart dat nooit gelijmd raakte.

Helmut was ik al helemaal uit het oog verloren, ik had geen idee waar hij zich bevond, wat hij uitrichtte. Het is dankzij Anne Mossack, de maatschappelijke werkster die helpt mijn oude zieke knoken nog even aan de gang te houden, dat ik hem terug op het spoor gekomen ben. En nu kan hij hier elk moment binnenvallen. Er stopt een taxi, ik hoor de deur. Hij is het, Franz, hij is het echt. Dit wordt de laatste grote emotie van mijn leven, dat voel ik in elke vezel van mijn aftakelende lijf.

‘Je ziet er goed uit,’ liegt hij. We vallen elkaar in de armen en praten honderduit. Hij lijkt zo veranderd, dat kan niet anders, en toch herken ik nog die guitige sprankel in zijn blik. We halen anekdotes boven uit de oude doos en drinken een Brandy. Toen durfde ik het vragen.

‘Zou je nog één ding voor me kunnen doen, Franz?’

‘Om het even wat ouwe gabber. Ik ben jouw moeder en jou niet alleen diepe erkentelijkheid verschuldigd, maar mijn ganse leven.’

‘Of je ervoor kan zorgen dat mama voor haar heldendaad finaal nog de erkenning zal krijgen die ze verdient. Officieel bedoel ik. Ik ben te oud en te ziek voor die dingen, weet je. Zie het als mijn laatste wens.’

‘Maak je maar geen zorgen, Helmut. Ik zal er alles voor doen. Het komt in orde.’ Hij zegt het met een zelfverzekerde blik in zijn ogen en ik geloof hem. Ik voel een diepe rust over me heen komen. Het is gebeurd, mama, de erkenning voor je heldendaad, voor je zielepijn. Ik kom eraan.

Helmut stierf een week later. Zestig jaar na haar dood zal Maria Turnsek de titel van “Righteous among the Nations” ontvangen, volgende week in Londen. Deze titel wordt uitgereikt door Yad Vashem, het holocaust centrum in Israël, en dit aan niet-Joden die hun leven riskeerden tijdens WOII om Joden te redden uit de klauwen van de Nazi’s. Daarmee neemt Maria Turnsek officieel plaats tussen beroemdheden als Oscar Schindler en Raoul Wallenberg.