Niemand gaat verloren

niemand-gaat-verlorenOp 18 september 2015 wordt Laura twaalf. Ze is een goedlachs, behulpzaam en energiek meisje. De liefde die ze uitstraalt is grenzeloos. Laura is uniek en fijngevoelig, ze heeft antennes waarmee ze feilloos mensen en situaties aanvoelt. Toegewijd helpt ze iedereen waar kan. Op die achttiende september lacht iedereen uitbundig. Het is feest en de eerste stap naar een volwassen leven lonkt veelbelovend. Toch weegt een schaduw op haar jonge leven. Nauwelijks enkele maanden later wordt ze gepest op een manier die haar diep raakt. Zo diep, dat ze begin december besluit uit het leven te stappen. Niet alleen de familie is in shock, de hele gemeenschap van Durbuy is zwaar getroffen door het tragische nieuws. Niemand kan het begrijpen, ook de chauffeur van de schoolbus, die zijn betraande ogen laat glijden over de zitplek die vanaf nu voor altijd leeg zal blijven.

Het gezin zoekt troost bij elkaar, raapt al haar moed samen en besluit er het beste van te maken. Er is geen andere keuze. Ze trekken zich op aan het idee om ook iets positiefs uit het gebeuren te halen. Laura’s moeder is een sterke vrouw. Onvermoeibaar zet ze zich in om maatregelen tegen pesten in een stroomversnelling te krijgen, tot bij de bevoegde parlementen en minister toe. Ze gaat spreken in scholen. ‘Als er ook maar één kind mee kan gered worden, is het al de moeite geweest,’ is ze strijdvaardig en gedecideerd. Wat nog het meeste opvalt, is de golf van liefde die ontstaan is in Durbuy. Het gezin wordt omringd door de warme deken van een gemeenschap die hen koestert. De steun is minstens even groot als het verdriet.

Wanneer ik het trieste verhaal van Laura oppik in de media, ben ook ik geraakt. Mijn moeder is twaalf jaar geleden uit het leven gestapt, een paar maanden voor Laura haar eerste kaarsje uitblies. Ik ben een verhalenschrijver, en die dag gebeurt er iets ongewoons. Zonder een enkele aarzeling vloeit er een delicaat en hoopgevend verhaal uit mijn pen, over Laura. Na de laatste zin is het precies goed. Het is de periode van kerstmis en speelt zich af in die sfeer. Het lijkt alsof Laura tijdens het schrijven aanwezig was, alsof ze me de woorden influisterde. Wanneer ik Een heel klein beetje Jezus op mijn blog zet, raakt het duizenden mensen. Nu, een jaar later, vindt het verhaal nog steeds quasi dagelijks lezers.

Een half jaar later bereikt het verhaal via de sociale media ook Laura’s moeder. Het is voor de familie letterlijk en figuurlijk een geschenk uit de hemel, het brengt nieuwe hoop in moeilijke tijden. We krijgen contact en samen met mijn partner Annick komt het in het najaar van 2016 tot een ontmoeting. Daarvoor rijden we van Leuven naar Durbuy, via Huy aan de boorden van de Maas. In Huy heeft mijn moeder de laatste twintig jaar van haar leven doorgebracht. Ze verbleef in het Tibetaanse instituut, verscholen op de flanken van de Maasvallei. Het is een oase van rust in een pittoreske omgeving. Wanneer we voorbijrijden aan de afslag naar het instituut komen mijn herinneringen bovendrijven aan die fatale dag, toen mijn moeder uit het leven stapte.

31 mei 2004 is een grijze, miezerige dag, die je eerder in de herfst verwacht. Die dag ben ik net als vandaag op weg naar Huy. Het telefoontje dat eraan voorafging was een donderslag bij heldere hemel. ‘We vrezen dat we te laat waren,’ klinkt het. Tijdens het ongemakkelijke telefoontje wordt duidelijk dat moeder er zelf een einde aan gemaakt heeft. Hoe juist is nog niet duidelijk, het waarom misschien wel. Moeder vocht al enkele jaren tegen depressie, afgewisseld met manische periodes. Ze had bijna twintig jaar in de keuken van het instituut gewerkt. Quasi in haar eentje had ze elke dag maaltijden verzorgd, voor de residenten van het instituut en voor haar talrijke bezoekers. Toen haar gezondheid en vooral haar geteisterde rug het niet meer toelieten, voelde ze zich van de ene dag op de andere nutteloos en verloren. Ze vereenzaamde, ook al was ze dagelijks omringd door warme mensen. Het contact met haar familie en ook mezelf verwaterde door de afstand en door haar keuze voor dit speciale leven in het Tibetaanse instituut.

Wanneer we op die laatste meidag de statige kastanjedreef naar het instituut oprijden, kijk ik verdwaasd naar de ritmische beweging van de ruitenwissers. Het regent onophoudelijk. We worden opgewacht door een klein ontvangstcomité op de binnenkoer van het kasteel, ooit nog een bisschoppelijk paleis. Lama Karta, de belangrijkste boeddhistische geestelijke van het instituut, is gekleed in zijn typische, bordeauxkleurige gewaad. Hij klemt zijn handen in een kommetje om mijn rechterhand en herhaalt enkele keren op gedempte toon: “I’m so sorry”. Zijn eeuwig glimlach is ingeruild voor een doffe, neerwaartse blik. In de achtergrond draait een lijkwagen de parking op.

Er komt nog familie toe. We laten ons meevoeren naar moeders studio in een bijgebouw achter het kasteel. Haar lichaam is al weggehaald. De buurvrouw legt schoorvoetend uit wat er is gebeurd. ‘Ik klopte verschillende keren op de deur. Normaal gezien doet ze altijd direct open. Ik vond het raar dat ze niet antwoordde.’ In het badkamertje zien we hoe de metalen baar van het douchegordijn, nochtans stevig ingemetseld, een neerwaartse knik vertoont. In de hoek staat een plastieken tabouretje als een stille getuige. Nergens een afscheidsbrief, we zullen er nooit een vinden. Ik vraag me af of het ontbreken van afscheidswoorden een laatste opgestoken middelvinger naar een lijdend leven is, of dat het haar simpelweg te zwaar viel om ze neer te pennen. Haar vertrek is een verhaalloze exit, stiekem in de eenzame nacht.

Lama Karta dringt aan om in de tempelruimte op het gelijkvloers nog een korte ceremonie te houden, alvorens het lichaam zal weggevoerd worden met de lijkwagen. De ruimte stroomt vol met alle mensen van het instituut. De drie Lama’s zitten in lotushouding verweesd bij het altaar, waar zilveren waterschoteltjes en flakkerende kaarslichtjes inderhaast neergezet zijn. Ik neem voorzichtig plaats ergens in het midden. Vooraan is me te direct, ik heb angst voor wat komen gaat. Dan wordt moeder binnengedragen op een draagberrie. Over haar lichaam is een wit laken gedrapeerd. Grijze maatpakken van de begrafenisonderneming laten de draagberrie voor het altaar voorzichtig zakken naar de grond. Sommigen durven kijken, anderen slaan de ogen neer. De contouren van het geteisterde lichaam maken van het laken een morbide, grillige sculptuur. De ruimte is zo stil, dat het geblader in de gebedenboekjes klinkt als het verkreuken van de tijd. Er volgt een geïmproviseerde gebedsdienst, waarna Lama Karta zich rechtstreeks tot mijn moeder richt, alsof ze er nog is. Dat is ze wellicht ook, of toch haar ziel, die voor de laatste reis allerlei spirituele raadgevingen meekrijgt. Het is het moment om alles toe te passen wat ze geleerd heeft in het Tibetaanse boeddhisme, begrijp ik. Ik begrijp helemaal niets.

Na de gebedsdienst tillen de begrafenisondernemers, al die tijd discreet op de achtergrond gebleven, de draagberrie weer op. Moeder wordt buitengedragen en in de laadruimte van de lijkwagen geschoven. We nemen plaats in onze auto, sluiten aan. Twee uur eerder was er nog geen vuiltje aan de lucht, nu sta ik op het punt om de begrafenis van mijn moeder te bespreken. Wanneer de stoet zich in beweging zet, zie ik in de achteruitkijkspiegel hoe de gemeenschap van het Tibetaanse instituut ons als een verweesd stilleven blijft nakijken, tot we uit het zicht verdwijnen. Tijdens de rit achter de lijkwagen blijft het rode tabouretje voor mijn netvlies dansen. Hoeveel moed is er nodig om je leven zo te beëindigen? Hoeveel wanhoop? Wat zou er in die laatste momenten door haar heengegaan zijn? Had ze dit al langer gepland? Hoe moeten we hiermee omgaan? Zoveel vragen, zo weinig antwoorden.

De herinneringen aan die fatale meidag spoken door mijn hoofd wanneer we Huy voorbijrijden. We zetten koers naar Durbuy, waar het drama met Laura zich nog geen jaar geleden heeft voltrokken. Ik ben verbijsterd dat een meisje van twaalf zich in zo’n wanhoop heeft verloren, dat ze gekozen heeft voor eenzelfde soort verlossing uit dit leven. Laura was niet depressief. Ze was levenslustig en alles wat je van een goedlachse, twaalfjarige meid mag verwachten. Maar twaalf is ook een linke leeftijd, waarbij emoties messcherp kunnen worden ervaren. Zoals een eerste verliefdheid op een jongen. De kans om je eerste hemelse gevoelens te beleven is even groot als de kans om zwaar gekwetst of beschaamd te worden, zeker als je intiemste geheimen dreigen verraden te worden. De impact van pesten onder jonge mensen wordt nog steeds zwaar onderschat. Het geworstel van opgroeiende jongens en meisjes, op zoek naar een identiteit en een plek binnen de sociale groepen waarin ze opgroeien, behoort tot de kwetsbaarste periode uit hun jonge leven.

Wanneer we in Durby de ouders van Laura begroeten zien we twee mensen die ondanks hun grote verdriet moedig blijven. Ze zijn authentiek, kwetsbaar, Ardeens krachtig. Hun wankelen wordt gestut door de nabijheid van de imposante rotspartijen, zo komt het me voor. Ze zoeken naar zingeving voor het grootste verlies dat je als ouder kan meemaken. Wat hen drijft is de hoop dat uit het ergste verlies misschien ook iets goeds kan voortkomen: een nog hechter gezin, een betere bescherming van jongeren tegen pestgedrag, het koesteren van de vele mooie en dankbare herinneringen aan Laura zelf. En last but not least: de golf van solidariteit, empathie en liefde die in Durbuy tot ver daarbuiten is teweeg gebracht. Het is een balsem voor de wonde, voor de ziel.

We praten over signalen. Tekens waarin de aanwezigheid van Laura wordt herkend. Taferelen aan de appelboom, een tekening die plots opduikt, een speciale vogel. Ook tijdens het gesprek voelt Laura’s moeder de aanwezigheid van haar kind. Wanneer ze het rouwprentje met Laura’s foto op tafel legt, voel ik het ook. Ik kijk naar het breed lachende meisje en houd het niet droog. Waarom raakt het me zo?

Na de onfortuinlijke dood van mijn moeder volgt een kleine week later de begrafenis. Ik heb gepast voor een laatste groet in het mortuarium. Moeder is nochtans toonbaar gemaakt, vredig zelfs. Ik heb angst dat het beeld van mijn dode moeder jarenlang op mijn netvlies zal blijven kleven. Daarom ruil ik het liever in voor het beeld van ons laatste afscheid, waarbij ze nog de innemende moederlach lachte. Op de dag van de begrafenis kan ik niet huilen, in tegenstelling tot vele anderen, alsof ik mijn tranen heb uitbesteed aan anderen. Een deel in mij lijkt zelfs blij dat er verlossing voor haar lijden is gekomen. Het is taboe om die gedachte toe te laten, laat staan ze uit te spreken op de koffietafel, waar over alles wordt gesproken behalve moeder, tenzij op samenzweerderige fluistertoon. Zelfs de vrolijke herinneringen blijven op stal. Lama Karta, die in de kerk veel bekijks had met zijn lange, boeddhistische gewaad, weet voor een keer niet goed hoe zijn medeleven in praktijk te brengen. ‘Ze was ten prooi gevallen aan demonen,’ weet hij. Ik moet denken aan de vele schilderingen in het Tibetaanse Instituut, opgetooid met felle kleuren. Een ervan toont de bestaansrijken uit de boeddhistische leefwereld, die bevolkt wordt door verlichte meesters en evenzeer door draken en demonen, en alles daartussenin. Helemaal onderaan heffen kleine gestaltes paniekerig de armen, beschaduwd door drakenkoppen en veelarmige onheilsfiguren. In welk rijk is moeder verzeild geraakt?

‘Bardo,’ zegt de Lama. Moeder zit nu in de fase van het bardo, een tussenstaat tussen twee levens in. Boeddhisten geloven in reïncarnatie. Hun draaiboek vanaf het moment van overlijden tot aan een nieuw leven is indrukwekkend precies. Het Tibetaanse Dodenboek is duizenden jaren oud. De periode tussen het overlijden en ma’s wedergeboorte duurt zeven weken, leer ik. Het komt erop aan om zoveel mogelijk voor haar te mediteren en ceremonies uit te voeren, stelt de Lama, zodat haar volgende incarnatie gunstig wordt beïnvloed. Een van de punten op de reïncarnatie opsmuklijst zijn meditaties op de leegte. Leeg, zo voel ik me al wekenlang. Dat zelfdoding niet helpt om hogerop de ladder naar Verlichting te klimmen, baart de Lama’s immense kopzorgen. Dit hebben ze nog nooit van dichtbij meegemaakt. Ik ook niet.

Ik besef hoezeer onze werelden zijn uiteengelopen, maar ik doe schoorvoetend mee met de rituelen, zij het lang niet elke van de zeven weken. En als het me teveel wordt ga ik naar ma’s studio en blader door haar nota’s van de boeddhistische leringen, die ze jarenlang gevolgd heeft. Het begint met het onderkennen van de oorzaak van het lijden, gaat verder met onthechting, toevlucht zoeken tot de Dharma en allerlei praktijken voor specifieke doeleinden. Ik kijk naar haar ijverige kribbels, haar doorhalingen en opmerkingen in de marge, sluit dan de blauwe map en kijk door het raam naar de tempel, waarop een buizerd nietsvermoedend neerstrijkt. Voor moeder heeft het kennelijk niet gewerkt. Ontbrak het haar simpelweg niet aan liefde? De liefde, die ik haar de laatste twintig jaar maar mondjesmaat gegeven heb, na alles wat er voorheen was gebeurd?

Exact zeven weken na moeders dood zijn er in het Tibetaanse instituut drie dagen lang rituelen voor de doden, met als orgelpunt een grote ceremonie voor mijn moeder. Speciaal voor de gelegenheid is er een indrukwekkende tent opgesteld. Boeddhistische geestelijken zijn uit heel Europa afgezakt en zitten als gedisciplineerde schooljongens naast elkaar opgelijnd in lotushouding, sommige met muziekinstrumenten. Dubbelzijdige trommeltjes worden door aan touwtjes slingerende kogeltjes afwisselend geroffeld. Een breedkakige monnik produceert met een lang, trompetachtig instrument een schelle, doordringende klank, die zich voortplant doorheen de vallei tot aan de boorden van Maas. De lage bassen van de Lama’s kneden de gezangen tot een monotoon, hypnotiserend gedreun. De talrijke aanwezigen zingen naadloos mee, met of zonder boekjes. Moeder was in deze wereld door velen heel geliefd. Iemand wijst me in het zangboekje aan waar we zitten. Ik probeer mee te zingen met de fonetische versie van wat op een sanskrietachtig geschrift lijkt. Een Lama richt zich op en loopt naar een bakje zand, waarin een lolly met schreeuwerige kleuren staat geplant. Het doorschijnend papiertje is er nog omheen gewikkeld. Hij klemt het in zijn hand, gaat ermee op wandel tot achter het altaar, waar hij een zeilflap van de tent openklapt en het snoepgoed gedecideerd naar buiten mikt. Later kom ik te weten dat het een praktijk is om alle negativiteit naar een bepaald voorwerp te dirigeren en het nadien af te voeren, als betrof het radioactief afval. De kansen van ma’s wedergeboorte zijn gevrijwaard door een bereidwillige lekstok.

In de periode na het ritueel zie ik vaak tekens, duikt moeder op in dromen. Wanneer ik met een griepje in de zetel lig, tikt een pimpelmees herhaaldelijk op de ruit boven me. Op het moment dat ik aan ma denk, strijkt een reiger neer in de tuin. Dat heeft nog nooit een reiger geriskeerd: ze moet zich bijna laten vallen om in de tuin te kunnen landen. Ze kijkt me secondenlang aan, staat op een poot te staren. Bij haar vertrek heeft ze alle moeite van de wereld om snelheid bijeen te harken, bij het opstijgen blijft ze bijna met beide poten aan de coniferen haperen. Op een andere keer verschijnt een dubbele regenboog, ook dan denk ik aan haar. In een droom doen we samen de afwas, zoals vroeger toen ik jong was. Zij plonzend in de vaatbak, ik met de handdoek in paraatheid, wachtend om het aangereikte servies te grijpen zonder dat er nattigheid op de grond lekt. Het is alsof ma nog iets goed wil maken, nog troostend wil aanwezig zijn. Een dolende ziel, die het leed van haar nabestaanden wil verzachten. Dat voel ik, dat weet ik, op een manier die nooit iemand zal begrijpen. Daarom praat ik vaak in stilte tegen haar, dat ze verder mag, dat ze voor zichzelf mag zorgen en laten zorgen, door welke lichtwezens dan ook.

In de lente, drie jaar na moeders dood, span ik de Boliviaanse hangmat op tussen twee houten steunpilaren van het terras. Ik hijs me er schrijlings in. Het touw knarst terwijl het zich onder mijn gewicht strak trekt rond de pijlers. Ik zak weg als een baby die weer in de baarmoeder verdwijnt, de rug genoegzaam gekromd in foetushouding. Tussen de spleet van de zich sluitende hangmat drijft gezapig een eenzame stapelwolk voorbij. Ik vraag me af vanwaar ze komt, en waar ze naartoe gaat. In haar reis houdt ze de witte dampen rond zich gekluisterd als een kloekhen, en wanneer ze de volle blauwheid van de meihemel aan me terugschenkt lijkt ze te zeggen: alles gaat voorbij.

Mijn ogen sluiten zich, langzaam, een laatste sparteling en dan het dommelrijk. Uitdeinend gezoem van ijverige bijen. Slaapdronken droomflarden die geheime deuren opentrekken, eerst op een kier, een streep licht waarachter vreemde decors en acteurs zich opdringen, en zelfs de doden terug tot leven komen. Nieuwsgierig tuur ik door de spleet, tot de deur vanzelf openzwaait en er geen weg terug meer is. Het geneurie van een wiegeliedje komt me tegemoet. Ma, ben je daar? Ik zie haar in de verte op een strand. Ze wuift. Ik antwoord met geheven armen, stap instinctmatig op haar af, kom geen meter dichterbij. Moeder lijkt voor me uit te zweven, als een bevallige sirene die dartelt met de wetten van de zwaartekracht .

Wacht! Met elke vezel van mijn lijf ploeg ik door het mulle zand. Het is een ongelijke strijd, moeder dwarst de zeelijn met de sierlijkheid van een gazelle. Op het moment dat het zuigende zand me alle kracht ontneemt, zie ik hoe ze een houten pier betreedt. Met puffende ademstoten ploeg ik haar achterna. Als ik bovenaan de trap uithijg, is ze al een eindje zeewaarts. Ze glijdt over de houten kepers naar de pierkop, waar de branding te pletter stort en hengelaars hopen op een tongschar of makreel. Niemand lijkt haar op te merken, de wandelaars negeren haar of verliezen hun blik aan het einder van de zee. De geluiden zijn verstomd, alsof de golfslag is gestold tegen de staketsels. De balken vibreren onder het gedruis van mijn versnelde pas. Ik kruis twee strompelende oudjes die elkander ondersteunen. Een eindje verder passeer ik een rijzige vrouwengestalte, omhuld met een citroengeel gewaad dat wappert in de wind. Haar blik is verscholen achter een zijden voile. Ze duwt een kinderwagen voort. Met een zijsprong ontwijk ik haar. Ik ontwikkel een laatste looppas, tevergeefs.

Vijftig meter, meer is het niet. Moeder staat op de balustrade tussen de vissers. Een patrones van de zee, zo lijkt het wel. Ik zet een laatste stap vooruit. Ze spreidt haar armen zijwaarts als een reiger, laat haar lijf naar achter vallen en buigt als een riethalm naar de zee. Haar val is een beweging waar geen eind aan lijkt te komen. Ik spurt naar de wering, kijk omlaag. Hoe ze gedragen wordt door de golven, een ballerina die danst over de schuimkoppen, de zee betovert tot haar zwanenmeer. Met een sierlijke vleugelslag als laatste groet draait ze zich om en verdwijnt langzaam in de roze tinten van de horizon. Ik wuif haar uit, ook al ziet ze me niet meer. Wanneer ik terugslenter over de pier, kruis ik weer de mysterieuze dame met de kinderwagen. Ze kijkt me aan en zegt: ‘Ik ben Tara, hoedster van de ongeboren doden.’

Tara is een Tibetaanse moedergodin. Letterlijk betekent Tara redster. Ze komt net op tijd. Of nu Tara of een schare gevleugelde engelen of andere lichtwezens, waarvan we het bestaan nooit kunnen vermoeden, moeder hebben geholpen, weet ik niet. Feit is dat de afwasdroom nog enkele keren terugkeert en ma er elke keer een pak jonger en mooier uitziet, alsof de film van haar leven doorheen de jaren wordt teruggespoeld. Voor mij is het een teken van zielsgenezing, gestaag en nooit zonder liefdevolle begeleiding. In de laatste afwasdroom straalt ze. De gebochelde en getormenteerde oude vrouw is getransformeerd van een lijdend voorwerp in een goedlachse, rimpelloze jonge vrouw. Ik weet: het is volbracht. Ma kan verder naar het Licht, en ooit zien we mekaar weer. In de wereld der zielen is niets voor altijd.

De dromen leren me nog iets anders. Als er een les is die bij zelfdoding door de ziel wil geleerd worden, dan lijkt het de les van zelfliefde. Hou van de ander zoals van jezelf is meer dan een bijbels cliché, het is een heilige opdracht. Ma geloofde dat je oeverloos moest geven aan anderen, alvorens je zelf bestaansrecht kon hebben, je zelf aandacht en liefde mocht ontvangen. Het Tibetaanse instituut trok niet alleen spirituelen en meerwaardezoekers aan als een magneet, ook een treurige stoet van getormenteerde zielen. Na haar lange kookbeurten luisterde ma geduldig naar hun donkere verhalen, zich vereenzelvigend met elk lijden dat haar pad kruiste. ‘Weet je wat die heeft meegemaakt?’ zuchtte ze bewonderend voor elke drager van tragiek. Of ‘Amai, die heeft afgezien!’ Haar eigen rugzak droeg ze in stilte en alleen, tot op het tabouretje. Tot het moment dat haar liefde was opgebruikt, voor anderen en voor zichzelf. Een ultieme revolte voor een leven dat haar niet beloonde.

Bij het opruimen van moeders spullen bots ik op een aantal vinylplaten uit betere tijden. James Last spant de kroon. Van Rusland tot Mexico hoor ik moeder mee neuriën, van schuiftrompet tot andaloesische gitaar. Ik vind ook een paar 45 toeren singletjes, zoals van Séverine uit 1971, met haar liedje waarmee de Franse zangeres dat jaar het Eurovisie songfestival won. Ik zie moeder terug het luik van het oude stereomeubel openklappen en goedgemutst de pick-up naald op het randje mikken, waarna een paar luidsprekerkraakjes de nakende komst van het liedje aankondigen.

On a tous un banc, un arbre ou une rue
Où l’on a bercé nos rêves
On a tous un banc, un arbre ou une rue
Une enfance trop brève

Het liedje gaat over het afsluiten van de kindertijd en het moeilijke proces van opgroeien, van je weg zoeken in de grote wereld. Het is 3 december 2016 en ik denk bij dit liedje aan hoe Laura net een jaar geleden zichzelf en anderen verbijsterde. Uit de verhalen begrijp ik hoe sensitief en liefdevol ze was. Niet elk kind blijft elke dag tegen haar moeder herhalen dat ze de beste mama van de wereld is, Laura wel. Niet elk kind vergeet op de ijspiste het eigen schaatsplezier om de nog wankele beginnertjes te leren schaatsen, Laura wel. Zo’n overvloed aan liefde kan enkel met een wijdopen hart, waardoor het tegelijk heel kwetsbaar wordt en verbijsterd achterblijft wanneer er een figuurlijk mes in wordt geplant.

Laura bezat ook haar geheel eigen vorm van spiritualiteit, die ze in de kerk deed openbloeien. Misschien was ze wel een Indigo of nieuwetijdskind, zullen sommigen beweren, een speciale ziel met een speciale opdracht in dit leven. En toch is er ook die ene ongeschreven opdracht – geldig voor ieder van ons, een opdracht die voor onzekere, opgroeiende jongeren een anker zou kunnen zijn. Ik stel me voor dat Laura, na de dagelijkse ode aan haar ouders, voor de spiegel was gaan staan en met evenveel overtuiging had gezegd: ‘Jij bent het beste meisje van de hele wereld.’ Zou dat geholpen hebben om pesters de baas te kunnen? Misschien, misschien ook niet, en dus willen we graag de jongeren behoeden vanuit een beschermend moederinstinct. Omdat het levens kan redden. Ja, daar denk ik aan, op deze dag.

Ik droom ook dat het onderwijs opgroeiende jongeren, met hun puberale, soms alles overheersende onzekerheden, niet enkel talen, wiskunde of chemie leren, maar dat ze ook lessen krijgen in de persoonlijke ontwikkeling van hun identiteit, in het uiten van hun emoties en hun beslommeringen. ‘Hoe gaat het vandaag? Zit je met iets? Ik zit met iets.’ Een kort rondje om te weten hoe iedereen erbij zit alvorens de lessen te beginnen. Misschien zelfs rollenspellen, groepsdiscussies en overgangsrituelen, zoals in veel culturen werd gedaan, en nog steeds. Niet alleen om de gevolgen van pesten en gepest worden te leren ervaren, ook om hun plek te leren vinden in de klas, in de maatschappij, in de wereld. Om anderen en vooral de zwakkeren te ondersteunen, in plaats van naar beneden te halen. Om kleine en grote conflicten te leren oplossen. Om het hart tot een spier van liefde te leren maken, in een wereld waarin alles steeds maar scherper wordt. Om verbinding altijd te leren verkiezen boven verdeeldheid.

Net als bij mijn moeder stel ik me voor dat Laura na haar afscheid aan deze wereld werd omringd met liefdevolle zorgen van lichtwezens, zoals ik in het verhaal ‘Een heel klein beetje Jezus’ heb naar voor gebracht. Voor mij was dat verhaal geen poging tot literaire troost, maar een hoopgevende realiteit die me werd ingefluisterd. Straks is het weer kerstmis. Dan zal ik denken aan moeder en aan Laura, en aan vele anderen. En in de week na kerstmis zal Studio Brussel weer een nieuwe editie van de Tijdloze 100 op gang trekken, waarin Gorky met Mia onverwijld in de top 10 staan, indien niet numero uno. ‘Sterren komen, sterren gaan,’ zal Luc Devos weer zingen. En met gesloten ogen zal ik luisteren wanneer hij zingt van Mia, die het licht gezien heeft en zegt: ‘Niemand gaat verloren.’

 Hendrik Duron schrijft op zijn unieke manier verhalen en blogs over levensthema’s en actuele onderwerpen. In oktober verscheen zijn eerste roman: De roekeloze redding van de wereld door Jonas Joplin.

De zeldzaamste Pokémon

mysticesoteric_archangel_metratonVoor Marjorie leek het vangen van Pikachu even moeilijk als het opsommen van de momenten waarin ze al gelukkig was. ‘Dit wordt een echt ongelukskind,’ had haar moeder gezucht bij haar geboorte. Een keizersnede had ternauwernood redding gebracht, toen de navelstreng zich als een boa constrictor rond haar nek gewikkeld had. Dat ze het uiteindelijk haalde, was enkel te danken geweest aan haar beschermengel Metatron. De engel was erin geslaagd om voor Marjorie een krediet van drie savers op te bouwen. Een saver was een joker waarmee je op bovennatuurlijke wijze kon ingrijpen, als het leven van je beschermeling op het spel stond. Metatron had niet getwijfeld en bij Marjorie’s geboorte meteen een eerste saver aangesproken. Met zijn onzichtbare vingers, tweemaal zo lang en een stuk verfijnder dan menselijke exemplaren, had hij verhinderd dat de navelstreng zich rond haar nek had aangespannen. Metatron hield van Marjorie.

De tweede saver had Metatron moeten inzetten tijdens een vakantie in Bretagne. Marjorie was intussen opgegroeid tot een zevenjarig, levenslustig huppelmeisje. ‘Jij mag niet meer meespelen,’ hadden de gelegenheidsvriendinnetjes op de camping haar toegeroepen. Ze had de rode, plastieken petanquebal van Lydia door een mislukte worp in de beek doen belanden, waarna hij ongenadig met de stroom was meegevoerd. Huilend was ze weggerend naar de kust. Ze was gestruikeld en was ondanks haar paniekerig grabbelen van een verraderlijke klif gedonderd. Vijf meter lager had ze het uitgeschreeuwd van de pijn. Dat het bij een gebroken arm en een paar kneuzingen was gebleven, vond iedereen miraculeus. ‘Jij moet een goede bewaarengel hebben,’ had ma zelfs gezegd, wat Metatron bijna had doen glimlachen.

De wonderjaren van Marjorie bleven weliswaar gespaard van nieuwe bijna-ongevallen, bepaald gelukkig werd ze niet. Vaak werd er gespot met haar bijzondere naam. Veerle van 3B was de eerste die er Majorette van maakte, gretig overgenomen door de pestkliek onder leiding van Ellen. Toen Marjorie’s boezem zich ontwikkelde tot meer dan gemiddelde proporties, was het Ellen zelf die enthousiast haar nieuwste vondst in de kliek gooide: “Majorette met de dikke tetten,” een bijnaam die haar voor de rest van haar schooltijd zou blijven achtervolgen. Alleen Anne, Marjorie’s beste en enige vriendin, noemde haar liefkozend Rie. Dat was het leven van Marjorie: zwevend in het niemandsland tussen een donkere schaduw, die zich als een olievlek over haar leven uitdeinde, en een zeldzaam streepje licht. “Je wordt een ongelukskind.”

Marjorie voelde zich op haar eenentwintigste eenzamer dan ooit. Ze was verkoopster geworden in een bloemenzaak. Hoezeer ze ook een glimlach toverde bij het overhandigen van rozen, tulpen, aronskelken, hyacinten of orchideeën, zo leeg waren de avonden tussen de vier muren van haar studio. Vrienden had ze nauwelijks. Haar beste vriendin Anne was in een andere stad gaan wonen en liet sinds haar relatie met Joris nog maar mondjesmaat van zich horen.

Het was toen dat Pokémon Go in haar leven kwam. Ze raakte helemaal in de ban van het spel, dweilde Pokéstops af en ving al gauw Charmander, Bulbasaur en Squirtle. Ze liep kilometers om eieren uit te broeden en grossierde in candy voor haar nieuwe, virtuele vrienden. Vaak kwam ze na middernacht thuis, uitgeput, zodat ze onmiddellijk in slaap viel en niet meer hoefde te piekeren over haar ongelukkige leven. Maar zelfs ’s nachts bleef ze niet gespaard. “Dit wordt een ongelukskind,” bleef het in nachtmerries weerklinken, als een kille mantra. Een slagschaduw, die niet alleen over haar wiegje maar ook over de rest van haar leven was geschoven.

Pokémon Go had best een sociale functie, had ze gelezen. Toch maakte Marjorie op Pokéstops maar moeilijk contact met medespelers. Ze durfde niet, omdat ze het gevoel had te klungelen en zich onmiddellijk klein en onbetekenend voelde, wanneer anderen pochten na het vangen van een meer gereputeerde of zeldzame Pokémon. Op een avond bepaalde ze een nieuwe strategie om erbij te kunnen horen. Ze zou eerst buiten het zicht van andere medespelers proberen om interessantere Pokémon te vangen en, wanneer dat niet lukte, op zijn minst haar huidige Pokémon laten evolueren tot betere versies, ook al moest ze daar ettelijke kilometers voor afmalen. Zo gebeurde het dat ze op een avond voor de eerste maal Pikachu spotte. Haar hart bonkte in haar keel, toen ze hem op het display van haar smartphone zag opduiken. Daar zat hij, schuin aan de overkant van de Vaartstraat. Ontegensprekelijk Pikachu. Door het lawaai in de straat – uit een openstaand venster weerklonk Deep Purple – had Marjorie de BMX X5 niet horen aankomen. Ze dwarste zonder kijken de weg, haar blik hypnotisch gericht op Pikachu.

De derde en laatste saver van Metatron zou een Sprong worden. De Sprong was het laatste middel van beschermengelen om een fataal ongeval te voorkomen. Alleen de engelen met het nodige krediet beschikten erover. Savers werden verdiend door de mate van toewijding en liefde, waarmee ze hun beschermelingen in het verleden hadden omringd. Het was niet onopgemerkt voorbijgegaan dat Metatron zich altijd van zijn nobele taak had gekweten met tomeloze inzet en onvoorwaardelijke liefde. Mettertijd had hem dat drie savers opgeleverd. Geen ervan had hij bij de vorige beschermelingen hoeven te gebruiken. Dat hij zijn laatste saver nu al voor Marjorie diende op te souperen, stemde hem weliswaar droef, maar zijn grote liefde voor haar deed hem geen fractie van een seconde twijfelen.

Een tijdssprong, die onder beschermengelen kortweg bekend stond als “De Sprong”, bestond erin dat de tijd voor de beschermeling eventjes werd stilgezet, terwijl ze voor de rest van de wereld bleef lopen. Dat was maar moeilijk te begrijpen voor stervelingen. Meestal merkten ze het niet eens op. Ook Marjorie keek hooguit geschrokken en vreemd op, toen de X5 vlak voor haar neus voorbijreed, terwijl ze zelf tijdens het lopen een moment ter plaatse leek te trappelen. Even was ze in de war, haalde toen haar schouders op en liep verder de straat over. Ze ving Pikachu nog makkelijker dan ze had gedacht.

Marjorie genoot van dit moment. Stiekem droomde ze ervan level 5 te bereiken. Dan kon ze naar een Pokémon Gym, zich aansluiten bij een team. Het Mystic team genoot veruit haar voorkeur. Een poster van hun blauwe mascotte Articuno hing al twee weken boven haar bed. Ze was voldaan en wilde naar huis toe gaan – het was al na elven, toen op het display van haar smartphone een nieuwe Pokémon zich in de onmiddellijke buurt manifesteerde. Deze kende ze niet. Ze keek op het lijstje dat ze altijd bij zich had. Hij stond er niet tussen. Nieuwe opwinding maakte zich van haar meester. Was ze op een mythische Pokémon gestoten, een die nog voor niemand bekend was en voor de eerste maal werd geïntroduceerd, hier en nu? Marjorie voelde het bloed in haar aders kloppen.

Het besluit van Metatron om zich te tonen als een Pokémon was impulsief. Nu zijn laatste saver was opgebruikt, voelde hij zich ontredderd. Hij besefte dat beschermengel zijn meer inhield dan het voorkomen van ongelukken. Dat was hem recent nog duidelijk geworden door het weliswaar goedbedoelde grapje van een collega bewaarengel, die hem had geplaagd met het nabootsen van iemand die kromgebogen staarde naar een speeltje in een vooruitgestoken handpalm. ‘Pokémon rijmt bovendien op Metatron,’ had hij er nog met een schalkse glimlach aan toegevoegd.

Metatron zag hoe Marjorie vanonder de stenen rondboog kwam aangerend, in de binnentuin van de voormalige abdij. Ze keek verbaasd op het display, keek zijn richting uit en probeerde hem onmiddellijk te vangen, net zoals bij Pikachu. Het lukte niet, hoe hard ze ook probeerde. ‘Logisch,’ dacht ze hardop. ‘Ik heb veel te weinig punten om zo’n zeldzame Pokémon te vangen.’ Het was toen pas dat ze besefte dat de bloedmooie, vreemdsoortige Pokémon niet alleen op haar smartphone te zien was, maar ook in het echt, op een zitbank onder de laurierboom. ‘Kom dichter,’ hoorde ze, ook al leek er niemand hardop te spreken. Ze twijfelde een paar seconden en dacht dat ze het zich ingebeeld had, deed toen toch een paar stappen in de richting van de zitbank.

‘Kom dichter.’ Dit keer was ze zeker. Vanwaar kwam die stem? Was ze gek aan het worden? Ze naderde tot op drie meter van de bank en vergaapte zich aan de verschijning, even blauwig als Articuno van het Mystic team.

‘Ik ben een Pokémon uit het mystieke,’ glimlachte Metatron.

‘Yes, het is me gelukt! Mystic team, here I come,’ juichte Marjorie.

‘Ik heb een boodschap voor je.’

‘Wat je maar wil.’ Het was nu al het gelukkigste moment uit Marjorie’s leven.

‘Ik wil je er attent op maken dat je mooi bent.’

‘Dankjewel.’

‘Ik bedoel: echt mooi. Mooi in je hart.’ Marjorie werd stil. Ze bloosde.

‘Jij bent geen ongelukskind.’ Nu schrok ze, voelde vervolgens tranen opkomen. ‘Jij bent een goddelijk kind. Je hoeft geen punten te verzamelen om ergens bij te kunnen horen. Je hoeft niet te presteren om liefde te ontvangen. Elk kind is geboren met unieke talenten. Jouw liefde stroomt via je vingers in ravissante bloemboeketjes. Je geeft mensen meer dan bloemen, je geeft hen liefde. Evenzeer heb je het recht om liefde te ontvangen. Je moet je enkel openstellen, omdat je het waard bent. Omdat je daarvoor niets hoeft te bewijzen.’ Op het ruisen van bladeren na, was het muisstil in de abdijtuin. De blauwe verschijning van Metatron lichtte traag en ritmisch op, een bijzonder schouwspel. Marjorie greep naar haar zakdoek.

‘Dat je jezelf niet graag gezien hebt, komt enkel omdat je het oordeel van anderen hebt overgenomen. Neem die oordelen nu in je hand en gooi ze in het vuilbakje naast de zitbank. Ik zorg er wel voor dat ze opgehaald en vernietigd worden.’ Marjorie was in de war.

‘Hoe kan ik nu…?’

‘Laat dat maar aan mij over. Beeld je gewoon in dat je alle pesttirades, elk woord dat jou ooit naar beneden heeft gehaald, tot een prop papier kan samenballen in je hand. Doe het nu gewoon.’ Marjorie kneedde een denkbeeldige prop stevig in haar hand en hief hem als een basketbal in de lucht. Metatron knikte goedkeurend. Ze mikte de prop precies in het midden van het vuilnisbakje. Het maakte even een sissend geluid en leek toen uiteen te vallen in lichtgevende sterretjes, alsbij  een vuurwerkstokje op een verjaardagsfeestje. Marjorie lachte door haar tranen heen.

‘Zie je wel,’ lachte Metatron terug. ‘Laat niemand je ooit nog minder dan mooi noemen. Laat niemand ooit nog een rem op je wervelende wezen zetten. Laat niemand ooit nog een schaduw over je liefde werpen. Hou van jezelf zoals ik hou van jou. Omarm jezelf en de wereld, die jij elk moment een stukje mooier maakt, gewoon omdat je bent wie je bent: een goddelijke vrouw.’ De tranen stroomden over Marjorie’s wangen. Zoveel geluk was moeilijk te bevatten. Ze voelde zich niet alleen lichter, het was alsof haar hart zozeer expandeerde, dat het de grenzen van haar lichaam ver overschreed.

Vanonder de stenen boog, die toegang tot de abdijtuin gaf, kwam een groepje van een twintigtal Pokémon Go spelers aangelopen, van tieners tot kwieke zestigers.

‘Daar zit ie! What the fuck is dit?’ Ze staarden allemaal met grote ogen naar het display op hun smartphone.

‘Wow, dit moet de zeldzaamste Pokémon zijn die ik ooit gezien heb,’ riep een ongeschoren veertiger in een leren vestje uit. Op een jongen na stormden ze allemaal in de richting van de zitbank, zonder acht te slaan op Marjorie. Ze nog steeds drie meter voor de bank met gesloten ogen in een soort van trance. Haar ganse wezen gloeide, niet in staat om te reageren op de aanstormende meute. Nauwelijks twintig meter van de bank hielden ze plots allemaal in, stopten zelfs.

‘Waar is hij nu? Zie jij hem nog?’ Hoezeer ze ook rondkeken met hun smartphone, zoals wichelroedelopers die zoeken naar een waterader of een zoekgeraakt object, er was geen spoor meer van de zeldzaamste Pokémon. De Pokémonjagers dropen teleurgesteld af en verdwenen door de poort. Enkel de jongen, die was blijven staan, veroerde niet. Hij keek gebiologeerd naar Marjorie en stapte langzaam naar haar toe. Ze opende haar ogen en zag de jongen, twintig en een beetje, op haar afkomen.

‘Alles oké met je?’ vroeg hij.

‘Nooit beter geweest,’ glimlachte ze, terwijl ze de gummiring uit haar ponytail haalde en haar lange haren koninklijk in haar nek liet vallen.

‘Ik ben David. Aangenaam,’ reikte hij haar de hand, die stevig en warm aanvoelde.

‘Marjorie. Je mag ook Rie zeggen.’

Sherpa

IMG_4826Sofie had geen flauw benul dat de herdershond haar leven voorgoed zou veranderen. De beslissing om hem te volgen was gevaarlijk, net zoals het verraderlijke pad, dat steeds hoger de heilige berg opkronkelde.

‘Zijn naam is Sherpa. Hij kent de weg,’ had een oud vrouwtje haar niet onvriendelijk toegeroepen. De vrouw had haar grijze, klitterige lokken opzij gestreken en met haar stramme hand een paar voorwaartse hakbewegingen gemaakt. Sofie wilde haar nog extra uitleg vragen, maar toen ze zich omdraaide was de vrouw al verdwenen in haar krakkemikkige huisje tegen de helling, boven het terras van een schrale moestuin. Vanaf nu wachtten Sofie enkel nog beboste flanken, onregelmatige rotspartijen en een pad dat slag om slinger van richting veranderde. Niets zou haar kunnen afbrengen van haar streven om de berg te bedwingen, net zoals ze met de grinta van een toreador in het farmawereldje was opgeklommen van een huppelkont van marketing assistente tot General Sales Manager voor Asia Pacific. Dat het rendez-vous met de heer Sakumori in laatste instantie was geannuleerd – zijn vrouw was onwel geworden, had haar onverwacht een vrije dag bezorgd, en een nieuwe uitdaging.

Sherpa draaide af en toe zijn glimmende hondenogen om naar Sofie, om zich ervan te vergewissen dat ze nog volgde. Af en toe hield de hond halt, zodat ze de tijd kreeg om hem bij te benen, zoals bij een imposante rotspartij halverwege de beklimming, vanwaar het zicht over de vallei adembenemend was. Sofie was aanvankelijk geschrokken, toen de herdershond bij de aanvang van de klim plots en mysterieus was opgedaagd. Hij had een lichtbruine, glanzende vacht en een zwarte snuit, die de minste geur leek op te vangen. Zijn oren waren deels opgericht, deels afhangend, alsof hij zo sneller meende te kunnen omschakelen van een relaxte gemoedstoestand naar een staat van verhoogde alertheid, mocht dat nodig zijn. Blaffen deed hij niet, zelfs niet toen een lynx vanachter een rots was opgedoken en hen beurtelings met indringende blik had aangestaard. Sherpa was pal blijven staan en had de lynx secondenlang recht in de ogen gekeken, tot het roofdier onverrichterzake was afgedropen. Sofie was bang geweest, maar was evenzeer in haar nopjes. Met de handigheid die haar eigen was had ze snel een selfie kunnen nemen, met de lynx duidelijk zichtbaar op de achtergrond. Dat zou klikvoer worden op sociale media, en ook in het bedrijf zou ze er ongetwijfeld mee scoren.

Voorbij een nauwe doorgang, tussen twee huizenhoge rotsblokken door, sloeg Sherpa rechtsaf. Het pad klom niet langer, evolueerde eerder lateraal over de bergflank. Ze waren nog een heel eind van de top verwijderd. Sofie aarzelde. Ze keek hunkerend omhoog naar de berg, die door een tikje sneeuw glinsterde in de zon. Ze droomde van een ultieme selfie op die magische plek. Ze zou eerst haar golvende, halfblonde haren kammen, haar make-up nog even bijwerken. Dan zou ze trachten de hond naast haar te laten poseren. Of misschien ook niet, wat er nog een stuk heroïscher zou uitzien. Zij, Sofie Fleerackers, General Sales Manager van Asia Pacific, die helemaal op haar eentje de heilige berg had beklommen. Ook op haar Japanse zakenpartners zou dit indruk maken en een goede deal beslist vergemakkelijken.

Sofie keek naar Sherpa. De hond wachtte geduldig tot ze hem op het zijpad zou volgen. Misschien is het slechts een stukje, bedacht ze zich, en zal de klim nadien hervatten, zelfs een stuk makkelijker zijn. Ze zette zich terug in beweging. Sherpa kwispelde en hernam zijn gezapige hondentred, zich schijnbaar vergenoegend in zijn gidsentaak. Twintig minuten lang liep Sofie over de flank zo achter Sherpa aan, zonder nog een meter te stijgen. Ze werd ongeduldig, bestudeerde of ze niet op eigen houtje ergens een opwaarts pad zou kunnen nemen. Ze waren een kruising gepasseerd, waarbij die mogelijkheid zich had aangediend. Nog vijf minuten, hield ze zich voor, en dan zou ze naar die plek terugkeren, tenzij Sherpa haar alsnog de berg zou opleiden. Maar de hond had iets anders in gedachten.

Net op het einde van de vijf minuten – Sofie had het minutieus getimed – bleef Sherpa staan voor de ingang van een grot. Hij keek haar uitnodigend aan en drentelde de grot binnen. Dit was allerminst was ze in gedachten had. Tegelijk was Sofie gefascineerd over wat ze er zou ontdekken. Misschien was het een geheime doorgang of zou ze op iets kostbaars stuiten. Sofie betrad de grot. Het was er kil en onaangenaam. Hier en daar vielen waterdruppels met een resonerend plofje in een diepe plas. Het kon Sherpa niet deren. Onverstoorbaar leidde hij haar verder de grot in. Zijn gehijg was duidelijk hoorbaar. Het werd wel erg duister en het was niets te laat toen Sofie een duidelijke lichtstreep in de grot zag binnenvallen, een twintigtal meter voor haar uit. Dat was precies waar de hond Sofie naartoe bracht. Het leek een plek die ooit bewoond was. Tegen de grotwanden werden door de lichtinval afgebladderde schilderingen zichtbaar van natuurtaferelen, vooral van wilde dieren en vogels. Centraal in de ruimte, precies op de plek waar het licht zich een weg naar binnen baande, stond een laag stenen altaar. Sherpa was voor het eerst sinds het begin van de wandeling gaan zitten, pal achter het altaar. Zijn oren waren gespitst, zijn blik verwachtingsvol op haar gericht. Sofie’s aandacht werd getrokken naar een grote kei in het midden van het altaar. Die lag bovenop een briefje. Geen oud perkament, maar een vers stukje papier dat van een blocnote leek gescheurd. Sofie hief de kei op, nam het briefje en las de zin, die er met een bevende hand op geschreven leek. Haar mond viel helemaal open, ze liet het briefje uit haar handen vallen. Ze raapte het terug op en las het opnieuw. Ja, het stond er werkelijk: “Je mag de controle meer loslaten, Sofie.”

Hoe kon dit? Was dit een slechte grap van collega’s, die achter haar rug sowieso roddelden over haar perfectionisme – “Sofietje precies” noemden ze haar soms. Of zaten haar Japanse contacten hierachter? Het moest van iemand komen die haar kende, dat leed niet de minste twijfel. Het handschrift kwam haar allerminst bekend voor. Ze kende niemand die zo beverig schreef. Ze besloot om het briefje mee te nemen voor verder onderzoek en rende de grot uit. Ze moest zich herpakken, geen aandacht schenken aan deze wansmakelijke grap en alsnog de berg bedwingen. Dat was haar oorspronkelijke plan en niets zou haar van dat voornemen kunnen afbrengen. Maar toen Sherpa uit de grot tevoorschijn kwam, draafde hij in de richting vanwaar ze gekomen waren. Op geen enkel moment gaf hij de indruk Sofie alsnog hoger te willen leiden. Alsof de grot de eindbestemming was. ‘Rothond,’ riep ze hem toe. Sofie besefte dat ze het zonder Sherpa niet zou redden. De weg naar boven niet, en ook niet naar het dal. Ze had geen keuze. Tegen heug en meug daalde ze met Sherpa het kronkelende pad af. Dit zou nog een staartje krijgen.

Na een halfuur kwamen ze weer voorbij het huisje van de oude vrouw. Zij was het, die haar had aangezet om dat beest te volgen. Ze klopte met haar vingerknokkels verschillende keren op de krakende, houten deur. De vrouw kwam op haar pantoffels aangeschuifeld. Daar stond ze dan, met haar gelaat vol diepe groeven en een kamerbrede glimlach. Ze mompelde iets in het Japans en stak om onduidelijke redenen haar duim op.

‘Speak English?’ probeerde Sofie. Ze knikte overtuigend neen en prevelde nog een andere zin in het Japans, zonder de glimlach een moment van haar mond te laten wijken.

‘Is this your dog?’ Nog meer Japans. Hier zou Sofie niet wijzer uit worden. Ze nam met ophalende schouders afscheid. Ze zocht de hond. Sherpa was verdwenen, even plots als hij in haar leven was gekomen.

In het dal stevende Sofie recht op de eerste herberg af. Ze had veel te weinig water meegenomen voor de beklimming, een fout die ze nooit een tweede keer zou maken. Er zaten maar weinig gasten. Aan de toog zette een rugzaktoerist een flesje Asahi pils tegen zijn lippen.

‘Where are you from?’ vroeg hij, terwijl Sofie twee limonades tegelijk bestelde.

‘The Netherlands,’ antwoordde ze zakelijk, niet in de stemming om een gesprekje te beginnen.

‘Ik kom uit de Jordaan,’ lachte de niet onknappe man. Veertig en een beetje, schatte ze hem. Sofie keek hem voor het eerst aan, verrast om een landgenoot te treffen.

‘Echt? Mijn ma heeft daar haar jeugd gesleten,’ deed ze een poging tot sociaal. De ober zette een eerste limonade op de toog, die ze meteen half opdronk. ‘Hoe heet je?’

‘Frits is de naam. Ik heb alles verkocht om een wereldreis te kunnen maken. Ik zat in Finance. Niet zonder succes overigens, al zeg ik het zelf. Tot ik me afvroeg: is dit het nu?’

‘En: is dit het nu?’ Sofie zei het met een zweem van ironie.

‘Nu leef ik pas echt,’ lachte Frits zijn kaken breed. Hij wreef over zijn ruwe baardstoppels. ‘Morgen ga ik de berg op.’

‘Kom ik net van. Niets speciaals,’ zuchtte Sofie. Ze leegde haar eerste glas en nam meteen het tweede ter hand, zonder ervan te drinken.

‘En toch wil ik het zien,’ plantte Frits zijn pilsje op de toog. Het gesprekje draaide al gauw op niets uit. Er was geen vibe, zoals Sofie vaak zelf de term hanteerde om aan te geven of een deal zou doorgaan of niet. Haar smartphone piepte. Ongevraagd kreeg ze nog een extra vrije dag voorgeschoteld: de vrouw van Sakumori was gehospitaliseerd, een kleine beroerte. In haar hoofd nam een nieuw plan bliksemsnel vorm.

’s Anderendaags was Sofie al voor zonsopgang op pad. De eerste stralen vielen pas op haar gelaat bij de aanvang van de beklimming. Ze zette er flink de pas in en op ongeveer dezelfde plek, een paar honderd meter voor het huisje van de oude vrouw, verscheen Sherpa terug op het toneel.

‘Ik heb je niet meer nodig, ik ken de weg nu,’ snauwde ze hem toe. Toch liep hij nog een heel eind voor haar uit, zoals de eerste maal. Hij wachtte haar op bij een kruising en maakte, nadat hij haar in de juiste richting had geloodst en ze hem nog een laatste keer had bedacht met “stomme rothond”, nog eerder onverwacht rechtsomkeer. Sofie snelde over het laterale pad in de richting van de grot, zonder een blik te werpen over het landschap, dat er door de lichtinval zo mogelijk nog majestueuzer uitzag dan een dag eerder. In de grot heerste dezelfde contrasterende koelte. Sofie voelde het niet. Het enige wat haar interesseerde was het lage altaar waarop een nieuw briefje lag, onder dezelfde steen. Ze griste het vanonder de kei en las met verbazing: “Je mag wat meer vertrouwen hebben in de waarheid, Sofie.” Weer in vlekkeloos Nederlands, weer met haar naam onder.

Zat Frits hier voor iets tussen? Was de rugzaktoerist, die ze in de herberg had leren kennen, een zieke geest met een slecht gevoel voor humor? Deel twee van haar plan had als doel deze wansmakelijke grap te ontmaskeren. Ze nam het nieuwe briefje mee en posteerde zich achter een rots voor de ingang van de grot en wachtte af wat er zou gebeuren. Een uur ging voorbij, en dan nog een. Sofie tokkelde wat op haar Smartphone. Er was geen bereik. Stomme heilige berg. Stomme grot. Stomme alles.

Net op het moment dat ze zich afvroeg waar ze mee bezig was en het ganse gebeuren wou laten voor wat het was, hoorde ze voetstappen. Vanuit haar schuilplek zag ze een in lompen gehulde oude man de grot binnengaan. Hij hijgde als een rund en mompelde in zichzelf. Twee minuten later kwam hij al terug buiten. Sofie aarzelde. Ze had niets meer te verliezen.

‘Hallo,’ riep ze als een onbeholpen meisje. De ietwat gebochelde man schrok en draaide zich om. ‘Wat bent u daar gaan doen?’ vroeg ze in het Engels. De man trok diepe groeven in zijn gebruinde gelaat. Zijn Engels was moeilijk verstaanbaar, maar dat het haar zaken niet waren had ze wel begrepen.

‘No, no, not you,’ had de man tevergeefs Sofie proberen tegen te houden. Ze trok het papiertje met een ruk vanonder de gepolijste kei. Dit is toch niet te geloven, dacht ze. Ze klemde het briefje terug onder de steen en snelde naar de ingang van de grot. De man stond er nog.

‘Jij legt die briefjes dus,’ probeerde ze vriendelijk te blijven. ‘Vanwaar haal je die in godsnaam? Schrijf je ze zelf? En hoe ken je mijn naam?’

‘Ga even zitten,’ zei de man, die zich voorstelde als Nobu. ‘Op deze berg, in deze grot, woonde lang geleden een wijze kluizenaar. Jarenlang mediteerde hij op niet veel meer dan water en brood. Van heinde en verre kwamen mensen hem om raad vragen. Hij bad voor goede oogsten. In het bijzonder bad hij dat mensen hun leven zouden benutten voor spirituele groei, en zich niet enkel zouden kapotwerken op de theeplantages. Zijn naam was Nobu, net als ik. Dat betekent waarheid, en dat was precies wat hij mensen voorschotelde, zodat hun levenspad meer glans kreeg. Meer… zin.’

‘En die briefjes dan?’ werd Sofie ongeduldig.

‘De geest van Nobu is nog steeds aanwezig op de berg. Hij stuurt de hond Sherpa naar ieder wie de berg beklimt en leidt ze naar zijn grot.’

‘Ja, ja, dat heb ik wel gemerkt. De briefjes, dat wil ik weten.’

‘Die dicteert hij aan mijn vrouw. Letter per letter, dikwijls in talen die wij niet begrijpen. Ik ga ze dan in de grot leggen. Heel frustrerend, maar we vereren en dienen de Grote Nobu. Om eerlijk te zijn, niet altijd met evenveel plezier, alsof ik niets anders te doen heb. Vroeger kwam hier één iemand per maand, dan één per week en kijk, alleen vandaag al zijn het er twee. Ik ben ook niet meer van de jongste, ik kan dit niet blijven doen.’

‘Ja, dat begrijp ik,’ reageerde Sofie, enigszins begripvoller. Nu ze het mysterie had ontrafeld, was ze tot bedaren gekomen. Ze was best blij dat het zaakje had opgelost. Niets ergerde haar meer dan iets waar ze geen vat op kreeg. Ze nam afscheid van de man en draafde de berg af. Bij de aanvang van de beklimming kwam ze Frits tegen, in gezelschap van Sherpa. Hij was rood aangelopen van het klimmen.

‘Jij hier?’ keek Frits haar verwonderd aan.

‘Ik was iets verloren. Hier ergens dacht ik. Niets bijzonders. En jij, aan het klimmen?’

‘Yep, ik ga ervoor. Deze hond loopt nu al een tijdje voor me uit,’ lachte hij kuiltjes in zijn wangen. ‘Misschien moet ik hem maar volgen.’

‘Hoe bijzonder,’ antwoordde Sofie met gespeeld enthousiasme. Ze kende de voor hem bestemde boodschap al: “Beste Frits, meet je succes af aan wat je hebt moeten loslaten om het te bereiken.” Daar zou hij beslist mee uitpakken, mocht ze hem later tegenkomen in de herberg. Dat risico wilde ze niet lopen. Ze zou nog een nacht in hetzelfde pension logeren en dan zo snel mogelijk haar biezen nemen, recht naar haar Amsterdamse loft.

‘s Nachts werd ze wakker. De briefjes spookten door haar hoofd. Minder controle? Wat was er mis met controle? Dat bracht je ergens in je leven. Ze was fier op wat ze bereikt had, zonder dingen te hoeven loslaten. Meer vertrouwen hebben in de waarheid? Poeh, ze had vertrouwen in zichzelf. Ik, Sofie, ben een zelfbewuste vrouw, zei ze als een mantra tegen zichzelf, even overtuigend als bij de empowerment workshops die ze gaf aan haar stafleden. Ze sliep terug in.

Het was aan de ontbijttafel, dat de twijfel had toegeslagen. Sofie stond al op het punt om een taxi te bestellen, maar iets weerhield haar. Een ontembare nieuwsgierigheid, of was het een drang naar overwinning? Ze stelde de taxi uit tot na de middag, zodat ze nog een laatste keer naar de grot kon gaan. Nu onmiddellijk. Zou die kluizenaarsgeest zo snel kunnen anticiperen op haar plotselinge besluit, laat staan dat het oude koppel het nog voor elkaar zou krijgen op die korte tijdspanne een briefje te schrijven en in de grot te deponeren? Dat wou ze nog wel eens zien.

De passen van Sofie leken op olympisch snelwandelen. Aan het huisje van het oude koppel was de vrouw druk bezig in de moestuin. Van haar man geen spoor. Ze zou hem beslist inhalen als ze dat strakke tempo bleef volhouden. Sofie versnelde nog haar pas, ook al joeg ze daarmee haar hartslag flink de hoogte in. Sherpa was eerst nergens te bespeuren en daagde dan alsnog op, schijnbaar vanuit het niets. Sofie joeg de hond voor zich uit en herhaalde een paar keer dat ze hem niet meer nodig had. Sherpa dacht er duidelijk anders over. Hij leidde haar op een kruising een pad op, anders dan bij de voorgaande keren. Hij zag dat Sofie aarzelde. ‘Het is die richting op, domkop,’ snauwde ze hem toe. Sherpa versaagde niet. Voor de eerste maal sinds Sofie met de hond kennis had gemaakt, blafte hij. ‘Nou, je bent fout hoor,’ zei ze, en ze liep onverstoorbaar verder rechtdoor, achterom kijkend of de hond op zijn besluit zou terugkeren. Het was tijdens dat maneuver dat Sofie haar evenwicht verloor.

De helling naast het pad was steil en vol steengruis. Sofie probeerde haar val te breken, haar ledematen naar alle kanten tegelijk uitstrekkend. Ze bleef naar beneden glijden, steeds sneller, recht op een beekje af. De klap was ongemeen hard. Ze stond vol blauwe plekken, overal deed het pijn. Van haar ellenboog sijpelde een straaltje bloed. Idem dito op haar linkerknie. De scherpe pijn in haar schouderblad was nog het ergste. Boven aan de helling stond Sherpa als een Napoleon het slagveld te overschouwen. Hij blafte een paar keren. Sofie probeerde recht te krabbelen. Hoe was dit kunnen gebeuren? Het was de schuld van die stomme hond. Ze wilde naar hem toe klimmen, hem een lesje leren, maar ze zag al snel het onmogelijke daarvan in. Toen pas viel haar blik erop. Onder een dikke kei, vlakbij de plek waar ze pijnlijk tot stilstand was gekomen, zat een briefje geklemd. Terwijl Sherpa nu zelf van de helling naar haar toe kwam, meer glijdend dan lopend, rukte ze het vanonder de steen: “Beste Sofie, als je een levensles moeilijk geleerd krijgt, helpt het universum graag een handje.” Ze vloekte, frommelde het briefje bijeen en mikte het in de beek, waar het wegdreef met de stroming. Met haar zakdoek depte ze het bloed. Ze wilde een trap uitdelen aan Sherpa, maar alleen al de intentie tot die beweging veroorzaakte nog meer pijn. Over haar wangen gleden tranen. Sherpa liep voor haar uit langs de bedding van de beek, stroomafwaarts in de richting van het dal. Ze had geen andere keuze dan hem te volgen. Elke stap deed pijn. Ze droogde haar tranen. Honderd meter verder kruiste de beek een pad, precies op de plek waar Nobu een handvol bosbessen aan het verorberen was.

‘Wat is er gebeurd?’ vroeg hij bezorgd.

‘Als die mooie geest van je verteld heeft dat ik een doodsmak zou maken, waarom heb je dat dan verdomme niet belet?’ Sofie snoof een wolk boosheid door haar neusgaten.

‘Dat wist ik helemaal niet. Alleen dat ik het briefje daar moest leggen. Ik was ook verbaasd, geloof me. Eerlijk gezegd, ik was al blij dat ik deze keer niet tot aan de grot moest.’ Nobu nodigde haar uit bij hem thuis, zodat zijn vrouw haar wonden kon verzorgen. Meer uit noodzaak dan uit plezier ging Sofie op zijn voorstel in. De oude vrouw legde twee verbanden aan, een voor haar ellenboog en een voor haar knie. Ze bood een kopje thee aan. Sofie bedaarde en sloot de ogen. Ze vroeg zich af waarom het universum geen lessen kon verzorgen zonder bloed, zweet en tranen. Ze dronk van haar kopje. Voor haar ogen rolde haar leven in een film voorbij. Wat probeerde ze te bewijzen? Waarom had ze nooit tijd gehad voor een relatie, hooguit occasionele flirts? Waarom had ze haar jeugdvriend Joost Westgeest ooit afgewezen, toen hij haar met sexy verlegenheid een onhandige, maar allercharmantste aanzoek had gedaan? Wat hadden haar verkoopcijfers, dikwijls bedrijfsrecords, haar opgebracht, behalve een tijdelijk moment van glorie tijdens de jaarlijkse awards? Waarom belde ze nooit naar haar moeder, zelfs niet nadat haar vader twee jaar geleden was gestorven aan leverkanker? Hoe gek kon ze geweest zijn, om zelfs tijdens haar vakanties aan het zwembad door haar vloedgolf aan mails te blijven zwemmen? Waarom werd de oorverdovende stilte in haar loft enkel doorbroken door de ringtunes van haar smartphone? Hoe kwam het dat ze meer dan duizend facebook vrienden had, maar er quasi geen enkele echt van kende? Als haar zorgvuldig opgebouwde netwerk stilviel, viel ook haar leven stil. Was dit het nu?

Nadat ze nog een stukje kersentaart gegeten had, nam ze afscheid. Hartelijk, deze keer. Ze omhelsde de vrouw langdurig, daarna ook de man. Buiten liep Sherpa nog een paar tientallen meter met haar mee, trippelde toen naar haar toe en bood haar een poot aan. Ze probeerde een high five met hem uit en aaide bij het afscheid nog een laatste maal over zijn bol. In het dal botste ze op Frits.

‘Je raadt nooit wat ik op de berg heb meegemaakt,’ begroette hij haar.

‘Kan ik met je mee op wereldreis?’

 

Het klaproos eskader

IMG_4791De schemering liet op zich wachten, maar toen ze kwam duwde ze de zon in geen tijd kopje onder, zoals kwajongens in het zwembad een nietsvermoedend slachtoffer te grazen nemen. De Bierbeekpleindreef oogde griezelig verlaten en de stilte van het aanpalende Heverleebos werd enkel doorbroken door een ritmisch, metalen knakgeluid. Het was afkomstig van de pedaalslag van Antony’s BMX fiets, een zwarte Mongoose met een coole, rode strip op de banden. Hij had geen idee dat die knak op het punt stond zijn leven te veranderen.

Antony had bij pa aangedrongen op een onmiddellijk herstel. ‘Het zit ‘m in de trapas,’ dacht pa. ‘Hij moet dus naar Willy.’ Net nu kleefde er op het etalageraam van “Willy’s bikes” een A4 met de boodschap dat hij twee weken in vakantie was. Er zat dus niets anders op dan geduld te oefenen. Willy was nu eenmaal een kennis die altijd een vriendenprijsje maakte, ook al wuifde ma de kortingen voor de vorm altijd eerst weg. Antony’s maats van de Vier Musketiers, zoals hij en zijn 3 BMX vrienden hun stuntclubje hadden gedoopt, hadden hem eerst nog uitgelachen met de pedaalknak. Twaalfjarigen jenden elkaar nu eenmaal graag, maar het lachen was snel omgeslagen in gapende monden, toen Antony als eerste van de Musketiers in een lip trick was geslaagd. Hij had in het skatepark een langere en snellere aanloop genomen dan gewoonlijk en was resoluut tegen de kwartpijp omhoog gepeddeld, tot hij haast verticaal in de lucht had gebalanceerd. Tijdens de korte zweefvlucht was hij behendig een kwartslag gedraaid en met zijn achterwiel precies op de betonnen rand geland, zodat hij zich, zonder een voet aan grond te zetten, had kunnen draaien en weer triomfantelijk naar beneden was gesjeesd. ‘Heb je me zien airen?’ had hij gesnoefd. ‘En nu gijlie!’

Aan dat moment van glorie moest Antony denken toen hij de kruising van de dreef met de Kerspelstraat naderde. Hij moest haast maken. Pa zou hem beslist een standje geven wanneer hij niet voor donker thuis was. De grootste kick was het moment geweest dat hij airborn was, ook al duurde dat hooguit een seconde. Antony dwarste het kruispunt en draaide zijn hoofd naar rechts, dwangmatig zelfs, in de richting van de 977 graven van Heverlee War Cemetery. Ze leken op grote, massieve dominostenen, met Engelse discipline keurig geschikt in statige rijen. Door het opkomende maanlicht zagen ze er nog witter uit dan ze al waren. Hier lagen de helden van het luchtruim. Hij had het verleden jaar gegoogeld op zijn iPad: hier rusten piloten en bemanningen van de R.A.F. hun eeuwige rust, de helden die tijdens de tweede wereldoorlog stoer bommen waren gaan droppen boven Nazi Duitsland. Eensklaps voelde hij zich beschaamd dat zijn vlucht van een seconde sowieso iets had voorgesteld. Van sommigen had hij opgezocht hoe ze aan hun einde waren gekomen. Veelal waren ze boven Belgisch grondgebied door Duitse jachtvliegtuigen neergehaald en hadden ze na de oorlog hier hun definitieve rustplaats gekregen. Op Heverlee War Cemetery lagen ook een paar soldaten uit WOI. Zij leken er niet echt bij te horen en waren al zeker geen piloten: ze waren er bijgelegd bij gebrek aan een beter alternatief.

Het soldatenkerkhof had de vorm van een omgekeerde trechter, zodat je de indruk kreeg dat indien je de eerste steen kon omduwen, alle andere snel zouden volgen, alsof de bewoners in hun gesneuvelde lot een geheime, onbreekbare band met elkaar hadden gesmeed. Antony liet zijn blik zwerven over het zwijgende marmerveld, terwijl een bosuil oehoeënd het meesterschap over de nakende nacht opeiste. Hij vond het best akelig, verhoogde zelfs even het ritme van de pedaalknak. Maar de begraafplaats had ook iets aantrekkelijk, als de lokroep van een deur die in een donkere ruimte snerpend open scharniert en een geheimzinnige streep licht laat naar binnen vallen. Dat licht, onheilspellend en onweerstaanbaar, openbaarde zich als een soort bliksembol boven een grafsteen rechts achteraan, waar de trechter bijna zijn volle spanwijdte bereikte. Antony kneep zijn remmen dicht en bleef gefascineerd staren. Niet omdat hij het wilde. Omdat iets in hem dwong om ernaar te kijken. Het overstemde zelfs zijn reflex om met volle gewicht de trappers aan te duwen en zich uit de voeten te maken en. De metalen tik zou de geesten zeker verjagen, als die er waren. Geesten moesten er zijn, daar bij het licht, dat boven het graf voortdurend van vorm en helderheid veranderde en Antony hypnotiseerde. Hij sprong van de fiets en dropte de BMX tegen de haag van het kerkhof.

Niet zonder moeite lichtte Antony het hengsel van het metalen toegangshekje. Hij betrad de centrale laan, zonder de lichtbol een seconde uit het oog te verliezen. Hij bleef een moment staan om te zien wat er zou gebeuren, of het licht hem tegemoet zou komen. Maar het bleef waar het was, alsof het zich niets aantrok van zijn aanwezigheid. In plaats van te stappen over het keurig gemaaide gras van de centrale laan, recht naar het metershoge Cross of Sacrifice zoals de meeste bezoekers deden, bukte hij zich en glipte kriskras tussen de grafstenen door, van rij naar rij, in de richting van het geheimzinnige licht. Ter hoogte van rij J van blok 2 kwam hij even op adem en verschanste zich achter de grafsteen van Flight Lieutenant Angus Dalrymple. Antony voelde zijn halsslagader kloppen. Hij aarzelde. Als er nog een geschikt moment was om op zijn stappen terug te keren, een moment om het voorval simpelweg te vergeten en thuis gewoon een spelletje iFighter 2 op zijn iPad te spelen alsof er niets gebeurd was, dan was het dit wel. Antony schatte dat hij nog een vijftal rijen verwijderd was, niet meer dan dat. Het graf met het licht bevond zich in blok 4, dat was nu duidelijk. Met half dichtgeknepen oogleden tuurde hij boven Dalrymple’s steen en ontwaarde zo meer details van het mysterieuze, witgele licht. Bij momenten neigde het naar een blauwig groen, wat hem deed denken aan een uitzending op Discovery Channel over noorderlicht: even aantrekkelijk, even ondoorgrondelijk.

Antony zoog een diepe ademteug naar binnen en glipte zonder nadenken naar de volgende rij. En dan nog een, en nog een, tot hij slechts een enkele rij van rij 4E verwijderd was. Zijn hartslag ging nu snel de hoogte in, zoals bij het optrekken met zijn BMX voor een spurtje onder de Vier Musketiers. Lateraal aan rij 4E sloop hij verder, nog steeds gebukt, tot hij het graf met de lichtbol van dichtbij in de gaten kreeg, en het licht hem. Het was het graf van sergeant Arthur Aylard, omgekomen met zijn volledige bemanning na een raid op Keulen. Ze hadden in de logge Lancaster geen schijn van kans gehad tegenover Hauptman Werner Baake, die met zijn nachtjager, een Heinkel 219 Uhu, om 0h59 een fataal salvo had afgevuurd op de Engelse bommenwerper.

‘Je hoeft geen angst te hebben, boy,’ klonk een stem vanop dezelfde plek als waar de lichtbol zich bevond. Nou, dat had hij wel, angst, en nog geen klein beetje. ‘Kom maar dichterbij, er zal je niets gebeuren. De naam is Arthur trouwens. Sergeant Arthur Aylard van Squadron 12, piloot van een Lancaster, gestationeerd te Wickenby.’ Antony verstopte zich achter de steen van James Smith van Squadron 166, nauwelijks een paar meter verwijderd van sergeant Aylard.

‘Ik heb je wel gezien. Als je niet durft dichterbij te komen, dan kan ik je ook niet de Lancaster tonen.’ Antony verroerde geen vin. ‘Of de Spitfire. Of de…’ Hoe kan hij nu vliegtuigen tonen, vroeg hij zich af. Hoe kan hij om het even wat tonen, zichzelf? Hij keek vanachter zijn schuiloord naar het licht boven het graf van sergeant Aylard. Het veranderde nog steeds van vorm en kleur, met dat verschil dat er af en toe flarden te zien waren van een onduidelijk gelaat. Hij zag een leren helm en een grote stofbril, die hem aan zijn snorkelmasker deed denken. Ter hoogte van de oren zaten uitstulpingen, een ingebouwde hoofdtelefoon. Dat viel hem op, samen met de vage contouren van een lachgrijns, plagerig maar niet onvriendelijk.

‘Jij bent dood,’ riep Antony.

‘Dood? Ja, ik was neergeschoten. Ja, ze hebben me hier begraven. En nu heb ik een andere taak.’

‘Dat kan niet.’ Antony sprong tevoorschijn en ging pal voor het licht staan. Zijn angst was omgeslagen in woede: ‘Doden hebben geen taak! Ze moeten blijven liggen waar ze liggen. Ze mogen geen kik meer geven.’ In het wazige gelaat van sergeant Aylard won de glimlach aan breedte.

‘Is dat zo, boy? Dan ben je hier wel aan het verkeerde adres.’ Er weerklonk een harde vingerknip, die zelfs de nachtuil opschrikte. Wat toen gebeurde deed Antony’s ogen uitpuilen en zijn kortgeknipte haartjes ten hemel rijzen. Het volledige kerkhof veranderde op een seconde tijd in een zee van licht. Het was alsof door de vingerknip boven elk graf een lampion ontstoken was, opgehangen aan onzichtbare touwtjes.

‘Welkom bij het Klaproos eskader,’ declameerde Arthur theatraal. ‘We’re the Poppy Squad, isn’t it lads?’ De introductie werd hier en daar beantwoord met ‘Yeah’, ‘Cheers’ en ‘Party time!’ En ook met ‘Welcome, boy.’ Antony wilde andermaal wegrennen, maar hij was zo verbijsterd dat hij even onbeweeglijk bleef staan als de 977 grafstenen.

‘Klaproos eskader? Wat is dit? Wie de fuck zijn jullie?’ stamelde hij stoer.

‘Je taaltje maakt je geschikt voor de dienst,’ lachte Arthur, wat door nog meer yeah’s van zijn kameraden werd bekrachtigd. ‘Zoals je weet zijn wij tijdens WOII de moffen gaan bombarderen.’

‘Cool,’ zei Antony, nog steeds niet helemaal op zijn gemak. ‘Jullie hebben ons bevrijd. Jullie zijn helden. Mijn helden,’ benadrukte hij, in een poging het Klaproos eskader gunstig te stemmen.

‘Dat was helemaal niet zo cool. Bommen gooien is niet cool. Zal ik je wat vertellen? Tijdens onze fatale nacht hadden wij eerst nog een lading bommen op Keulen gedropt, door de bewolking meer op goed geluk dan met kundige precisie. Wist je dat Keulen de eerste stad in de geschiedenis was met de twijfelachtige eer om door meer dan duizend vliegtuigen op een nacht gebombardeerd te worden. Op anderhalf uur. Dat gebeurde op 31 mei 1942.’

‘Meer dan duizend? Dat is awesome,’ zei Antony, met hetzelfde buzzwoord waarmee de Vier Musketiers elkaar feliciteerden bij een geslaagde stunt.

‘Awesome? Dertienduizend huizen werden vernietigd. Boooemm. En wat dacht je van negen hospitalen, zeventien kerken en zestien scholen: allemaal met de grond gelijk. Eén enkel militair doel werd er geraakt. Meer dan 400 burgers vonden de dood, 5000 andere raakten gewond. Awesome?’ Antony zweeg.

‘Wij hadden geen idee, en als we dat al hadden, verdrongen we het. Wij openden het bommenluik voor de goede zaak, en dat was het op de knieën krijgen van Duitsland, van de Nazi’s. Daarom dropten we tijdens de nacht van 16 juni 1943 nog eens een nieuwe lading: nog eens 400 huizen plat, 150 burgerdoden erbij. En toen werden wij zelf ook neergeschoten, door die dekselse Duitse aas Werner Baake.’ Antony wist niet wat hij daarop kon zeggen, als hij dat al had gewild.

‘Weet je wat het is met dood zijn?’ ging Arthur verder op zijn elan. ‘Als je dood bent, zie je plots alles in een ander perspectief. Dat is de verdienste van je ziel. Wist ik veel. Nadat we neergestort waren kwam ik al snel de ziel van een Duitse jongen tegen. Twaalf jaar was hij, geloof ik, net als jij. Hij was gedood door een van onze bommen, terwijl zijn moeder en zijn zusje van zes levend verbrandden in hun huis en hij in paniek op zijn fiets wegvluchtte. Ver is hij niet geraakt. Er zat al meer dan een jaar een knak in de trapas – zijn pa, nochtans een mekanieker, zat al twee jaar aan het front. Zijn trappers blokkeerden op het moment dat hij de bom naar beneden hoorde suizen. Daarom, toen jij eraan kwam met je BMX, dacht ik even dat hij het was.’ Antony stelde zich de Duitse jongen voor, even hard trappend als hij tegen de Musketiers. Hij voor een mini-Mars, de jongen voor zijn leven.

‘Hoe heette die jongen?’ vroeg Antony.

‘Max. Max Schneider. Ik ken ze allemaal bij naam, de slachtoffers van onze bommen. Toen we zelf dood waren hebben we ze allemaal ontmoet, van de eerste tot de laatste. Allemaal hebben we hebben hun pijn gevoeld. “Waarom?” vroegen ze ons. “Waarom?” zuchtte ik. “Omdat jullie de vijand waren, omdat …” We kwamen er al snel achter wat bommen werkelijk aanrichten, zowel met het lichaam als de ziel. En dat was niet fraai, om een understatement te gebruiken.’

‘Ja, maar had Duitsland anders de oorlog niet gewonnen?’

‘Niemand wint met wapens. In een oorlog zijn er alleen maar verliezers, boy. Neem het van mij aan. In de grond zijn we allemaal gelijk, wij mensen. We willen allemaal liefde, respect, vreugde, vrede, medeleven, verdraagzaamheid, en vooral: broederschap. Kijk mekaar een minuut in de ogen en je komt achter deze universele waarheid. Maar met je bommen zo hoog in de lucht… Ho maar, no way.’

‘Zo simpel is het toch niet, Arthur? Tegenwoordig hebben we hier een oorlog in Syrië. Het is daar zo ingewikkeld dat ik er niks van snap, alleen dat het er wemelt van de slechteriken.’ Antony voelde zich groeien, dra zou hij een echte man worden.

‘Je bent aardig bij de pinken, boy. Syrië, dat is exact waar wij op het punt staan van naartoe te trekken. Nog deze nacht.’ Arthur wierp een lichtstreep in zuidelijke richting.

‘Hoe bedoel je? Jullie kunnen toch geen bommen meer gooien? Jullie moeten hier blijven, netjes onder jullie steen. Jullie zijn dood.’

‘Hij heeft het nog niet door, guys,’ grapte Arthur. ‘Dit hier is mijn bemanning van weleer overigens: Joseph, Thomas, Maurice, Henry, John en Rex.’

‘Nice to meet you, boy,’ antwoordden ze haast unisono.

‘Overal waar er bommen vallen gaan wij de zielen van onschuldige slachtoffers opvangen, met alle zorgen en liefde die we in huis hebben. Dat is de nobele missie die we het Klaproos eskader aangemeten hebben.’

‘Het Klaproos eskader?’

‘Het idee kwam van Thomas Burgess, een van onze veteranen van WOI. Hij kan het beter zelf uitleggen.’ De lampionnen van zielslicht, die eerst nog boven de graven hadden gezweefd, waren rond Antony komen samendrummen. Een ervan kwam uit de kring naar voren. Het bleek Thomas.

‘Ik zal het je uitleggen, boy. Luister maar niet teveel naar die mietjes van WOII.’ Er steeg gemompel op onder de zielen, hier en daar een monkellachje. ‘Jarenlang in die smerige loopgraven zitten, dat was pas een vuile oorlog. Wat rondbrommen met die zeepkisten, dat had mijn grootmoeder ook gekund.’ Antony vreesde even dat hier hommeles van ging komen, maar dat gebeurde niet. Iedereen lachte, alsof het stand up comedy betrof.

‘Nu even serieus. Toen wij in dat slijk ploeterden en we de tel van de lijken waren kwijtgeraakt, was er nog één iets dat ons overeind hield in jullie verdomde Flanders fields. En dat waren de klaprozen. Soms rees er voor ons een enkele bloem uit de modder op, ergens in het midden van het niemandsland. Dan vochten we met elkaar om de verrekijker. Iedereen wilde een glimp van deze rode fata morgana opvangen, even rood als de hartjes die onze vriendinnen onderaan hun liefdesbrieven tekenden. We laafden ons aan de schoonheid van de klaproos, probeerden vanop afstand haar bedwelmend parfum te ruiken. Het was beter dan seks.’

‘Hou je wat in, Thomas. De jongen is nog maar twaalf.’ Arthur wenkte zijn maats.

‘Jij bent erover begonnen.’

‘Genoeg,’ zei Arthur. ‘We hebben werk te doen. Laat het eerste vliegtuig komen!’ De zielen ruimden plaats. Op de centrale laan, schijnbaar uit het niets, kwam een luchtschip tevoorschijn, al even lichtgevend dan de zielen zelf.

‘We hebben onze oude Lancasters omgebouwd voor zielstransport. We noemen ze nu Poppy Express. Naar het embleem van ons eskader, de klaproos. Zal ik je een rondleiding geven?’ Antony keek gefascineerd naar het gigantische vehikel. Rond de toegangsdeuren en elk raampje was een snoer van kerstlampjes aangebracht. De vleugels glansden een zacht, okergelig licht en waren opgebouwd uit duizenden zachte veren, zodat het vliegtuig leek op een gigantische adelaar. Op het staartroer was een klaproos geschilderd. Arthur wenkte Antony naar binnen. Omdat er onder het vliegtuig geen wielen leken te zitten kon hij simpelweg binnenstappen zonder trap.

‘Dit hier is de soul class,’ legde Arthur uit. ‘Hier vangen we de meeste slachtoffers op. Het is belangrijk dat een ziel, die door een bom is vrijgemaakt, niet begint rond te dolen. Daarom rukt de bemanning na elke bominslag meteen uit om de zielen te begeleiden naar een Poppy Express. Hier worden meteen de eerste zorgen toegediend. Bij dood door een bom is de ziel heel erg gedesoriënteerd en onthutst. Soms beseft ze nog niet eens dat dit leven werkelijk gedaan is.’

‘Wat doen jullie dan?’ vroeg Antony.

‘In het ergste geval, wanneer ze willen terugkeren omdat hun geliefden achtergebleven zijn, brengen we ze onder in de angel class. We mogen altijd een aantal engelen onder onze bemanning verwelkomen. Zij stralen zoveel licht en liefde uit dat het moeilijk is om niet door hen getroost te worden. Onmogelijk eigenlijk. Kijk daar maar eens.’ Arthur wees in de richting van het sterrenbeeld Orion. Een twintigtal engelen kwam in een lange sliert aangevlogen en nam sjofel plaats aan boord. Ze leken zich niet te storen aan Antony’s aanwezigheid, glimlachten zelfs vriendelijk naar hem, op een manier die zijn hart deed smelten. Angst had hij al lang niet meer. Eigenlijk wilde hij best wel eens zo’n vluchtje meemaken.

‘Jij kan helaas niet mee,’ leek Arthur zijn gedachten gelezen te hebben.

‘Waarom niet?’

‘Jij behoort nog tot de levenden. Jij hebt je taak hier. Wij vliegen met de zielen naar de Grote Lichtpoort en zetten ze daar af. Dat is een plek waar jij nog niet behoort te komen.’

‘Ik wil ook piloot worden.’

‘Zorg er dan voor dat je je vliegkunsten inzet voor het goede doel. Ga voeding en hulpgoederen droppen bij mensen die het nodig hebben. Repatrieer gewonden met een hospitaalvliegtuig. Breng medicatie naar afgelegen gebieden.’

‘Yes, captain.’ Antony was in de wolken. Hij wilde nog meer zien.

‘We moeten stilaan afscheid nemen, boy. Er is een groot bombardement op til in Aleppo, dat betekent weer heel wat onschuldige slachtoffers. We kunnen ons niet permitteren om te laat te komen.’ Antony voelde zich ontgoocheld, hij had nog meer willen zien. Dit was de plek waar hij zich thuis voelde, tussen de piloten zoals hij er later een wilde worden. Arthur begeleidde Antony uit het vliegtuig en nam afscheid.

‘Je weet wat je te doen staat, boy,’ sprak hij Antony vaderlijk toe. Uit de lichtbol stulpte een arm en een hand tevoorschijn voor een high five. Antony hief op zijn beurt zijn hand in de lucht. Toen hun handen elkaar raakten volgde er geen fysieke klap, eerder een subtiele en aangename tinteling, die Antony als awesome zou omschrijven. Arthur keerde terug naar de Poppy Express en ging aan boord, met de zielen van zijn vroegere bemanning in zijn kielzog. Er volgden nog andere zielen, met elk hun specialisatie, gaande van sterrennavigatie tot geavanceerde zielenzorg. Het vliegtuig steeg niet op zoals Antony verwachtte. Geen zware, ronkende motoren, al had hij dat dolgraag eens gehoord. Ook geen langzaam optrekken om na een paar honderd meter moeizaam van de grond los te komen. De Poppy Express bewoog simpelweg een paar meter naar voor en steeg toen simpelweg verticaal omhoog, waarna het met fenomenale snelheid uit het gezichtsveld verdween. Awesome, dacht Antony. Misschien is dat wel wat mensen UFO’s noemen.

Het ritueel herhaalde zich nog een aantal keer. In totaal stegen er exact zeven Poppy Expressen op. Dat had Antony geteld. Toen het laatste vliegtuig, als je het wonderlijke luchtschip zo kon noemen, met dezelfde schicht uit het zicht verdwenen was, waren alle vreemde lichten boven het kerkhof eensklaps verdwenen. De schemering zou weldra door de nacht worden opgeslokt. Antony besefte dat hij maar beter met zijn BMX een spurtje huiswaarts kon trekken. Een standje was sowieso onafwendbaar.

‘Ha, daar ben je eindelijk,’ zei ma, meer opgelucht dan kwaad, toen hij eindelijk op kousenvoeten binnensloop.

‘Ben je niet boos dan, ma?’

‘Waarom zou ik? Het is flink dat je Maarten naar huis hebt geholpen met zijn pijnlijke knie. Jullie moeten maar eens wat beter uitkijken met die stunts in dat skatepark. Ik hoop dat jij zo geen gevaarlijke toeren met je BMX uithaalt. Je ziet wat er van komt.’ Antony was verbaasd, maar zei niets. Hij kon niet herinneren dat Maarten, een van de Vier Musketiers, was gevallen, of het moest gebeurd zijn na zijn vertrek van de oefenpiste, laat staan dat hij Maarten naar huis geholpen had.

‘Die pa van Maarten heeft wel een sterk Engels accent, wist jij dat?’ Wat Antony wist was dat de papa van Maarten helemaal geen Engels accent had. Hij glimlachte, beseffend wat er aan de hand was.

‘Zijn pa is van Engelse afkomst,’ kon Antony een luide kinderlach nog net onderdrukken. ‘En ma, ik ga later vliegen bij Piloten zonder Grenzen.’

‘Kijk eens aan. Eerst wou je Tom Boonen worden, daarna Justin Timberlake, F16-piloot en je laatste, geloof ik, was Eden Hazard. Of was het wereldkampioen BMX?’

‘Neen ma, Piloten zonder Grenzen zal het worden. Humanitaire vluchten.’ Antony’s smartphone produceerde de tune van een binnengelopen berichtje: “Aangekomen in Aleppo, klaar voor onze opdracht. We zijn fier op je, buddy. Je gaat het later fantastisch doen. Vanaf nu noemen we je niet langer boy. In jou is vandaag een man met een missie opgestaan, gedreven door de goddelijke verlangens van de ziel. Awesome!”

Geen kinderen, toch gelukkig

empty-cribHebben vrouwen of mannen zonder kinderen wel eens een issue met zingeving? Het is een vraag die me als kinderloze vijftiger de laatste tijd bezig houdt. Als je om allerlei redenen de tram gemist hebt, of bewust hebt laten voorbijrijden, hoe kijk je dan tegen je leven aan? Blijft er een knagend, onderhuids gemis, of opent een nieuwsoortige vrijheid een vat aan opwindende mogelijkheden?

Het lijkt de natuurlijke gang van zaken, zelfs een heilige levenscyclus. Iedereen begint het leven als zoon of dochter van, groeit op naar een volwassen man of vrouw. Je wordt twintiger of thirty something en botst op de dag dat kinderen aan de innerlijke bel trekken, vanuit een eigen wens of een onuitgesproken, maatschappelijke druk. Voor sommigen wordt het plaatje vroeger of later vreugdevol ingevuld. Na x aantal jaren volgt veelal hetzelfde statement: “Het kan bij momenten behoorlijk lastig zijn, maar ik zou het voor geen geld ter wereld willen gemist hebben.” Als bewijs daarvan regent het op facebook schattige en liefdevolle kinderfoto’s. Guitige, met choco besmeurde monden, kaarsjes uitblazende ukken, gegrimeerde tijgers of Disney prinsessen, volgeschreven gipsverbanden wegens te wild geweest, wederzijdse en trotse liefdesverklaringen: het passeert aan sneltempo de revue en scoort altijd als gretig klikvoer. Je kan het ze niet kwalijk nemen. Het oogt als een immense bron van vreugde en wat is er leuker dan je vreugde delen met de wereld? Dus like ik vrolijk mee, ook al voel ik er net dat tikkeltje minder enthousiasme over dan alle fiere kinderbezitters. Wegens niet ervaringsdeskundig.

Ook al heb ik er nooit echt mee gezeten, ik betrap mezelf erop dat ik af en toe melancholisch zit te kijken naar vaders, wanneer ze stoer flaneren door de stad met hun dochtertje of zoontje aan hun hand, of op hun schouders. Dat ik wel eens weemoedig ben als ik ze een grapje hoor vertellen waar kindlief heel hard om moet lachen, of achter hun joelende kroost zie aanhollen bij een spelletje pak-me-als-je-kan. Heb ik iets gemist, gaat er een paar seconden door me heen. Heb ik het gemist? Ga ik op hoge leeftijd eenzaam eindigen als quasi anonieme suikernonkel, zo eentje die de laatste adem uiteraard niet toegewenst wordt, maar ook niet al te diep berouwd?

Ik vind contact met kinderen alleszins zeer voedend, en die zeldzame keren dat ik er op een of ander feestje contact mee heb, leef ik me uit. Ik spring mee trampoline, laat me gewillig beschilderen of sloof me uit in te doen alsof ik niet zie waar ze zich verstopt hebben. Het gaat als vanzelf. Ik neem de sprankel in me op en keer ’s avonds huiswaarts met een verjongde geest. Het brengt me tot het inzicht dat kinderen je voortdurend herinneren aan hoe je zelf was, nog steeds kan zijn. Dan bedoel ik niet de spelletjes. Eerder hun openheid, onbevangenheid en authenticiteit. Hun straling en onvoorwaardelijke liefde. Het doet het wij-zij verhaal vervagen tussen wij, die geen kinderen hebben, en de gelukkige andere wel.

Je hoeft geen kinderen te hebben om die kwaliteiten bij jezelf te koesteren of, indien nodig, te herstellen. Net zoals kinderen met liefde op de wereld gezet worden, zo drong het tot me door dat ik andere dingen in de wereld kan brengen met evenveel liefde. Iets moois bijdragen aan de wereld en de mensheid, hoe klein en onbetekenend ook, kan een even grote bron van vreugde zijn, indien niet groter. Omdat je ontdaan bent van de begrijpelijke, doch individualistische reflex om de hoofdmoot van je liefde te richten op het gelukkig maken van je eigen kinderen. Je denkt meer na over de wereld, en wat je ervoor kan betekenen, te beginnen met je directe omgeving. Zo zie ik kinderloze vrouwen en mannen zich ontpoppen tot de wonderlijkste therapeuten of andersoortige inspirators. Tot creatieve duizendpoten of tot verspreiders van positieve vibes. En ik, ik schrijf. Natuurlijk is niet iedereen een doe-beest, sommigen hebben genoeg aan simpelweg te zijn. Ze stralen innerlijk, dat is voor hen genoeg. Wanneer ze een ruimte binnenkomen voel je je door hen opgetild alvorens ze een woord gesproken hebben, zonder dat je weet waarom. Zij zijn de meest onderschatte van allemaal. Net zoals mensen die bewust ervoor gekozen hebben om geen kinderen te hebben, om op hun manier de wereld te kunnen dienen, vaak buiten de schijnwerpers. Kleine helden, die zelden applaus oogsten.

Toch blijft de kinderwens een aantal vrouwen en mannen achtervolgen. Omdat ze voelen dat ze dit echt in hun leven moesten doen. Niet vanuit een diep gemis, hooguit af en toe, maar als hun unieke bijdrage aan de wereld. Ze gaan over tot adoptie en, wanneer dat niet lukt, doen ze aan kinderopvang, zetten zich in voor S.O.S. kinderdorpen of sponseren kinderen wereldwijd. Een bevriend koppel, dat om medische redenen geen kinderen kon hebben, en voor wie adoptie ook niet best wou lukken, heeft besloten om te fungeren als pleegouders. Dat betekent dat ze worden ingeschakeld voor tijdelijke opvang van kinderen uit probleemsituaties, om ze na verloop van tijd, en na een liefdesshot vol goede zorgen, weer te moeten laten gaan. Liefde was nooit onvoorwaardelijker.

Mensen met en mensen zonder kinderen hoeven niet per se tegenover elkaar te staan als twee verschillende rassen. Ze vullen elkaar perfect aan. Toch is het vanzelfsprekender om respect op te brengen voor zij die kinderen grootbrengen, dan voor zij die de wereld op andere manieren proberen te dienen. “Een kind kost een huis,” hoor ik wel eens. De impliciete gedachte dat je zonder kinderen wel veel meer tijd en geld moet hebben klinkt, indien niet beschuldigend, op zijn minst soms een tikkeltje jaloers. De niet geheel onterechte hamvraag is wat je met die kostbare extra resources aanvangt. Een paar maand geleden zag ik ze nog zitten, de overwinteraars aan de Costa del Sol, op dijkterrasjes nippend aan een glas rosé, zwijgend naast elkaar, wegens niets meer te vertellen. Het leek alsof ze het stralen aan de zon uitbesteed hadden. Niet dat deze mensen noodzakelijkerwijs geen kinderen hebben, het gaat om het idee van zielloos wachten op een einde, enkel getroost door comfort food en holistische massages van stram geworden lijf en leden. Dat kan je zomaar overkomen, met of zonder kinderen. Tenzij je de sprankel van het innerlijke kind hebt weten te behouden.

Punt is: als je als kinderloze vrouw of man je extra tijd en geld inzet op een zielsproject, kan het even vervullend zijn als het hebben van een kind. Dat project is jouw kind, en het is waard om er evenveel van te houden en er het gros van je aandacht aan te besteden. Het is jouw unieke bijdrage aan de wereld. Het is jouw heilig pad. Het is jouw geluk.

Leve de kinderen.

Leve de mensen met kinderen.

Leve de mensen zonder kinderen.

Leve het kind in jezelf.

 

Waarom we op scherp staan

LidewijWe staan op scherp. Allemaal. We houden er verschillende mechanismes op na, om de stroom aan griezelige nieuwstijdingen het hoofd te bieden. Sommigen worden depri, anderen pisnijdig of kopschuw. De meesten proberen te doen alsof het allemaal wel zal meevallen, we best gewoon voortdoen zoals we bezig waren. Het leven gaat nu eenmaal niet op pauzeknop. Toch voelt iedereen de achtergrondruis stelselmatig aanzwellen. Zoals staccato roffels in een thriller de aankondiging zijn van iets onheilspellend, zonder dat we weten wat er gaat komen. Dat gevoel.

We staan scherp, wegens bedreigd. Door grijnzende jihadisten, blaffende wereldleiders, besparingsrondes die facturen aanvetten en personeelsbestanden decimeren, door een trop-is-teveel aan vluchtelingen, door dreigende klimaatcalamiteiten, wollige Islambaarden en verkeersagressieve ochtendspitsen. Ook al vinden we onszelf een warmhartig persoon, toch neemt ons wantrouwen toe en onze tolerantie af, en in de slipstream van de angst en de onzekerheid ook ons mededogen. “Dit ben ik niet,” vertellen we onszelf.

We staan scherp, maar wat kunnen we eraan doen? Bij alles wat we zeggen of ondernemen, kunnen we ons de vraag stellen: “Creëren we hiermee verbinding, of afscheiding?” Verbinding voelt intuïtief altijd beter, omdat het de essentie dat alle mensen in wezen gelijk zijn, benadrukt. Omdat de angst smelt als sneeuw voor de zon, wanneer we weten dat we er niet alleen voor staan. In ons persoonlijke leven, en in confrontatie met alle moeilijke wereldproblemen. Veiligheid had nooit een makkelijker serum.

Creëert geen verbinding: een Duitse komiek die het gemunt heeft op de geslachtsorganen van een Turkse politicus, of diezelfde politicus die bevolkingsgroepen monddood maakt onder het mom van. Verbinding vermoeden we ook niet in een afgeborstelde, grofgebekte presidentskandidaat die “greedy” wil worden voor Amerika, in een intellectueel met een salonfähig wij-zij discours over het Westen en de Islam, of het in ijltempo optrekken van muren en prikkeldraad tegen zij die een beter leven zoeken. Vluchtelingen als collateral damage van een oorlog, waar we ons niet echt verantwoordelijk voor voelen. Ze kosten (te)veel, spreken onze taal niet, dragen niets bij en smokkelen ongewild gevaarlijk tuig mee in hun rangen. Meer dan genoeg argumenten om ons geweten te sussen. En tegelijk weten we: een vluchteling, dat wil je echt niet zijn.

Er is maar één ding waar we scherp in mogen zijn: het inzicht dat verbinding altijd de oplossing is, en mogelijk. Geen betere ambassadrice om dat te demonstreren dan Lidewij Nuitten in “Mijn straat”, een weerkerende rubriek in het Vlaamse human interest programma “Iedereen beroemd”. Ze woont in een multiculturele wijk in Schaarbeek. Juist: die plek vanwaar terroristen richting luchthaven en metro opgestoomd zijn voor hun destructieve orgelpunt. Lidewij maakt al maandenlang met haar cameraatje kennis met haar tientallen, indien niet honderden buren. Ze zijn van alle leeftijden, werelddelen, religies en overtuigingen. Door sommige pers werd precies dit aangeduid als een dodelijke mix, de sudderpan van de failed states en de hell holes, het safehouse pretpark van terroristen. Je ziet Lidewij telkens aanbellen bij een nieuwe buur. We voelen plaatsvervangende spanning, wanneer de deur open scharniert en er meer of minder wantrouwige ogen haar aankijken. “Dit komt niet goed,” denken we soms, waarna we met verbazing vaststellen dat ze meestal toch binnengelaten wordt, zelfs gastvrij ontvangen.

Zoals bij Ahmad, een Syrische vluchteling die in een donker studiootje al maandenlang onder een deken van tristesse leeft. Het is precies die man, waar we allemaal een karrevracht oordelen over hebben leren formuleren. Het houdt Lidewij niet tegen. Zijn familie zit nog in Syrië, leert ze. Volgens de laatste berichten werden ze opnieuw gebombardeerd, vertelt Ahmad met bezorgde blik. Voorlopig is het behelpen met een mengeling van stukjes Engels, Frans en de eerste woordjes Nederlands. Hij hoopt iets te kunnen doen met meubels. Wanneer hij de vraag niet begrijpt, typt Lidewij het in op haar vertaalcomputertje. Een Arabische zin weerklinkt in de lege ruimte, Ahmad lacht een herkenningsknik en formuleert hortend en stotend een antwoord. “Of hij nog iets nodig heeft?” vraagt ze. “Meubels bijvoorbeeld?” Buiten de matras in de hoek oogt de studio ruwbouwkaal, een klein keukentje niet te na gesproken. “Gewoon dat jij en ik vrienden worden,” glimlacht hij. Ze schudden een kameraadschappelijke hand.

Even later leert Lidewij een Braziliaanse vrouw met twee kinderen kennen. Ze shaket goedlachs wat samba in haar living, vertelt over leven en familie. We zien hoe ze van oude paletten meubeltjes maakt, ze schildert in levenslustige tinten. Sambatouches. Lidewij heeft een idee. Een paar dagen later bellen ze aan bij Ahmad met een gele palettafel, op wieltjes en inclusief glasplaat. Hij is verrast, glimlacht breed. Ook zijn kale muren worden aangekleed met eenvoudige, warmhartige schilderijtjes. Het verschil oogt fenomenaal. Ze maken het gezellig, Ahmad bereidt een maaltijd voor Lidewij en voor Brazilië. Hij serveert een heerlijk geurende schotel, waar Lidewij goedkeurend haar neusvleugels voor opent. De eindtune zet in.

Op haar eentje en op ontwapenende wijze heeft Lidewij in haar Schaarbeekse wijk een sociaal web geweven, waar het ondertussen gezelliger en warmer toeven is dan in de doorsnee Vlaamse straat. Zo eenvoudig kan het zijn, als je met een open hart en mededogen door de wereld struint. Wat als we elke buur, elke vreemdeling, bewoner van deze planeet zo zouden bejegenen? Wat als we elkaar allemaal wat beter zouden leren kennen, achter de façades van vooroordelen, hoofddoeken en angsten voor de ander. Ja, een enkele maal zullen we schrikken, ons misschien moeten beschermen, omdat liefde voor sommigen (nog) te bedreigend, onbekend terrein is. Toch kunnen we ook voor hun toestand mededogen voelen, ze woordeloos sturen wat ze misschien nooit geleerd of gekregen hebben, of het geloof erin op een blauwe dag verloren.

De recepten, gebaseerd op angst en woede, deugen niet. We hoeven ze niet telkens weer te recycleren. Als we scherp staan, iemand scherp naar ons is, de nieuwsberichten scherp zijn, laat ons dan diep ademhalen en denken aan dat serum dat liefde en verbinding heet. Altijd binnen bereik, nooit zonder resultaat. Ook al voelt het in eerste instantie ongemakkelijk en nieuw, het is de kunst van het proberen.

Liefde voor het leven

P1020479

Overwint liefde alles, nadat het stof van de ontploffingen is neergedaald, de glasscherven verzameld zijn, het filmpje van vluchtende mensen in een donkere metrotunnel voor een laatste keer getoond is, het paniekerig geschreeuw van een vrouw in datzelfde filmpje eindelijk tot bedaren is gekomen? De doden zijn behoedzaam weggebracht, wachtend op identificatie en onthutste familieleden. De koning en zijn gemalin luisteren met inlevende blikken naar vermoeide hulpverleners. Televisiestations en kranten hijgen na van een dagenlange overdrive. In talkshows analyseren vertrouwde gezichten urenlang hoe het zover is kunnen komen. Waarom een inclusieve maatschappij kan helpen, hoe een slachtoffer het best een trauma verwerkt, of mensen “slecht” kunnen geboren worden, wat muziek kan betekenen als woorden tekort schieten. Ondertussen wordt de jacht geopend op wie iets had kunnen, moeten doen, om de daders tijdig te stoppen. De ene Belg blijft dagenlang onder de indruk, verweesd, de andere gaat snel terug over tot de orde van de dag, zoals de bestuurder van het fatale metrostel, die ’s anderendaags al terug in een stuurcabine kruipt. Paasvakanties worden in ijltempo omgeboekt naar andere luchthavens. Na de emotie en de solidariteit, het zingen en vasthouden van handen op het Muntplein, gaat ook daar weer iedereen huiswaarts. De veiligheid zit in de routine, in de vertrouwdheid van de herhaling, die de geest kalmeert, doet geloven dat alles snel weer wordt zoals voorheen.

Overwint liefde alles? Een ouder koppel heeft de omslag overleefd. Ze vertellen hun verhaal aan een reporter, vanuit hun kamer in het hospitaal. Zij, haar benen omzwachteld, lichtgewond. Hij, onfortuinlijker, met een deken op zijn schoot, zijn been is geamputeerd. Ze zijn niet bedroefd, niet woedend noch verbitterd. Neen, ze zijn dolgelukkig dat ze er alletwee nog zijn, dat het leven hen een tweede kans gunt. Ze kijken elkaar aan met de onnavolgbare sprankel van echte liefde, terwijl hun handen verstrengeling zoeken. De jonge vrouw, die al een halfjaar in “Iedereen beroemd” haar Brusselse buurtbewoners cameragewijs leert kennen, gaat langs bij haar buurvrouw. Haar kindjes tekenen met donkere kleurpotloden de stoute meneren, een hoekige ballon die een ontploffing voorstelt, mensen op de vlucht. Dan krijgen ze de vraag om alle goede mensen te tekenen die ze kennen. Wat volgt is kinderlijk enthousiasme en een resem figuurtjes met een naam – “dit ben jij, Lidewij”, met strohaar en een halvemaanglimlach. Griet op de Beeck, van “Vele hemels boven de zevende”, doet iets moois met haar onnavolgbare pen: “Laten we graag zien omdat we dat kunnen, en leven – voluit en gretig – omdat WIJ dat mógen en het daarom dubbel zo goed moeten doen.” En ook nog: “Laten we pantsers afleggen, en het en de andere tegemoet treden, telkens weer.”

Misschien heeft ze het over het pantser dat jij en ik opgetrokken hebben, uit angst, voor de slechteriken van deze wereld, en, meer dan we willen toegeven, ook voor die ander, die naast ons woont, in onze straat, dorp of stad, die een beetje norser, bruiner, ouder, banaler, luidruchtiger, terughoudender, nonchalanter, blasé, marginaler, vreemder is. Als we, net zoals het vals plafond van de luchthaven naar beneden is gestuiterd, ons harnas konden afleggen, onze ware, liefdevolle natuur aan de oppervlakte zouden brengen, dan… Het tegengif van uitsluiting zit in de handreiking, in het luisterend oor, het temperen van al te snelle oordelen. Het vermogen om, al is het maar heel even, in de huid van de ander te kruipen. Om te ervaren hoe hij of zij de wereld ervaart. De veiligheid zit in de verbinding. 

Op televisie wordt “Le fabuleux destin d’Amélie Poulain” van stal gehaald. Parijzenaren op zoek naar klein en groot geluk. Amélie schept er genoegen in keitjes te doen opspringen op het Canal Saint-Martin. Zij is op zoek naar de ware liefde, vindt die net voor de eindgeneriek. Zijn we niet allemaal op zoek? Naar liefde voor het leven, naar respect voor ons en ieders pad op weg naar een bestemming, aangewezen door een stuwend en verlangend hart? ’s Nachts droom ik dat ik in een duikboot zit. Ik kijk door het raampje naar veelkleurige vissen in wuivende koraalriffen, houd een fototoestel in de aanslag. Dan verandert plots het decor. We komen aan een rand waar alles lijkt te stoppen, een afgrond met in de diepte enkel nog een kale vlakte. Net boven de bodem zwemmen haaien van verschillende maten en soorten zenuwachtig in het rond. Nu en dan valt de ene de andere aan, laf en onverhoeds. Ze vechten bloedig, tot de dood. Verbijsterd kijk ik naar het schouwspel, probeer de duikboot om te keren. Het beeld blijft op mijn netvlies kleven, nog lang nadat ik wakker ben. Ik besef wat het toont: hoe we de nachtmerrie van de aanslagen doorspoelen met de orde van de dag. We weten dat we onszelf iets wijsmaken, maar voor nu hebben we geen ander coping mechanisme.

Dan denk ik aan het gemak waarmee de kindjes uit “Iedereen beroemd” van sombere tekeningen overschakelden op positieve vibes, alsof hun hart een kompasnaald is dat slechts een vervelend duwtje kreeg, om zich daarna feilloos weer gelukwaarts te richten, naar de tomeloze liefde voor het leven. Ik zie het dankbare koppel slachtoffers in het hospitaal. Ze lijken over een gelijkaardig instrument lijkt te beschikken. Ze zijn de grasspriet die zich onder de grond, tussen de nauwe voegen van de stoep, een weg gewurmd heeft naar het licht, om het nooit meer kwijt te willen spelen.

Zullen we, zoals Amélie Poulain, allemaal een steentje in het water gooien, een liefdevolle rimpeling laten uitdeinen naar een gekwelde en gekwetste wereld, naar onszelf? Of, zoals Moeder Theresa zei: “We kunnen niet allemaal grootse dingen doen, maar we kunnen altijd kleine dingen doen met grote liefde.” Want liefde overwint alles.

Dromen en verdriet

DramaFoto’s vertellen soms meer dan duizend woorden. Zoals deze foto, die ik deze week in de krant zag staan. Het zou de perfecte foto kunnen zijn voor een schrijfoefening, om de verbeelding te trainen. De foto is geen klikvoer, en toch wil ik hem delen, er een stukje aan wijden, omdat hij me al dagen achtervolgt, tezamen met een schaduw van sluiperig verdriet. Nochtans zijn er veel situaties zoals deze, waar ik, net als iedereen, even naar kijk, de details doorneem met afgrijzen of nieuwsgierigheid. Uit sensatiezucht misschien, om dan snel verder te scrollen naar de outfits op de rode loper van de Oscars, of naar die wereldgoal in een midweek match van de Premier League. Niet zo met deze foto.
Achter een door politielint verzegelde deur wacht een kat op de vertrouwde aai over haar rug, waarna ze uit dank haar staart zal rechten. Ze begrijpt er niets van, van het lege huis, waarom een onbekende man in een blauw uniform snel een paar kattenkorrels in haar bakje dumpt. Gisteren werd ze nog geknuffeld door een jongen van tien en een meisje van twaalf, wie weet ook nog door hun moeder. Ze is aangehouden. Haar zoontje is niet meer, hij is door haar vergiftigd. Zijn oudere zus ook, zij heeft het wel gehaald. De krant meldt dat ze uit haar coma is ontwaakt. Haar leven zal nooit meer hetzelfde zijn. Het zal opgedeeld zijn in twee stukken: de periode voor die dag, en wat erna kwam. Er is een kans dat ze het te boven komt, ooit. Of ook niet. Misschien gaat ze aan zelfverminking doen, aan liquid drugs of, later, aan foute mannen. Misschien kwijnt ze onopgemerkt en langzaam weg op de pechstrook van het leven, als een noveenkaars die tergend langzaam uitdooft. Ja, er zal wel ergens een familielid of instelling zijn die zich over haar ontfermt. Toch laat ze me niet los.
Het gaat hem niet over haar verdriet, besef ik. Het gaat over het mijne. Over het uwe, dat van radeloze vluchtelingen, iedereen die door verlies en pijn getroffen wordt. Wanneer het begonnen is, vroeg ik me af, dat ik-voel-me-down-maar-ik-weet-niet-goed-waarom gevoel. Ik zweer het u, het daagde me pas terwijl ik dit stukje schreef. Meer dan een week geleden moet ik, samen met tien anderen, een paar minuten over mezelf spreken. Als spreekoefening. De opdracht is om, behalve de gebruikelijke clichés, onze grote droom erin te verweven. En iets over onze moeder. De openhartigheid van de andere sprekers verrast me. Ik blijf talmen en ben als een van de laatsten aan de beurt. Het gaat goed, ik vertel als een boek, het publiek hangt aan mijn lippen. Dan vertel ik het, bijna terloops. Hoe moeder, twaalf jaar geleden ondertussen, uit het leven is gestapt. Op spectaculaire wijze, voegde ik er nog aan toe, meer uit onhandigheid dan dat het de kranten heeft gehaald. Dat deed het namelijk niet. Daarna vergeet ik het weer. Ik vertel over mijn droom om een boek te schrijven, dat die bijna is verwezenlijkt. Met fierheid vertel ik dat de eindredactie er aankomt. Het is een beklijvende roman, geen autobiografisch boek. Toch zijn er ontegensprekelijk een paar elementen uit mijn leven ingeslopen. De moeder van de hoofdfiguur speelt een niet onbelangrijke rol, in dezelfde setting als mijn eigen moeder. Je moet altijd schrijven over wat je kent, luidt een basisregel. Vandaar dus, maak ik me wijs. In het boek loopt het wel goed af met de moeder, legendarisch zelfs. Eigenlijk wilde ik dit stiekem voor mezelf houden, als een soort van stille genoegdoening. Alsof ik met mijn pen een nieuw verleden kan creëren, dat veel rooskleuriger is. Misschien doet het dat ook, op een manier die ik nog niet begrijp. Wat ik wel begrijp is dat ook mijn leven in twee stukken is verdeeld, misschien zelfs drie: de periode ervoor, en die erna. Ik heb het niet slecht gedaan, vind ik zelf, het zogenaamde verwerkingsproces. Anders deed ik nu niet de dingen die ik deed. En toch is er af een toe een dag, een week, soms twee, dat het me terug even overvalt. Dan weet ik dat ik het moet toelaten, het durven delen. Omdat verdriet uiteindelijk verbindt. Omdat gedeelde smart halve smart is. Tot het, als een mooi bloempje in een hoekje van het gras, terug het gezelschap zal dulden van lentebloemen, onstuimig in hun ongeduld om hun witte of gele schoonheid te ontbolsteren.
Ik denk aan het meisje van twaalf, en de troosteloze poes. Ik wil ze beide figuurlijk omarmen. Ik wil haar toekomst schrijven op de wolken die ze boven haar voorbij ziet drijven met de wind. Voor haar schrijf ik zinnen gevuld met liefde en geborgenheid, met gillerige meisjesgrappen, de smaak van heilige tranen en vooral: de droom die, ondanks haar wonden, op een dag op haar pad zal komen. Die droom zal haar opzoeken, elke dag van haar leven blijven aankloppen, tot ze hem zal herkennen en verwelkomen. De droom zal geduld oefenen, wachten tot een lichtstraal verraadt dat haar hart ontkrampt, opnieuw geopend is. Dan zal de droom stilletjes naar binnen glippen, om nooit meer weg te gaan. Het is die dag dat een geheime glimlach haar lippen zal beroeren, dat het leven haar op een duizendarmig bed omhoog zal tillen. Het ga je goed, lieve meid.

Zeven pogingen tot zoenen

IMG_3481Grommende macho’s die vrouwen lastig vallen? Het zou nooit in me zijn opgekomen toen ik in de vorige eeuw de verovering van het andere geslacht met frisse moed aanvatte. Toen geweld nog teder was, en de jacht naar de eerste zoen bezaaid met huizenhoge obstakels en een enkele hinderlaag.

Eerste poging. Ik ben bijna zes. Op weg naar school spring ik over de stoeptegels, zonder de randjes te raken. Een jonge ridder te paard, flitsend met hetzelfde zwaard als mijn held in het “Zwaard van Ardoewaan”, een jeugdserie op televisie. Ik sta op het punt de straat naar de schoolpoort te dwarsen. Het gele bloempje, geklemd tussen de groeven van het voetpad, lacht naar de zon, en naar mij. Natuurlijk moet ik het haar schenken. De juf zal me een volle minuut knuffelen, wellicht veel langer. Ik zal haar held zijn van de dag, van de week, het hele schooljaar. In haar hart zal ik de zoete stempel van mijn onvoorwaardelijke liefde achterlaten. Ik trek het bloempje van tussen de voegen, zonder dat de lange wortel afbreekt. Gaaf. De schoolbel rinkelt, ik moet me reppen. Wat scheelt het voor een groots moment als dit?

‘Alsjeblieft, juf Jasmine, deze is voor jou!’ tover ik in de klas vanachter mijn rug de paardenbloem tevoorschijn. De lach op mijn mond expandeert naar recordbreedte. De pupillen in mijn ogen ademen de sprankel van een liefhebbend kinderhart. Juf Jasmine neemt het aan tussen duim en wijsvinger. Ze houdt de bloem met gestrekte arm voor zich uit en bestudeert ze als een wantrouwige detective. Een fractie van een seconde, niet langer, dan mikt ze het resoluut in het vuilnisbakje. Het dichtklappende deksel deelt een mokerslag uit. ‘Zo’n vuile pisbloem, ben je niet beschaamd? En je bent nog te laat ook. In de hoek jij!’ Ik huil niet. Daarvoor ben ik te verbijsterd.

Tegen de leeftijd dat het andere geslacht interessant wordt blinken de meisjes uit in onbereikbaarheid. De muren van hun scholen zijn onneembaarder dan het Gravensteen van Gent. Dit terwijl onze tomaten in bloei komen. De exploratie van de vrouwelijke wereld is even spannend als “Twintig duizend mijlen onder zee”. Zelfs seksuele opvoeding staat voor het eerst op de agenda van het conservatieve college, een twijfelachtige eer die een kaalhoofdige, bijna gepensioneerde priester te beurt valt. Op vlekkige stencils komen we te weten dat we toe zijn aan het betasten van onszelf. Kojak kan het gegniffel tijdens de les niet duiden, en nog minder dulden. Op dat moment scheppen we al lang tegen elkaar op over onze mannelijke opmars. Het bijeen gepochte zaad kan een spermabank voor jaren van liquiditeit voorzien. De waarheid is: we voelen ons klein en onzeker, en de prille zoektocht naar de vrouwelijke geheimen moet nog schoorvoetend beginnen.

Tweede poging. De tijd is aangebroken om kandidates te spotten voor de eerste zoen. Af en toe komen er vriendinnen van mijn zus over de vloer. Ze is drie jaar ouder. Dat betekent dat de vrouwelijke trafiek bestaat uit meisjes die, nadat ze de groenfactor van broerlief gemonsterd hebben, me totaal negeren. Zelfs een met liefdesverdriet worstelend exemplaar, dat dringend toe is aan troost en een betere partij, ziet niets in een groener alternatief dat zich interesseert aan Ufo’s en de evolutie van kikkerdril.

Poging nummer drie: de klasgenoten eruit pikken die wel over jongere zussen beschikken. Vervolgens mezelf uitnodigen op verjaardagsfeestjes, waar deze bevallige jonggazelles verlegen maar geïnteresseerd vanuit de achtergrond zullen toekijken. Onder elkaar zullen ze het mannelijke aanbod oeverloos becommentariëren en in hun dagboeken voorzien van romantische passages met als titel: maneuvers op een stuntelige catwalk. Heel misschien zullen ze me opmerken en, in het beste geval, bij hun broer naar me informeren. Wie is die jongen? Verder dan wat giechels en een stel blozende kaken schop ik het niet. Ik laat me de kaas van het brood eten door meer bijdehandse klasgenoten. De concurrentie is moordend en meedogenloos.

Vierde Poging. Mijn beste vriend heeft een jongere zus die op rijpheid komt. Mijn bevoorrechte positie moet me in pole position brengen. Ze heeft schattige vlechtjes, zomersproeten en een beugel. Als die laatste er eindelijk uitgaat en er tegelijk onder haar bloemenhemdjes onmiskenbare heuveltjes tot ontwikkeling komen slaat mijn radar rood uit. Verder dan woordelijk geflirt komt het niet. Het hoogtepunt bestaat uit een ludiek vechtpartijtje. Het is al avond en ze draagt een nachtjapon. Ze verliest haar evenwicht en gaat ietwat lullig tegen de grond. Ongewild wipt haar avondkleed tot heuphoogte, waardoor een toefje schaamhaar een volle seconde aan zedige bedekking ontsnapt. Een spannende, dagboekwaardige gebeurtenis in mijn nog prille ontdekkingstocht, dat wel. Maar ik blijf achter, zoenloos en verweesd.

Poging vijf, de eerste tennisfuif. Nog voor de eerste slow komt Inge naar me toe. Of ik straks wil dansen met haar vriendin? Sandra zit iets verder een ongemakkelijke glimlach te produceren. Ik kijk haar aan, ze lacht verlegen doch charmant. Wat is ze knap met haar bruine golvende haren, waar ze af en toe met haar rechterhand nonchalant door strijkt. Ik weet dat ze al enkele jongens gehad heeft. Wat als ik er niets van bak, gonst het in mijn hoofd, terwijl al mijn tennismaten erop staan te kijken?

‘Mja,’ antwoord ik. Natuurlijk wil ik dat. Met haar dansen, eerst op armafstand en dan steeds een beetje dichter. In het midden van de tweede slow zal ik haar tegen me aandrukken, een arm stoer achter haar rug. Haar hoofd zal langzaam landen op mijn linkerschouder en haar borstjes zullen rusten tegen mijn licht gespierde borstkas, waardoor ik ze nog beter zal kunnen voelen. En dan, als de laatste slow op gang komt zal ik het doen. Ik zal haar eerst zachtjes zoenen op de lippen, en daarna zwoele likjes uitproberen. De DJ wisselt de laatste dansplaat voor “Du” van Peter Maffay, een plakker van formaat. Ondanks mijn gesettelde date vind ik geen adem meer. Paniek van mijn tenen tot mijn kruin. In een fractie van seconde kies ik voor plan B.

‘Wil je met me dansen?’ vraag ik met schraperige stem.

‘Het was wel de bedoeling dat je met Sandra danste,’ stribbelt Inge tegen.

‘Straks. Na deze.’ Nauwelijks een paar meter van ons vandaan schuifelt Sandra onbehaaglijk op haar stoel. Een sluier van ontgoocheling is over haar gezicht neergedaald. Ik durf niet te kijken, probeer een praatje met Inge over het tornooi.

‘Heb je mijn match tegen David gezien?’

‘Je danst zo dadelijk toch met haar?’

‘Mijn backhand was super, toch?’

‘Ja of neen? Anders houd ik het ook …’

‘Doe ik.’

“Duu-uu-uu, du bist alles auf der welt,” schalt het door de luidspreker. Ik voel me een voetballer die een voorzet voor het lege doel alsnog heeft naast gekopt. Ik hoor een denkbeeldig publiek fluiten. De tweede slow begint, ik raap al mijn moed samen en steven af op Sandra. Ze danst een slow met me. Een gesprek dat er geen is. Ze zegt dat ze het begrepen heeft. Daar gaat mijn eerste kus, de kus die echte mannen onderscheidt van te beleefde, te bedeesde jongens. Die avond zal ik niet meer zoenen. Dichtstbijzijnde uitgang.

Bij poging zes gaat bijna alles goed. Decor is een populaire danstent in de stad. Als de laatste slow plaats ruimt voor een disco hit kijkt Marleen op haar horloge. Ik heb het nog niet aangedurfd, ook niet na twee schuifeldansen. Haar pa staat binnen vijf minuten met zijn auto voor de deur. Nog even kijkt ze verwachtingsvol. Ze lijkt zo ervaren, alsof ze dit al tientallen keren gedaan heeft. Twijfel, en dan plant ik stommelings een zoen, ergens halverwege tussen haar wang en het randje van haar lippen.

‘Kom je hier vaker?’ probeer ik de meubelen te redden.

‘Misschien.’

‘Mag ik je telefoonnummer?’

‘Mijn pa wacht.’

Zevende poging. Hoe ouder ik word, hoe groter het verlangen, en hoe groter de angst om als een gieter af te gaan. Ik zit lelijk in de tang. Dan ga ik voor iets wat ik nog nooit gedaan heb: niet durven, toch doen. ‘Jij nog nooit gekust?’ lacht ze. ‘Geloof ik nooit.’

Vandaag lijkt alles zoveel makkelijker. Toch doorploegen jonge mensen nog steeds een oerwoud van relationele onzekerheden. Daar moet ik soms aan denken wanneer ik verhalen lees over macho’s, al dan niet uit vreemde landen, die ongegeneerd en weinig subtiel vrouwen bejegenen, daarbij soms ver over de schreef gaan. Dan denk ik terug aan hoe ik aan het andere einde van het spectrum heb gestaan. Geen seconde spijt voel ik voor het ervaren van zoiets heftig als de angst voor afwijzing. Het heeft gemaakt tot ik wie ik ben. Het heeft me moed geleerd en verbinding met het hart. Kwetsbaar en respectvol te zijn.

Telkens voel ik weer diezelfde paniek, zoals wanneer ik voor tweehonderd Indiërs verondersteld werd onverwacht een presentatie te geven. Wanneer ik op mijn allereerste, zelf in elkaar geknutselde workshop de deelnemers zag toekomen. Wanneer ik het podium beklom om Jacques Brel te brengen met piano begeleiding. Vele malen ben ik een kleine dood gestorven. Ook nu nog overvalt het me nog soms. Wat gaan ze van die blog denken? Van mijn eerste roman, die binnen enkele maanden uitkomt? Niet durven, toch doen.

Het aantal mannen die authentiek durven zijn neemt toe, ook onder leiders en politici. Ik beeld me in dat de dagen van de macho’s zijn geteld. Nog steeds zetten ze op het wereldtoneel de dingen naar hun hand. Ze verdragen geen afwijzing, zijn kampioenen in het zaaien van verdeeldheid. Wij tegen de rest. Het westen tegen het oosten. Noorden tegen het zuiden. Mannen tegen vrouwen. Ze ontlenen hun kracht aan stoere taal, gezwaai met wapens en het vingerwijzen van de vijand. Ze weten (nog) niet dat macht uitoefenen over de ander, en over vrouwen in het bijzonder, falen is om je angsten en je tekortkomingen onder ogen te zien. Het is lafheid en gebrek aan moed.

Vrouwen zijn de grootste leermeesters van de man om in zijn kracht te komen. Ze testen je vanaf je vroege levensjaren, elke dag opnieuw. De wachtwoorden tot hun hart zijn authenticiteit, respect en bravoure. Wie slaagt wacht de smaak van paradijselijke zoenen, een koesterende haven en de slagkracht van het zwaard van Ardoewaan. Het is tijd aan die mannen om op te staan en zich te tonen in de wereld. Ook al kost dat zeven pogingen of meer.

De armlengte van mannen

IMG_4334

Dilemma: “Als man lijdzaam toekijken hoe een vrouw door een meute wordt aangerand, of haar uit hun klauwen proberen te bevrijden en een messteek riskeren?” Vrouwen verwachten altijd het tweede. Terecht. Dus waarom is dit voor mannen zo’n moeilijke keuze?

Begin jaren tachtig, toen ik een jaar of zestien was, werd ik op een avond vastgegrepen door een vijftal jonge mannen. Ik wist wie ze waren en wat ze van plan waren: me vastbinden en vernederende zaakjes uithalen. De leider, een dertiger en een kop groter, viel op door zijn bolle haviksneus. Hij pronkte stoer met een sixpack op het moment dat het woord nog moest worden uitgevonden. Ik vergeet nooit de grimas op zijn gelaat toen hij voor me stond, terwijl de rest me als een veelarmige octopus in bedwang hield. De woede die in me opwelde was enorm. Het was als een vuur dat vanuit de aarde doorheen mijn voetzolen drong, zich een weg omhoog baande en in mijn buik een slapende vulkaan wekte. Ik voelde de hitte van lava doordringen tot in mijn ledematen, een proces dat zich voltrok in luttele seconden. Feit was dat ik op een bepaald moment erin slaagde mijn rechterarm los te wrikken en de leider een vuistslag uit te delen. Hij deinsde achteruit en sloeg zijn handen voor zijn gezicht. De consternatie bij de andere belagers was zo groot dat ik ervan kon profiteren om me los te wurmen en de biezen te nemen. De eerste honderd meter had ik me op zijn minst tot provinciaal kampioen kunnen kronen. Later heb ik vernomen dat hij aan dat voorval een neusbreuk had overgehouden.

Ik ben niet fier op dat verhaal. Het gaat niet over de goede tegen de slechte. Het gaat niet over Hollywood heroïek. Het gaat over de energie van de krijger. De krijger gebruikt geen nodeloos geweld. Hij strijdt voor een rechtvaardig en hoger doel, in opdracht van de koning. Een koning die regeert vanuit het hart, nooit aflaat om de noden van zijn volk in de gaten te houden en te verzekeren. Een koning die opkomt voor de zwakkeren en hen zijn onvoorwaardelijke bescherming biedt. Als iemand op gewelddadige wijze raakt aan een kwetsbaar iemand, dan raken ze aan hem. Dat weten zijn krijgers. Dan gaan ze handelen, collectief, als een enkel organisme verbonden met het universum. Als het moet op gevaar van eigen leven. Daar gaat geen aarzeling of dilemma aan vooraf.

Vrouwen zijn niet zwak, integendeel. Maar tegen een bende losgeslagen mannen kunnen ze zelden op. Wij mannen moeten dat weten. Of we nu politieagent of toevallige omstaander zijn doet er niet toe. Als vrouwen in gevaar zijn moeten we handelen. We moeten elkaar een fractie van een seconde aankijken en weten wat ons te doen staat. Desnoods alleen. Vlak voor we ingrijpen, vragen we steun aan het universum. Dat het geweldloos mag verlopen. Indien het niet anders kan bidden we dat we met een enkele rake klap de tegenstander kunnen uitschakelen, zonder dat hij er blijvende schade aan overhoudt. We vragen dat het vuur van gerechtvaardigde kwaadheid in ons opwelt en ons een kracht geeft die we nooit in onszelf hadden vermoed. Dergelijk vuur voelen we als de integriteit van onszelf of iemand anders wordt belaagd. De integriteit van iemand beschermen is een daad van liefde. In een paar diepe ademhalingen, meer niet, voltrekken we dit ritueel, waarbij we het vuur naar binnen zuigen. We hebben geen tijd te verliezen.

We rennen naar het groepje dat een vrouw aan het aanranden is. Vlak voor hen planten we onze voeten neer, geaard en onvervaard. Met luide stem roepen we om er onmiddellijk mee te stoppen. Misschien ook dat hun god hen op dit moment ziet en hun daden zal beoordelen. Ook al voelen we de angst en de adrenaline gieren door ons lijf, we tonen ons onbevreesd en vastberaden. Als ze ons negeren of uitlachen is het tijd voor actie. Onze focus gaat daarbij in eerste instantie uit naar het beschermen van de vrouw, niet naar een knokpartij. We gooien ons ertussen en proberen haar te bevrijden uit haar hachelijke situatie. “Wie raakt aan haar, raakt aan ons,” stralen we uit. Vanaf dan verloopt alles organisch, als in een roes. Als we een klap uitdelen is het een gerichte, geleid door een hogere kracht.

Loopt het altijd goed af? Ons lichaam kan er (fel) gehavend uitkomen, dat zeker. En onze poging kan mislukken, dat ook. We zijn geen onaantastbare helden zoals op het witte doek. Toch zullen we diep vanbinnen de zielenkracht voelen, die ons zal vertellen dat we juist gehandeld hebben, vanuit liefde en rechtvaardigheid. Een beeld van een vrouw die aangerand wordt en waarbij we niets ondernomen hebben zal gans ons leven op ons netvlies blijven kleven. Het zal ons slapeloze nachten bezorgen. Tot de krijger in ons eindelijk wakker wordt.

Allemaal lekker gezegd misschien, maar of ik het zelf consistent zou doen? Zo’n held ben ik immers niet, en al zeker geen actieheld. Door een en ander neer te pennen weet ik een ding: de angst voelen en het toch doen is de enige optie waarbij we als man in het reine met onszelf en met het universum kunnen zijn. Wij mannen hebben de voeling met het gezonde krijgerschap verloren. We kamperen in ons hoofd en zijn individualistische scheepjes geworden op de woelige oceaan van veranderende tijden.

Tijdens de voorbije week regende het reacties in de pers en op facebook over de incidenten in Keulen, waarbij de mannen veelal uitblonken in afwezigheid. De “armlengte” was het meest gebezigde woord, nadat de burgemeester van Keulen, nota bene zelf een vrouw, aan alle vrouwen de raad gaf om van mannen minstens deze afstand in acht te houden. Als grenzen gerespecteerd worden doen lengtes er niet zo toe. Of gaan we als man en vrouw elkaar geen knuffel meer durven geven? En wat is trouwens de armlengte van mannen? Dit is mijn definitie: “De armlengte van mannen toon je door je armen wijd te spreiden, de handpalmen naar elkaar toe, en alle vrouwen duidelijk te maken dat dit de beschermende cocon is waarop ze altijd en in elke situatie zullen kunnen rekenen.”