Een heel klein beetje Jezus

IMG_4180.JPGVersion française en bas.

Als een stille schreeuw hangen aan de eeuwigheid. Laura is amper twaalf, wanneer ze de fluweelzachte ceintuur uit haar peignoir schuift. Rond de kerstdis zal haar lege stoel hunkeren naar de bruis van een vervlogen leven.

Laura woont in Durbuy. In het pittoreske stadje schuimen toeristen het jaar rond de vele souvenirstalletjes af. Op terrasjes proeven ze goedkeurend van produits artisanales. Hand in hand flaneren ze door de nauwe, Ardense straatjes, tot op de brug over de Ourthe. Ze nemen selfies of staren dromerig in het ruisende water. Aan de overkant van de rivier klimmen rotspartijen naar de hemel. Ze waken over het stadje met kloeke, vaderlijke bezorgdheid. Het is daar, hoog boven de huizen van Ardense steen, dat de ladder voor Laura wordt neergelaten. Het is de ladder naar de hemel. Een engel komt trede per trede naar beneden, ze lacht Laura tegemoet. Het meisje kijkt toe met verbazing en met hoop, blij dat ze niet langer alleen is.

‘Welkom, ik ben Elize,’ begroet de engel haar. ‘Maar je mag Lies zeggen, zo noemen ze me wel vaker. En wie ben jij, meisje?’

‘Ik ben Laura,’ antwoordt het meisje onwennig.

‘Wat een mooie naam. Waarom kom je zo vroeg naar huis, mijn kind?’

‘Ik voelde me vreselijk verraden. Ze was zo lang mijn beste vriendin, begrijp je?’

‘Niets is zo vreselijk als het verliezen van de liefde.’ De engel streelt traag door Laura’s lange haren. Ze huilt stille tranen.

‘Mijn troost hadden ook je papa en mama kunnen brengen,’ fluistert de engel weemoedig.

‘Ik weet het. Word ik nu gestraft?’ Laura kijkt angstig naar de engel.

‘Dat woord kennen we hier niet,’ stelt Siens glimlach haar gerust.

‘Mag ik eens aan je vleugels voelen?’ Zonder een antwoord af te wachten, laat Laura haar hand over de veren glijden. ’Dat is supercool. Zoiets zacht heb ik nog nooit gevoeld.’

‘Zo zacht ga ik je nu leren worden voor jezelf. Ik zal daarbij je persoonlijke begeleidster zijn. Een soort van juf, zeg maar.’ De engel tilt Laura op en zet het meisje op haar rug.

‘Vergeet de ladder, we gaan vliegen. Hou je maar goed vast aan me!’

‘Dit is te gek!’ Laura klemt zich stevig vast, terwijl ze haar kaak tegen de veren strijkt. Eerst zweven ze boven hoge bergen en onmetelijke oceanen, tot de aarde een kleine blauwe knikker wordt en ze langs fonkelende sterren suizen. Na een adembenemende vlucht wacht een nooit gezien lichtspektakel hen op, pal in het midden tussen een karmijnrode ster en een staartvormige uitloper van de Melkweg.

‘Dit is de tuin van zelfliefde,’ lacht engel Elize, wanneer ze door de grote, met duizenden bloemen versierde poort, naar binnen zweven.

‘Kan je daar spelen?’

‘Je kan daar alles, zolang het in verbinding is met de liefde voor jezelf.’ Laura rent naar een schommel. Het zitje is fluweelzacht en lijkt op een pluchen dolfijn. De touwen zijn klimplanten, bezaaid met ontelbare gele en oranje bloempjes. Ze lichten ritmisch op, het lijken net flikkerende kerstlampjes. Nadat Laura zich in de schommel heeft genesteld, geeft engel Elize een duwtje. Er is niet veel nodig om de schommel met grote, elegante zwier in beweging te brengen. Voor de eerste maal sinds ze de aarde heeft verlaten verschijnt er een glimlach rond Laura’s lippen.

‘Vind je het fijn?’

‘En of.’ Laura kijkt omhoog. ‘Waar hangt die schommel eigenlijk aan vast?’ wordt ze nieuwsgierig. Ze kan het niet goed zien, hoezeer ze ook haar best doet.

‘Kan je een geheimpje bewaren?’ Engel Elize legt samenzweerderig een vinger op haar mond.

‘Toe, engel Lies, vertel.’

‘Beloof me dat je het aan niemand zal verder vertellen. Die schommel… die hangt namelijk aan de pink van God.’

‘Echt waar?’ Laura kijkt stomverbaasd. ‘Heeft God dan zo’n grote pink?’

‘En een nog veel groter hart. Zo groot dat we er allemaal in kunnen.’ Laura springt van de schommel en spurt naar de bioscoop. Die is naast de rozentuin gelegen. Op de affiche staat Finding Dory geprogrammeerd.

‘Niet zo snel,’ roept de engel. ‘Ik kan je niet bijhouden. En we moeten eerst nog een ritueeltje doen.’

‘Wat voor ritueeltje?’ vraagt Laura opgewonden.

‘Kom hier maar eens voor me staan en leg je hand op je hart.’ Elize laat haar warme hand op Laura’s hoofd landen en kijkt diep in haar ogen. ‘Zeg me na: ik beloof dat ik altijd zal houden van mezelf.’

‘Ik houd veel van anderen,’ oppert Laura. ‘Is dat dan niet hetzelfde?’

‘Niet helemaal. Als je niet houdt van jezelf, hoe kan je dan van anderen houden?’

‘Ik dacht dat het omgekeerd was,’ fronst Laura de wenkbrauwen.

‘Dat weet ik.’

‘Oké dan.’ Laura sluit haar ogen en haalt diep adem. ‘Ik beloof dat ik altijd zal houden van mezelf.’ Nadat ze die woorden heeft uitgesproken, rollen er tranen over haar wangen. Het daagt Laura dat anderen je wel kunnen kwetsen, maar dat zelfliefde de eerste schokken dempt. Uiteindelijk heelt die zelfs alle wonden, stukje bij beetje, tot het hart geen lijm meer nodig heeft en het als een bloem weer voorzichtig zal ontluiken, klaar om opnieuw te bloeien.

‘Ik mis papa en mama,’ snikt Laura. ‘En mijn zussen en mijn broer. Kan ik echt niet meer terug?’

‘Toch wel, maar…’

‘Kunnen we dan nu vertrekken?’

‘Niet meer in deze gedaante. Je kan wel nog schrijven in hun dromen of op andere manieren signalen naar ze sturen.’

‘Kan ik dan in een droom vertellen dat ik volgende ochtend een signaal ga geven? Anders letten ze er misschien niet op.’

‘Wat slim van je. Daar had ik nog niet bij stilgestaan. Kom.’ Engel Elize vliegt met Laura dezelfde weg terug naar de Aarde. Ze zien hoe de voorbereidingen voor Kerstmis al volop aan de gang zijn. Duizenden engelen sjouwen met cadeaus en lampionnen, in alle maten en kleuren. Sommigen hebben geheimzinnige pakjes bij zich.

‘Daar zit troost in voor de mensen die het nodig hebben,’ legt Elize uit. Het is zo druk dat ze moeten opletten andere engelen niet voor de vleugels te vliegen. Uiteindelijk landen ze op de kruin van de oude appelboom in de tuin van Laura’s huis. Het begint te schemeren, en binnen zijn de lampen al aangestoken. Doorheen de gordijnen kunnen ze de kerstversiering zien, zij het niet zoveel als vorige jaren. Engel Elize kijkt Laura indringend aan.

‘Laura, lieve meid, sluit je mooie ogen, haal zeven diepe ademteugen en tel dan nog een keer tot tien.’ Laura twijfelt niet. Ze ademt snel maar diep, en het tellen lijkt een eeuwigheid te duren. Eindelijk is ze klaar en kijkt ze verwachtingsvol naar de engel.

‘Dan mag je nu je wensen doen aan de mensen die je moest verlaten,’ lacht Elize. ‘Weet dat je woorden zullen neerdalen in hun hart en in hun dromen.’ Laura staart dromerig voor zich uit. Dan legt ze plechtig een hand op haar hart en zoekt naar de mooiste woorden die ze ooit zou kunnen bedenken.

‘Liefste papa en mama, zussen en broer,’ zegt ze een beetje plechtig, als betrof het een vroege nieuwjaarsbrief. ‘Ik ben in goede handen. Bij engel Lies, die is heel cool. Ik ben aan het leren houden van mezelf. Als ik dat nu ‘ns eerder… Hey, maar alles komt wel goed.’ Elize knikt bemoedigend.

‘Huil, mama en papa, maar blijf niet treuren. Laat jullie tranen in de aarde vloeien, zodat ze in de lente bloemen kunnen baren. Dan zal ik de madeliefjes zijn, de grote gele krokus in de tuin, en in mei de oeverloze zee van witte klokjes. Ik zal het moedige winterkoninkje zijn dat schalks tegen het raam aantikt, de buizerd die hoog boven het huis met lome vleugels cirkels in de lucht tekent.’

‘Treur, maar niet te lang. Ik zal dat schattige schapenwolkje aan de blauwe hemel zijn. In de vroege ochtend zal ik de eerste zonnestraal zijn die alles okergeel kleurt, ’s avonds de laatste straal die een roze teint over jullie kaken strijkt.’

‘Treur, en leef dan weer. Ik zal me verstoppen in de vriendelijke woorden van de buurvrouw, de postbode of de verkoopster van de bakker om de hoek. Ik zal in jullie dromen guitig voorbij huppelen op de rug van een kameel of kangoeroe. Met een magische bezem zal ik jullie nachtmerries verjagen en vervangen door de dans van wilde passiebloemen.’

‘Treur, en geef je dan weer over aan de roep om tomeloos te leven. Ik zal jullie kleine, onzichtbare prinses zijn, jullie beschermengel, een goede fee met branie en met troost. En met Kerstmis zal ik heel speciaal bij jullie zijn. In de kerststal zal ik tussen de wijzen uit het Oosten staan. Ik zal waken over de os en de ezel en de toestand van het stro. Dan zal ik mijn mooiste liedjes zingen, terwijl Maria haar heel bijzonder kindje baart. En wanneer jullie het met Kerstmis in de kribbe leggen, zal ik een heel klein beetje Jezus zijn.’

 Opgedragen aan Laura en haar familie.

Un tout petit peu Jésus

IMG_4180.JPGComme un cri muet pour l’éternité. Laura dénoue la ceinture de son peignoir, elle a à peine douze ans. Sa chaise à la table de Noël sera vide, en souvenir nostalgique d’une vie qui s’est éteinte.

Laura habite Durbuy le pittoresque, fort prisé des touristes qui aiment flâner dans les ruelles avec leurs échoppes de souvenirs, ou goutent des produits artisanaux. Après le pont sur l’Ourthe, qui invite aux photos souvenir, il y a les rochers pointant vers le ciel, qui protègent paternellement la petite ville. Et là-bas, nettement plus haut que les maisons ardennaises, on déroule une échelle pour Laura, l’échelle du ciel. Un ange en descend et sourit à Laura. La fillette étonnée est pleine d’espoir : elle n’est plus seule.

« Bonjour » dit l’ange. « Je m’appelle Angéline, et toi ? »

« Je suis Laura, » répond-elle d’une voix hésitante.

« C’est un beau nom, mais tu es bien jeune pour venir déjà nous rejoindre. »

« Je me sens terriblement trahie, vois-tu? »

« Rien de plus triste que de perdre l’amour. » L’ange lui caresse les longs cheveux, des grosses larmes coulent.

L’ange est plein de compassion « Tes parents étaient prêts à te consoler, le sais-tu ? »

« Je le sais bien, serait-ce là ma punition ? » s’inquiète Laura.

« Ce mot-là, nous l’ignorons ! » L’ange lui sourit.

« Puis-je toucher tes ailes », et elle caresse les plumes duveteuses. « Comme c’est doux. »

« Je veux t’apprendre à être tout aussi douce pour toi-même, je serai ton ange-gardien, même ton enseignante. » L’ange soulève Laura et la prend sur son dos. « Pas besoin d’échelle, nous nous envolons, accroches-toi ! »

« C’est fou ! » Laura s’agrippe et enfouit son visage dans le doux plumage. Ensemble elles survolent montagnes et océans, la terre est toute petite, les étoiles scintillent. Le vol fantastique se termine dans une féerie de lumière, entre une étoile rougeoyante, et la queue de la voie lactée. Elles atteignent un portail magnifiques orné d’une multitude de fleurs « Bienvenue dans le jardin de l’amour de soi » sourit l’ange.

« Puis-je y jouer ? »

« Tout est possible, si tu veux te faire du bien. » Laura découvre une balançoire, le siège est si doux, on dirait un dauphin en peluche. Les cordes sont des tiges grimpantes, fleuries et pleines de lampions brillants. Angéline pousse la balançoire, qui bientôt va et vient gracieusement. Laura sourit, c’est la première fois depuis son d’épart de la terre.

« Tu aimes ? »

« Bien sûr, mais je ne vois pas l’attache des cordes ? »

« Peux-tu garder un secret ? » Angéline met un doigt sur les lèvres.

« Vas-y, Angéline, dis-moi »

« Ne le raconte à personne, la balnéaire est suspendue… au petit doigt de Dieu ! »

« Sûre ? Alors il doit avoir les doigts bien grands ? »

« Mais son cœur est bien plus grand, il peut nous héberger tous. » Laura délaisse sa balançoire, il y a une salle qui annonce le film Le monde de Dory. « Allons-y ! »

« Pas si vite, » dit l’Ange. « Il y a un rituel à accomplir. »

« Lequel ? » Laura est tout excitée. « Mets-toi en face de moi, la main sur le cœur » Angéline pose une main sur son front, et la regarde dans les yeux. « Promets-moi : je m’aimerai pour toujours. »

« Mais j’aime les autres, n’est-ce pas pareil ? »

« Pas du tout, si tu ne t’aimes pas toi-même, comment pourrais-tu aimer les autres ? »

« Je croyais plutôt l’inverse ! »

« Oui, je le sais. »

« C’est bon ! » Laura ferme les yeux, respire un bon coup et proclame : « J’aurais toujours de l’amour pour moi-même. » Les larmes coulent, bienfaisantes. Laura a compris : les autres peuvent te blesser, mais c’est la confiance en soi qui sera ton bouclier, et qui guérira petit à petit toutes les blessures. A la fin, ton cœur refleurira. Laura sanglote.

« Mes parents me manquent et aussi mes sœurs et mon frère, je voudrais tous les revoir, conduis-moi pour les retrouver. »

« Je crains que ce n’est pas si facile. Tu seras une autre Laura, tu les rejoindras dans leurs rêves, tu leur enverras de subtils messages. »

« Alors, il faut qu’ils aient ce rêve que demain je leur enverrai un message, autrement ils requéraient de ne pas m’entendre. »

« Que tu es bien intelligente, Laura. Allons voir ensemble, direction terre »

En cours de route les préparatifs pour Noël battent le plein. Des milliers d’anges volettent, les bras chargés de lampions, de cadeaux, de paquets mystérieux. Ils sont tellement nombreux qu’ils risquent de se cogner les ailes. Angéline remarque qu’il y a beaucoup de gens à rendre heureux.

Angéline et Laura ont atterri dans la cime du vieux pommier dans le jardin de Laura. Dans la maison les lumières sont allumées, mais la décoration de Noel est moins importante que d’habitude.

« Ma gentille Laura, » Angéline est solennelle, « ferme les yeux, respire sept fois, et puis compte jusqu’à dix. Fais maintenant tes vœux à tous ceux que tu dois quitter. » Laura pose la main sur son cœur et cherche les plus beaux mots à dire, ceux qu’elle utilisait pour ses lettres de nouvel an. « Chers bien-aimés, je suis sous les ailes de l’ange Angéline, mon amie. Elle m’apprend l’amour de soi. J’aurais dû l’essayer bien plus tôt, mais tout ira mieux pour moi. » Angéline l’encourage.

« Vos larmes, maman et papa, frère et sœurs, couleront pour que le jardin puisse voir éclore au printemps la pâquerette, les crocus et le muguet. Le roitelet viendra cogner au carreau, la buse tirera ses cercles haut au-dessus de notre toit, n’ayez pas trop de chagrin.

Ayez moins de chagrin, je serai le petit nuage blanc dans le ciel bleu, le rayon de soleil matinal aux touches d’ocre et le dernier qui vous baignera de rose.

Ayez moins de chagrin, et reprenez le fil de la vie. Je serai dans les mots aimables de la voisine, du facteur ou du chauffeur de bus. Dans vos rêves un peu fous vous me verrez à dos d’un chameau ou la poursuite d’un kangourou sauteur.

J’aurai un balai magique qui chassera vos cauchemars et en fera des fleurs dansantes.

Ayez moins de chagrin, et vivez intensément. Je serai votre petite princesse invisible, votre ange gardien, fanfaron mais plein de réconfort. Je serai avec vous, tout près pour Noël. Cherchez-moi entre les rois mages, je soignerai l’âne et le bœuf et litière. Quand Marie aura son petit, je lui chanterai mes plus jolies chansons. Et lorsqu’à minuit vous déposerez l’enfant dans la crèche, je serai moi-même un tout petit peu Jésus. »

Dédicacé à Laura et sa famille

De engel van terreur alarm niveau 4

De Syrische jongen draagt een bestofte Barça T-shirt met gescheurde mouw. Messi pronkt op de rug in gele letters. In de grote hal zitten de asielzoekers her en der verspreid. Een gesluierde vrouw tuurt door het raampje van een wasmachine naar de wilde dans van het schuimende water. Rond een tafel zit een paar man op klapstoeltjes de speelkaarten van een nieuwe deling te bestuderen. Schoppen troef. Een hoestend meisje test of de benen van haar pop in spagaat kunnen. Twee kleine jongens en een meisje rennen achter een bal aan die door Messi met een nonchalante hakbeweging wordt gecontroleerd.

De Lubbeekse kandidaten voor vrijwilligerswerk stromen druppelsgewijs binnen voor de info avond. Ik ben een van hen. De moeder van Messi roept naar de jongen, die Tarek blijkt te heten. Hij hoort het maar negeert haar. Gebiologeerd staart hij me aan, waardoor een andere jongen hem de bal onfutselt en in het lege denkbeeldige doel tegen de betonnen muur trapt. De keeper, een meisje van een jaar of vijf in een lang wit kleedje is opgeschrikt door al die vreemde mensen. Net voor de scoringskans is ze naar mama gespurt en heeft haar benen met beide armpjes omklemd.

‘You like Messi?’ probeer ik. En ook nog: ‘How old?’ Een stem achter me vertaalt. Tarek spreidt fier alle vingers van een hand en maakt een V-teken met de andere.

‘Seven. Waaw. Big boy.’ Ik moet denken aan toen ik zelf zeven was. Decennia geleden en toch alsof het gisteren was. Een juli ochtend in 1971, het was nog donker. ‘Ga je een grote jongen zijn?’ siste mama toen ik protesteerde omdat mijn twee en een half jaar oudere zus langs de raamkant mocht zitten. De Peugeot 504 was voor de kampeerreis naar Saint-Tropez helemaal volgestouwd, met als gevolg dat ik met zuslief twee lange rijdagen op minder dan een halve achterbank geprangd zou zitten. Zonder ruzie als het even kon.

Karel Spillebeen van 5B had op school beweerd dat Brigitte Bardot in Saint-Tropez soms over het strand liep. Helemaal in haar blootje had hij eraan toegevoegd, wat door ma met klem ontkend werd maar door pa bevestigd: ‘Omdat de golven daar wild kunnen zijn verliest ze soms haar bikini,’ had hij geknipoogd. Plots wist ik niet meer of ik in het water zou durven. Ik had nog maar pas mijn zwembrevet behaald. En om door het ganse strand uitgelachen te worden omdat ik mijn zwembroek was verloren had ik al helemaal geen zin.

Toen we Parijs naderden was het eindelijk licht geworden. Dan wist ik wat er ging komen: geworstel met weerbarstige wegenkaarten op de schoot, soms een vloek. Parijs had vele in- en uitgangen. Als je de verkeerde nam kwam je volgens pa uit aan de Atlantische Oceaan in plaats van aan de Middellandse Zee. Wanneer we eindelijk de juiste exit te pakken hadden, wat door een diepe zucht van pa kenbaar werd gemaakt, wachtte nog de grootste beproeving. Vierhonderd vijftig kilometer tot Lyon. Ik en mijn zus onbeweeglijk in ons kleine hok, vechtend tegen te frequente plasbeurten. Met de billen bloot op de pechstrook is voor een kind de grootste ondergang. Erdoor slapen was de beste strategie. Dan moest je niet en zat je plots weer honderd kilometer verder.

Het was al tegen Lyon aan toen het begon mis te lopen. De file ging voor geen meter vooruit, een op hol geslagen caravan zoals zou blijken.

‘Duurder of niet, ik had nog zo gezegd dat je beter aan die Shell getankt had,’ snauwde mama, waarop pa zweeg en zenuwachtig lonkte naar het wijzertje dat flirtte met het nulpunt.

‘En we hebben nog niet eens logement. Straks zit alles vol,’ strooide ze nog zout op de wonde.

‘Dan slaan we toch naast de autostrade onze tent op,’ zei pa op een rare toon.

‘Dat zie je van hier. Ga jij straks maar met de jerrycan benzine halen. Kilometers te voet als het moet.’ Ma slaakte een diepe zucht en keek door het zijraam naar een onbestemd punt in de verte. De schrik sloeg me om het hart. Wat als pa met zijn jerrycan de auto niet meer zou terugvinden? Wat als iedereen ons zou uitlachen als we onze tent vlak naast de autostrade moesten oprichten? Hopelijk was er minstens toch een bosje.

‘Leopardo!’ Mijn hart maakte sprongetjes. Ik had het altijd een gekke naam gevonden voor een engel.

‘Je bent niets te vroeg,’ zei ik tegen hem. Leopardo was de engel van de bange kinderen, dat herhaalde hij elke keer. Hij had me al vaker geholpen.

‘Je wordt nu echt te oud voor denkbeeldige vriendjes,’ had ma me onlangs op het hart gedrukt en dus sprak ik enkel nog op fluistertoon met hem. Vreemd dat niemand anders hem zag of hoorde.

‘Het gaat wel lukken,’ stelde Leopardo me gerust. De file schoof twintig meter op en kwam weer tot stilstand.

‘Het gaat wel lukken,’ herhaalde ik tegen pa en ma. Ze reageerden niet, dus zei ik het nog eens.

‘Zwijg en zit stil.’ Ik moest lachen omdat Leopardo papa nabootste en daarbij gekke bekken trok. Ik probeerde me serieus te houden maar dat was moeilijk met zijn fratsen. De wijzer stond al een heel eind in het rood gekleurde gedeelte. Er verscheen een bord. Nog tien kilometer tot de volgende pomp, een Fina. Leopardo was achter de auto gaan staan. Ik had me omgedraaid en keek gefascineerd door de achterruit naar zijn exploten. Hij showde me lachend zijn biceps die grappig opbolden en begon vervolgens op clowneske manier te duwen. Dat was zo hilarisch dat ik weer moest gniffelen. In de auto achter ons, een Renault met gele nummerplaat die een caravan voorttrok, wuifden ze lachend naar me terug. Zouden zij Leopardo ook zien?

Geloof het of niet, een halfuur laten viel de auto pardoes een paar meter voor de pomp stil. De opluchting bij papa en mama was enorm. We stapten uit. Ik zag hoe Leopardo enkele keren genoegzaam in zijn handen wreef en vlak voor hij glimlachend wegvloog met een grotesk lange vinger wees naar een klein opblaasbaar bootje in de Fina shop.

‘De kaart is vol,’ deed mama triomfantelijk nadat pa de benzine betaald had en zij de zegels op haar bijna volle spaarkaart bijgeplakt had. Toen daagde het me. Ik sleurde ma mee naar het bootje dat voor een volle kaart nog slechts een kleine opleg hoefde. Nu we gered waren profiteerde ik van de opperbeste stemming en haalde mijn slag thuis.

De rest van de reis verliep voorspoedig. Op de camping van de Plage de Pampelonne veroverden we een lommerrijke plek. Ik werd snel vriendjes met Frits van twee tenten verder, net als ik zeven en uit Amsterdam. We waren met zijn plastieken petanqueballen aan het spelen toen zijn vijf jaar oudere broer Gerrit met een duikbril op zijn kop en te grote zwemvinnen in zijn armen geklemd kwam aangerend.

‘Ik heb een inktvis gezien, ik heb een inktvis gezien,’ joelde hij. ‘Hij spoot voor mijn ogen de hele rimram leeg. De zee zag er zwart van.’

‘Dat kan niet,’ reageerde ik ongelovig.

‘Kan wel, kan wel,’ pochte Gerrit. Hij toonde een zwart plekje op zijn linkerarm en verdween eensklaps om zijn relaas te herhalen bij iedereen die het wou horen.

Toen we ’s namiddags naar het strand gingen was ik plots niet meer zo gretig om in het water te gaan. Pa had het Fina bootje met een paar krachtige stampen op de blaasbalg opgeblazen tot het helemaal bol stond.

‘Je kan nu zwemmen en dus mag je vanaf nu alleen gaan,’ schonk hij me onverwachts vertrouwen.

My beautiful picture

‘Wat ben je toch zwaar geworden,’ zei pa toen hij me in het bootje hees en afduwde in de rustige golven. Als de nieuwe koning van de Middellandse zee dobberde ik rond met mijn beentjes afhangend over de rand. Maar terwijl pa en ma op het strand een te lang werkjaar probeerden weg te slapen dreef ik stilaan af richting woeliger wordende zee. Ik twijfelde om uit het bootje te klauteren en terug te zwemmen. Wat als die glibberige inktvis plots zou opduiken en me zwart zou spuiten? Ik riep naar papa en mama op het strand. Ze hoorden het niet.

‘Inktvissen hebben ’s namiddags les,’ grapte de plots opgedaagde engel Leopardo. Hij zat in hurkzit op het water, vlak voor de boeg van mijn bootje. ‘Dan hebben ze al hun inkt nodig om op te schrijven wat de meester inktvis hen dicteert. En ik ben er ook nog altijd.’ Leopardo graaide met zijn armen in het water, diepte een ontiegelijk klein visje op en lanceerde het als een frisbee een golf of twintig verder. ‘Meer zit hier niet. Klim maar uit het bootje, leun met je buik op de rand en trappel met je voeten richting strand.’

‘Kan je me wat duwen zoals bij de auto?’ vroeg ik. Leopardo trok zijn onderlip overdreven naar beneden terwijl hij naar de hemel lonkte.

‘Wat zou ik zeggen? Dat je het alleen kan deze keer. Echt waar, je kan het. Je zal wel zien.’

‘Toe nou,’ probeerde ik nog terwijl ik al in het water gleed.

‘Jij was toch de koning van de Middellandse zee?’ jende hij. Ik trappelde met mijn beentjes het bootje voor me uit. Het werkte.

‘Ik laat je nu. Ik blijf hier nog wat rondhangen. Voor het geval een ander kind me nodig heeft.’

Op het strand kreeg ik een ijsje met pistache. Papa plaagde mama. Iets over de komst van Brigitte Bardot. Drie weken lang heeft ze nooit voorbij geparadeerd. Noch met, noch zonder bikini.

* * *

Vierenveertig jaar later, herfst 2015. Relaas van Tarek, de Syrische jongen:

‘Jij bent de koning van de Middellandse zee,’ probeert Leopardo me moed in te spreken. Het is twee uur geleden sinds we in het holst van de nacht van de Turkse kust met een opblaasboot vertrokken zijn. Van Kos nog steeds geen spoor. Met twintig zijn we. Ik hoorde pa nog protesteren: de boot zou maar goed voor zes zijn. Vlak voor de overtocht heb ik gezien hoe hij met lange tanden een hele stapel bankbiljetten gaf aan een onvriendelijke meneer, die ze gretig uit zijn handen griste. Naar Europa gaan kost veel geld. Hopelijk hebben we nog genoeg voor andere norse meneren. Is Europa nog ver? Ik weet het eigenlijk niet.

Ik ben nog steeds verbijsterd dat de kapitein ergens zomaar uit de boot gesprongen is en ons verweesd in de donkere nacht achterliet. Niemand van ons die kan zwemmen maar hij kon het als de beste. Even later werd hij onder luid protest door een motorbootje opgepikt. Toen het gebrom uitstierf in de verte restte ons alleen nog het klotsen van de woelige zee. Daar zijn we nu als makke prooien aan overgeleverd. Het water, aanvankelijk nog rustig, is de laatste minuten haar duivels aan het ontbinden. We zwalpen op en neer en van links naar rechts. Ondertussen slaan de golven als grijparmen over ons heen tot we helemaal doorweekt zijn. Pa zit op de rand op zo’n dikke opblaasworst, die door het gezamenlijke gewicht half onder water wordt geduwd. Ma die tegen papa zit aangeklemd, ik met mijn zusje Amira verscholen in mama’s schoot. Een vrouw tegenover ons blijft maar schreeuwen, waardoor alle kindjes beginnen te wenen en ik met hen. Leopardo verschijnt niets te laat. Hij is de engel van de bange kinderen, zegt hij telkens weer. Hij imiteert de schreeuwende vrouw met zoveel hysterische overdrijving dat mijn tranen overgaan in slappe lach.

‘Wat valt er te lachen?’ Pa verkoopt me een schijnoorveeg die in de lucht blijft hangen.

‘Laat hem,’ snauwt ma. ‘Dat komt door de spanning.’ Ik bewonder haar kalmte en haar kracht. Haar blik kan concurreren met die van een havik. Kan zij Kos al zien?

‘Het komt allemaal goed,’ herhaalt Leopardo. Niemand anders lijkt hem op te merken. Ik ben zo blij dat hij er is. De eerste keer was toen er in ons dorp een bom gevallen was, zomaar uit de lucht. Een muur van ons huisje was ingestort. Niemand gewond – we sliepen in een andere ruimte – maar zowat al ons speelgoed bedolven onder puin. Tot overmaat van ramp ook mijn truitje van Messi. Dat is de beste voetballer van de wereld. Gekregen van oma voor mijn verjaardag. Gelukkig heeft pa het kunnen redden, met de hulp van Leopardo. Zonder dat pa het besefte had de engel loodzware stenen helpen torsen. Om te redden wat er nog te redden viel. Sindsdien heb ik het truitje van Messi altijd aan. Een voetbalgod is tenslotte ook een god, en die kunnen je altijd helpen, net zoals Leopardo.

Er ontstaat paniek wanneer we water maken en het bootje dreigt te zinken. Ik zie hoe Leopardo in het water duikt. Mijn hart slaat een paar slagen over. Hij gaat toch niet zomaar verdwijnen zoals de kapitein? Niets is minder waar. Hij is onder het bootje door gezwommen en draagt het op zijn rug. Net voor de boeg steekt hij zijn hoofd boven water. Hij doet een grappige zwemslag en trappelt met zijn voeten. Ik voel dat we vooruit gaan.

‘Hij helpt ons! Leopardo helpt ons!’ roep ik.

‘’t Is goed jongen,’ zegt mama. Ze aait over mijn bol.

‘De kust!’ juicht mama een paar minuten later. Zij is de eerste die hem heeft gezien. Ik wist het: haviksogen. Doornat maar gelukkig gaan we aan land. Er staan vriendelijke mensen klaar met dekens. Ik kijk naar Leopardo, die het water van zijn vleugels schudt en afscheid wuivend terug de zee op gaat. Terwijl pa ons voortduwt draai ik me om en wuif terug.

Leopardo is sindsdien nog een paar keer verschenen. Zoals toen ons gezin in Macedonië gescheiden dreigde te geraken. Toen liet hij pardoes een jongeman struikelen en duwde een andere opzij, zodat we nog net samen een overvolle trein opraakten. Of bij de grens met Kroatië met die enge wachters te paard, of toen …

Uiteindelijk zijn we in België geraakt, in Lubbeek. Het is niet zoals in Syrië, maar het is ok. We hebben ons eigen huisje, een containerwoning noemen ze dat hier. Ik vind het wel cool, het is een beetje als kamperen. En vooral: er vallen hier geen bommen. Het is er veilig. Althans, dat dacht ik toch. Want deze week is het hier T alarm niveau 4. Ik mag het T woord niet meer uitspreken van pa. ‘Je bent nog te jong voor zo’n lelijke woorden,’ zegt hij. Ahmed, die zeker vijf jaar ouder is dan ik en het dus kan weten, beweert dat 4 het hoogste niveau is. Dan zijn er heel gemene mensen die met geweren over straat lopen en je zomaar kunnen neerschieten. ‘Ze zitten niet eens zo ver van hier,’ voegde hij er nog aan toe. Ik heb schrik, want uitgerekend vandaag komen er vreemde mensen. Nu ja, ze zijn van hier en komen om te helpen werd verteld. Maar die slechteriken van T alarm niveau 4 konden ook van hier zijn volgens Ahmed. Bij de mensen die binnenkomen zie ik een man van een jaar of vijftig met een zwarte rugzak. De bandieten verstoppen daar soms dingen in die kunnen ontploffen heeft Ahmed nog verteld. Ik verlies de bal aan Sayid, wat normaal gezien zelden gebeurt, en ik kijk verstijfd naar de man met de rugzak. Gelukkig komt Leopardo aangevlogen.

‘Ik ben de engel van T alarm niveau 4,’ lacht hij. ‘Een beschermengel. Een reddende engel, indien nodig.’

‘Nietwaar,’ zeg ik. ‘Jij bent de engel van de bange kinderen.’

‘Ook. Ik heb nu tijdelijk een duobaan. Of wil je niet dat ik een energieschild rond het gebouw optrek, zoals ik net gedaan heb? Ondoordringbaar voor gemene mensen.’

‘Ik heb schrik van die meneer.’

‘Weet ik. Heb je niet geluisterd naar wat ik net gezegd heb?’

‘Is die meneer niet gemeen dan?’

‘Totaal niet. Zijn enige wapen is een pen. Wist je dat hij zelfs schrijft over jou?’

‘Echt? Dat is cool.’

‘Ik ga nu maar. Je wordt een grote jongen. Gaandeweg zal je zelf je angsten overwinnen. Dan zal ik niet meer hoeven te verschijnen. Omdat een stukje van mij voor altijd in jou zal zitten. Je zal een man worden die zal handelen uit liefde. Niet uit angst, daar komt alleen maar herrie van. In liefde vind je de ware moed en kracht. Dan zal je zoals Messi recht op doel durven afgaan. En niet voor eeuwig blijven hangen in de verdediging of, erger nog, terugspelen op de keeper. Dan kan je nooit scoren, toch? Zo is het ook met het echte leven. Om echt te leven moet je je hart volgen en moedig zijn. Anders ben je al een beetje dood nog lang voor je oud zal zijn. Ga ervoor, Messi.’

Ik zet mijn zwarte rugzak op de grond. Tarek staart me niet langer aan. Hij verovert de bal op Sayid, slalomt rond hem en mij en schiet dan overhoeks in een denkbeeldige winkelhaak. Hij gooit zijn armen in de lucht en taxeert me met een brede glimlach en roept me iets toe in het Arabisch. Ik draai me om naar zijn moeder met een vragende blik.

‘Let maar niet op hem,’ zucht ze. ‘Hij slaat soms wartaal uit. De oorlog, weet je wel.’

‘Maar wat zei hij dan?’

‘O, niets bijzonders. Hij is zo gek van voetbal. Of je wou opschrijven dat hij later de nieuwe Messi wordt.’

Paradijs

P1020479 ‘Waarom heb je die mensen gedood?’ vroeg het lichtwezen. Nadat hij met genoegdoening had gekeken naar het bloedbad had de jongeman op het knopje van de bommengordel gedrukt. Zijn ziel was uit zijn lichaam gerukt geweest en vlak voor het lichtwezen abrupt tot stilstand gekomen.
‘Het waren ongelovigen,’ glunderde hij. ‘Alles voor het parad…’
‘Ongelovigen?’ onderbrak het lichtwezen hem vriendelijk doch kordaat. In de achtergrond vormden de zielen van de slachtoffers een lichtgevende, pulserende cirkel.
‘Ze geloofden in stoutmoedige dromen die ze met bravoure en hartstocht zouden najagen. Sommigen geloofden in de diepe ontroering wanneer ze hun baby voor de eerste keer liefdevol zouden kunnen omarmen. Anderen geloofden dan weer in hun vermogen om van deze aarde een betere plek te maken. Door een boom te planten, een vluchteling te helpen of simpelweg door een oude vrouw veilig over straat te escorteren. Eén jonge vrouw geloofde dat ze met haar gitaarsongs en haar fluwelen stem mensen zou raken tot in hun hart. Twee net afgestudeerde jongemannen geloofden dat ze later als Artsen Zonder Grenzen mensenlevens zouden redden in Afrika. Een zeventigjarige voormalig leraar geloofde dat hij met zijn verhalen vol wijsheid jongeren zou inspireren. Een postbode geloofde stellig dat de warme glimlach die hij mensen bezorgde altijd meer zou betekenen dan de brieven die hij op zijn ronde afleverde. Dit hadden ze gemeen: ze geloofden allemaal in de kracht van de liefde, in de stad van de liefde. Dat is precies waarom ze nu naar het paradijs gaan.’ Achter het lichtwezen vormden de zielen een feeërieke ketting. Ze vlogen weg op de rug van een adelaar, die met trage majestueuze vleugelslagen steeds hoger aan de hemel klom. De jongeman keek toe hoe ze uiteindelijk verdwenen in een verblindend licht. Het drong stilaan tot hem door dat hij niet mee zou kunnen.
‘Liefde dus,’ stamelde hij, en hij weende bittere tranen.

Opgedragen aan de slachtoffers van Parijs.

De ziel van Parijs

Eiffel

‘Onze strijd tegen het terrorisme zal meedogenloos zijn,’ zegt de Franse president. De volgende dagen zullen de kranten bol staan van verslaggeving over de Parijse aanslagen. Wie zijn die slechteriken precies, zal men zich afvragen. Zijn het teruggekeerde Syriëstrijders, westerse Isis sympathisanten of een ander zootje ongeregeld? Zit er een netwerk achter, een organisatie, een brein, een filosofie? Moeten we de grenzen sluiten, het leger inschakelen, sportevenementen verbieden, de noodtoestand uitroepen, het budget voor staatsveiligheid verdubbelen?

Wanneer de nieuwswaarde na een week of minder stilaan zal afnemen zal men terug overgaan tot de orde van de dag. Als het zo lang duurt. In het midden van een bericht over de aanslagen springt er een pop-up advertentie tevoorschijn: ‘Hoe u elk jaar wil profiteren van uw fiscaal voordeel via pensioensparen’, gevolgd door een banklogo. Boven een andere terreurduiding word ik ingelicht over een unieke afprijzing voor een 24-delige bestekset van Villeroy en Boch. De strijd van goed tegen kwaad is zo’n gretig leesvoer dat het marketingsgewijs misdadig zou zijn deze niet van reclameblokken te voorzien.

Hoe raak je als twintigjarige zo ver heen dat je op een dag besluit mensen te gaan neermaaien, vraag ik me wel eens af. De kans is groot dat deze jongens ooit schattige baby’s waren die temidden van lachende mensen welkom in de wereld werden geheten. Kinderen met een nog maagdelijke en lege harde schijf, door de verkeerde mensen geprogrammeerd. Adolescenten op zoek naar een identiteit en naar een toekomst, ingevuld door de lokroep naar valse heroïek.

‘Dit zijn de slechte en wij zij de goede,’ peperde iemand hen misschien dagelijks in, al dan niet zwaaiend met een dik boek waarin het grote gelijk volgens hen onomstotelijk te vinden is. Of misschien groeiden ze op in een milieu waarin marginaliteit hun toekomst langzaam maar zeker van alle rooskleurige perspectieven ontdeed. Een maatschappij waar pensioensparen een buitenaardse term is en een Villeroy en Boch bestekset, al dan niet afgeprijsd, een symbool van een wereld waarin je geld en kansen hebt, of ook niet. Misschien groeide hun frustratie tot een kookpunt, tot ze à point waren voor grijnzende haatpredikers met suikerspinbaarden. Of zoals de president van Senegal de ongelijkheid verwoordde na de top over de vluchtelingencrisis in Malta, waar Afrika een zak geld werd geboden om tienduizenden asielzoekers terug te nemen: ‘Dat zou allemaal niet nodig zijn als de westerse multinationals een eerlijke prijs – en taks – zouden betalen voor onze grondstoffen (lees: olie)’.

Europa is in de ogen van de halve wereld een Disneyland geworden waar iedereen een ticket voor wil bemachtigen. Een pretpark waar de attracties van feeërieke avondverlichting voorzien zijn, voor de ene slechts een kredietkaart transactie verwijderd, voor de andere voor altijd een ijsje, lekkerbekkend voor de mond gehouden en dan terug weggetrokken. Maar, en ten allen tijde: the show must go on. En dus meer prikkeldraadgrenzen, halve uitkleedpartijen op luchthavens, meer louche gesnuffel in onze computers en aanzwellende oorlogsretoriek van strijdvaardige politici.

In de zondagse wachtrij bij de bakker scrolt een ongeschoren man in trainingspak op zijn Samsung de laatste nieuwsberichtjes door. ‘Hier zie,’ begint hij ongevraagd een betoog. ‘Dat krijg je nu met die vluchtelingen. Je kon het van hier zien aankomen dat daar krapuul zou tussenzitten.’ Een vrouw met een ongeduldig trappelend kind aan haar zijde knikt instemmend, een bonkige man die een zak pistolets in ontvangst neemt haalt zijn schouders op.

‘Ze moesten ze allemaal terug op het eerste vliegtuig terug zetten,’ probeert hij opnieuw bijval te ontlokken.

‘Binnenkort komen er nog een paar honderd naar hier,’ trapt de verkoopster een open deur in. ‘Asielzoekers. Je mag er niet aan denken dat hier binnenkort zo’n bommengordel staat aan te schuiven.’ De man in trainingspak blaast hoorbaar lucht uit door zijn neusgaten.

‘Ik zal eens zeggen wat ze moeten doen,’ weet hij. ‘Een: deporteren die handel. Twee: het spel ginder plat bombarderen, burgers of niet. Korte metten zoals in de tweede wereldoorlog.’ Niemand reageert, de verkoopster plooit een taartdoos open en deponeert er zorvuldig een kriekentaart in.

Ik denk: natuurlijk zijn de aanslagen weerzinwekkend. Natuurlijk vallen moorden nooit goed te praten. Natuurlijk moeten we ons beschermen en daar het nodige voor doen. Maar als het enige antwoord een oudtestamentisch ‘oog om oog, tand om tand’ is dan zal de spiraal van geweld alleen maar toenemen. We hebben leiders nodig die meer vista tonen dan het inspelen op de volkswoede of het koketteren met meedogenloze weerwraak. De echte grinta bestaat erin te durven kijken wat de wereld nodig heeft om zoekgeraakte evenwichten, van welke aard ook, te herstellen. Voorbij de angst en het geweld. Dan alleen zal de stad van de liefde haar ware ziel kunnen herwinnen.

De laatste wens van Helmut Turnsek

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
Gebaseerd op een waargebeurd verhaal gepubliceerd in The Times van 9 November 2015.

11 juni 1939, Oostenrijk

‘Moet je echt weg mama?’ vroeg ik met besmuikte blik.

‘Ach, Helmut, jongen, binnen twee weken ben ik toch terug heb ik gezegd. Parijs ligt nu ook weer niet aan de andere kant van de wereld. Mag ik je er bovendien op wijzen dat je al acht bent. Da’s een leeftijd waarop ik verwacht dat je een grote flinke jongen bent. Als ik jou was zou ik dus ophouden met dat gezeur, anders breng ik geen cadeautje voor je mee.’

‘Cadeautje? Ik had veel liever gehad dat Franz hier bleef. Waarom mama? In godsnaam, waarom?’ Buiten claxonneerde de wagen die mama en Franz kwam ophalen. Ik begon te huilen. Franz was mijn beste speelkameraad, mijn enige. Ik was verbijsterd dat hij nota bene door mijn eigen moeder werd meegenomen. Kon mevrouw Leichter dat niet zelf? Moeders taak was enkel haar huishouden te beredderen, toch? Niet meer en niet minder.

‘Er zijn daarbuiten slechte mensen. Die willen Franz en Frau Leichter kwaad, dat heb ik je toch al duizend keer verteld.’

‘Nogmaals duizendmaal dank, Maria.’ Frau Leichter legde een hand op mama’s schouder om haar woorden kracht bij te zetten. Ik had ook wel gezien dat er iets scheelde met de Joden. Ze waren heel de tijd angstig en er waren dingen die ze niet meer mochten, maar ik wist niet goed waarom. Ik begreep niet waarom Franz voor die rare pesterijen weg moest en waarom Frau Leichter bleef. Ik omklemde mama met grijpende armpjes, ze tilde me een laatste keer op voor een moederzoen.

‘Wat ben je zwaar geworden, Helmut. Beloof me dat je flink zult zijn.’ Het was het laatste wat ze tegen me zei. Ik knikte met een zwaar gemoed. Ze plantte me terug neer en trok de wenende Franz mee naar de zwarte Ford. Franz rukte zich nog één keer los en liep terug voor een laatste omhelzing van Frau Leichter. ‘Ga nu maar, mijn jongen,’ aaide ze hem over de bol terwijl ze zich sterker hield dan ze was. Toen richtte Franz zich tot mij. ‘Tot binnenkort gladiator,’ stotterde hij. We hadden de dag tevoren nog de Romeinen tegen de Grieken gespeeld. Hij kneep zo stevig in mijn hand dat de pijn tot aan mijn elleboog doorschoot. ‘En toch winnen de Romeinen,’ pochte ik. Toen klom hij in de wagen. Ik liep de sputterende Ford nog een eindje achterna. Ik zag hoe mama en Franz vanachter de bedampte achterruit wuifden tot ze uit het zicht verdwenen. Ik had geen idee dat ik moeder negen en Franz pas vijfenzeventig jaar later terug zou zien.

20 april 2014, Londen

Straks komt hij. Franz. Uit New York, hij schijnt er een succesvol leven opgebouwd te hebben. Ik sta stijf van de zenuwen. Hoe lang is dat geleden? Vijfenzeventig jaar? We waren nog kwajongens. We worstelden buiten in het gras als jonge katjes – ik won meestal – zodat onze mama’s diep zuchtten bij de zoveelste vuile broek. We stampten balletjes met de ruimte tussen twee azalea’s als doel, als de bal zoals zo vaak niet belandde in de tuin van weduwe Nüssbaum, die hem pas terugsmeet op voorwaarde dat we haar en haar immer kwetterende parkiet met een bezoekje vereerden.

Het vliegtuig van Franz, een Boeing Dreamliner mailde hij, zou twee uur geleden moeten geland zijn. Dromen heb ik niet meer. Maar ik ben gelukkig dat de kanker me dit nog gunt, ook al heeft hij me in een dodelijke greep. Een paar maand, meer heb ik niet meer volgens de witte jassen. Het laatste moment met Franz kleeft op mijn netvlies. Als in een dramatische filmscène zie ik de Ford nog elke dag om de hoek verdwijnen.

Het heeft lang geduurd voor ik het allemaal begreep. Hoe mama was ingegaan op het idee van Frau Leichter om haar zoon in veiligheid te brengen. En dat simpelweg door te doen alsof ik het was, haar eigen zoon, ook al leken we niet eens zo hard op elkaar. We waren exact even groot toen, dat wel, zodat geen van ons beide een voordeel bij het worstelen had.

Het plannetje lukte. Franz afgezet in Parijs, tussenstop voor Amerika dat hij met de nodige dosis geluk bereikte. Het grote New York, hij alvast in veiligheid. Voor mama liep het mis op het moment dat ze wou terugkeren naar Oostenrijk. Iemand had het plannetje doorzien, iemand had mama verraden. Wellicht die lafaard van drie huizen verder, die steeds vanachter zijn vuile gordijn alles in de gaten hield, hoe heette die ook alweer? Mama kon niet meer terug en vluchtte naar Engeland. Wie weet was ze anders wel zoals Frau Leichter in zo’n kamp beland. Frau Leichter werd gedeporteerd naar Ravensbrück en stierf er in 1942. En ik, ik bleef verweesd achter in Oostenrijk, letterlijk. Tot haar verdwijning nog onder de hoede van Frau Leichter. Wat volgde waren jaren van wanhoop in weeshuizen allerhande. Ik probeerde er het beste van te maken, ik had immers beloofd om flink te zijn tot mama’s terugkeer. Maar elke nacht huilde ik onder de lakens mezelf stilletjes in slaap. Via het Rode Kruis konden we berichtjes uitwisselen, 25 woorden om de 6 maand. Meer kon niet, omwille van de veiligheid werd er verteld. Dat ze van me hield en dat we mekaar zouden terugzien, dat stond er elke keer in. Zo hield ik het vol. Die paar woorden op een verkreukeld vodje papier waren mijn zoete levenslijn.

Toch lukte het pas in 1948 om met mama herenigd te raken. Mijn hart klopte in mijn keel toen de trein puffend St. Pancras station in Londen binnenreed en ik aan het begin van het perron mama spotte. Hoe ze naar me toeliep en ik naar haar. Vlak voor we mekaar troffen stopten we abrupt, keken elkaar een seconde ongelovig aan en gaven ons toen over aan de gulzige omhelzing die ons negen lange jaren lang was ontzegd. We hebben nog gelukkige jaren gekend samen. Maar iets in haar was gebroken, ik kon het niet exact benoemen. Ze was niet meer dezelfde, zou het nooit meer worden. Acht jaar later stierf ze aan een hart dat nooit gelijmd raakte.

Helmut was ik al helemaal uit het oog verloren, ik had geen idee waar hij zich bevond, wat hij uitrichtte. Het is dankzij Anne Mossack, de maatschappelijke werkster die helpt mijn oude zieke knoken nog even aan de gang te houden, dat ik hem terug op het spoor gekomen ben. En nu kan hij hier elk moment binnenvallen. Er stopt een taxi, ik hoor de deur. Hij is het, Franz, hij is het echt. Dit wordt de laatste grote emotie van mijn leven, dat voel ik in elke vezel van mijn aftakelende lijf.

‘Je ziet er goed uit,’ liegt hij. We vallen elkaar in de armen en praten honderduit. Hij lijkt zo veranderd, dat kan niet anders, en toch herken ik nog die guitige sprankel in zijn blik. We halen anekdotes boven uit de oude doos en drinken een Brandy. Toen durfde ik het vragen.

‘Zou je nog één ding voor me kunnen doen, Franz?’

‘Om het even wat ouwe gabber. Ik ben jouw moeder en jou niet alleen diepe erkentelijkheid verschuldigd, maar mijn ganse leven.’

‘Of je ervoor kan zorgen dat mama voor haar heldendaad finaal nog de erkenning zal krijgen die ze verdient. Officieel bedoel ik. Ik ben te oud en te ziek voor die dingen, weet je. Zie het als mijn laatste wens.’

‘Maak je maar geen zorgen, Helmut. Ik zal er alles voor doen. Het komt in orde.’ Hij zegt het met een zelfverzekerde blik in zijn ogen en ik geloof hem. Ik voel een diepe rust over me heen komen. Het is gebeurd, mama, de erkenning voor je heldendaad, voor je zielepijn. Ik kom eraan.

Helmut stierf een week later. Zestig jaar na haar dood zal Maria Turnsek de titel van “Righteous among the Nations” ontvangen, volgende week in Londen. Deze titel wordt uitgereikt door Yad Vashem, het holocaust centrum in Israël, en dit aan niet-Joden die hun leven riskeerden tijdens WOII om Joden te redden uit de klauwen van de Nazi’s. Daarmee neemt Maria Turnsek officieel plaats tussen beroemdheden als Oscar Schindler en Raoul Wallenberg.

50+ zonder Harley Davidson

JumpLarge

Voor iedereen bestaat een label. Een definitie van wie je bent of behoort te zijn. Bij twijfel hierrond vinden we redding in het zogenaamde rolmodel. Op televisie spot ik een hippe vijftiger die wuivend met zijn nog glanzend zwarte haren doorheen een reclamespot dartelt. Een andere dist gevatte quotes op in een laatavond show. Ook James Bond wordt een jaartje ouder. Vijftig, maar hij draait de stoute blondines nog sneller om zijn vinger dan de jonge Sean Connery. Iets met sexy grijze manen. Zo zit het dus: dit kapsel behoor ik te hebben, zo moet ik vrouwen benaderen, dat is de juiste carrière move, belegging of ochtenddeo.

Eerste constatatie: voor vrouwen is de menukaart veel uitgebreider dan voor mannen. Hun stijlcontouren zijn precies omlijnd. Relatie issues en moederschap zijn voorzien van stappenplannen en gespecialiseerde columnistes. Ik kijk jaloers naar het stapeltje vrouwenboeken in de boekhandel: ‘De ontembare vrouw’, ‘Vrouwenpower’, ‘De pelgrimstocht op hoge hakken’, ‘Het Borsten boek’, ‘Haar orgasme boek’ of ‘Dansen in de hemel’. In paniek zoek ik naar mijn rayon. Boeken voor mannen. Als het even kan voor vijftigers.

‘Mannenboeken?’ De verkoopster kijkt me aan alsof ik van Mars kom. Een geluk bij een ongeluk zo blijkt want er is een boek waarin mannen ook daadwerkelijk vandaar afkomstig zijn. Haar te lange roodgelakte nagels veroorzaken een staccato getik bij het scrollen naar nog meer titels.

‘Ha, hier nog iets: De terugkeer van de koning.’ De verkoopster kijkt me aan alsof ik moet gered worden van een gewisse ondergang.

‘Wel op bestelling. Of wacht ‘ns even, er zou nog een exemplaar in voorraad moeten zijn.’ Ik tsjok achter een wuivend rokje aan, de zoektocht naar de identiteit van de vijftiger in handen van een nonchalante jonge deerne.

‘O hier zat het. Niet echt op zijn plek. Ja, waar steek je nu zoiets?’

Ik trek huiswaarts met de koning, mijn eerste identiteitsduiding binnen handbereik. Fier als een gieter deponeer ik de royale titel naast de weelderige stapel van mijn vrouw. Geboeid begin ik te lezen over mijn nakende koningschap. De afgunst blijft. Ik wil net als vrouwen bedolven worden onder een compleet gamma aan sexy labels. Ik wil net als haar kunnen grasduinen in magazines en mogen twijfelen tot welke categorie ik wil behoren. Er oeverloos bij een glas wijn gedachten over wisselen met seksegenoten. Er nachtenlang van wakker liggen om dan badend in het zweet wakker te worden na een vreemde droom: ‘Zou ik echt een koning kunnen zijn?’.

Mannen moeten het met minder doen. Veel minder. Nu en dan een nieuwe trend. De laatste die ik hoorde was de metro seksueel en ook deze is alweer passé. Sowieso een label met een vervaldatum, geen vijftiger die zich zoals David Beckham nog durft te showen in een slip van H&M, de stoere bobbel strak in het design. Ik verdiep me verder in de voorbereiding voor mijn koningschap. Eindelijk bots ik dan toch op een menuutje. De koning is immers niet alleen, in zijn gezelschap figureren de wildeman, de magiër, de krijger, de minnaar, en zelfs de heilige. Ik raak alsnog in de war, wat me hoopvol stemt.

Ik leg het boek opzij en besluit persoonlijk onderzoek te doen. Geen vijftiger die aan mijn research zal ontsnappen. Ik ga hem opmeten, zijn gebaren gadeslaan, pulken aan zijn snor, observeren hoe hij spreekt, hoe hij lacht. Lacht hij nog überhaupt? Welke zonnebril draagt hij, welke wagen onder zijn kont? Doet hij aan duursport of mikt hij op café met dartspijltjes? Worstelt hij met vrouwen, hangen ze aan zijn lippen, misschien zelfs nog wat meer? Heeft hij een pensioenplan, extralegale voordelen, een beleggingsadviseur? Bedrijft hij de liefde met of zonder pilletjes, gadgets uit lichtschuwende brochures? Is hij succesvol, een loser, of iets daartussenin?

De wachtrij op zondag bij de bakker is de eerste steekproef voor mijn nog prille onderzoek. Ik zie hoe een Jeep Cherokee voor de winkel parkeert. Niet zonder enige moeite klimt een man uit de auto waarvan de rimpels vijftig en een beetje doen vermoeden. Hij draagt een short met cowboygesp en een ruitjeshemd dat er niet echt bijpast. Met een vlotte beweging scharniert hij een donkere zonnebril tot boven op zijn kalende hoofd. Een bosje sleutels rammelt in zijn handen. Na een druk op de knop kijkt hij achteloos achterom naar de knipperlichten die twee seconden tot leven komen. Achter in de jeep een herdershond die zenuwachtig rondjes draait.

Nu hij in de wachtrij heeft plaatsgenomen beginnen nog meer details zich te onthullen. Een aankomend buikje, het equivalent van een vrouw, vijf maand ver. Hij maakt geen contact voor een praatje over het goede weer. Nochtans altijd een geschikte openingszin bij de bakker. Uit zijn zak floept een smartphone waar zijn vinger neurotisch over scrolt. Hij leest een krantenberichtje, een wedstrijdverslag of zo. 2 – 0 voor Anderlecht. Daarna checkt hij zijn mailbox. Niets nieuws, wat hem enigszins ontgoochelt. Plots een ringtone die lijkt op het gerinkel van een antieke telefoon. Dat is tegenwoordig in. ‘Ja, ik breng nog 3 extra croissants mee.’

Voor mij in de rij wordt mijn aandacht nu getrokken door een andere vijftiger. Hij is per mountainbike, aan zijn trainingsbroek hangen streepjes modder. T-shirt met opschrift ‘I love NY’. Geen gadgets tot dusver, of toch: een hartslagmeter. Hij grist een flyer mee van een concert van Hortus Musicalis. Ze brengen binnenkort Carmina Burana. De Tibetaanse klankschaal introductie laat hij liggen. Hij propt een zak met pistolets in zijn rugzakje en maakt ondertussen een flauw grapje tegen de verkoopster. Iets over een politicus die onlangs een slagroomtaart in het gezicht kreeg. Hij betaalt gepast tot op de centiem, graait bij het buitengaan alsnog een klankschaalfolder mee. Dit zijn dus vijftigers, maar wie is representatief? De succesvolle gezette zakenman in zijn technologische cocon of de sportievere en ietwat socialere versie die klassiek gaat, met optie voor alternatief?

Tijd om het internet in te schakelen. Wat weet Google over vijftigers? Bingo, een sexy label pronkt meteen tussen de hits. Mijn vreugde is van korte duur want de ‘wifty’ blijkt een vrouwenclub (‘woman in their fifties’). Geen ‘mifty’ the bespeuren. Beter van niet, het klinkt als de naam van een dwergkonijn of een knuffelbare Disney held. Mannen van vijftig op zoek naar een identiteit zijn best flexibel, binnen bepaalde grenzen.

Net op het moment dat ik de laptop bijna dichtklap zie ik tussen de Google hits iets over een magazine voor vijftigers. Het heet Plus Magazine en mikt op een doelpubliek tussen 50 en 64. Snel even over en weer naar het krantenwinkeltje in het dorp. Ik kijk genoegzaam naar mijn buit, een eigen magazine waar veertigers en dertigers alleen maar jaloers naar kunnen lonken. Ik haal een blikje Jupiler uit de koelkast. Milieubewust als ik ben probeer ik alle nodeloze verpakkingen te vermijden. Dit is de zonde die ik me alsnog permitteer. Het is een ritueel: het koele blikje voelen in de handpalm, genieten van het klakkend geluid van het lipje wanneer je het stoer opentrekt en dan het water in de mond voelen komen wanneer een beetje bierschuim traag maar beslist uit het blik te voorschijn kruipt. Het voorspel is alles, bij elke slok erna tuimelt het genot gradueel omlaag. Ik geniet van de eerste teug, zet het blikje neer en neem het magazine met beide handen beet.

Op de cover prijkt een lachende dame die vijftig lijkt en ook weer niet. Haar lippen hebben een felle roze teint, ze heeft marineblauwe ogen en haar wenkbrauwen zijn geëpileerd met chirurgische precisie. Haar linkerhand rust nonchalant en poseerderig tegen haar hoofd, ze draagt een pluizige pullover in gebroken wit waaruit haar ranke nek naadloos oprijst. Geen rimpeltje te bespeuren, zelfs geen begin van een flets walletje onder de ogen. Ik vraag me af of dit niet gewoon de Flair is, met een andere titel overplakt. Ik sla de cover om en zie hoe de eveneens rimpelloze hoofdredactrice me op pagina drie ontwapenend toelacht. Ze draagt een oranje hemd waarvan twee knopjes voorzichtig losstaan zodat een bescheiden décolleteetje het daglicht ziet. In haar editoriaal is het thema metamorfose. Meer bepaald een make-over van je huis. Hoe je oude meubels of decoraties best eens wegflikkert of, nog veel beter volgens haar, je het ganse huis een frisse beurt kan geven. Totaalrenovatie is het codewoord.

Op de achterkant van de cover en tegenover de hoofdredactrice maakt een andere dame publiciteit voor een gezichtscrème. Zowel Day als Night inzetbaar. ‘Voel je jong en straal het uit’ is de marketing leuze waarop een gans team ambitieuze jongelieden maandenlang heeft zitten broeden. Na het opsommen van enkele exclusieve ingrediënten kom ik te weten dat deze crème de oorzaken van ouderdomsvlekjes aanpakt. Dat mijn huid er steviger en gladder van zal worden. En dan een instinker: ‘Mooi ben je op elke leeftijd, ook de jouwe.’ Vrij vertaald: als je vijftig wordt en je wil er een beetje mooi en rimpelloos blijven uitzien kan je best industriële hoeveelheden van onze crème bestellen. Stante pede. Bij een grondige make-over van het huis zou het niet passen om zelf met een aftakelende façade achter te blijven. Dat zou niet staan tijdens de housewarming party van het nieuwe interieur.

Drie pagina’s ver en het enige wat ik al geleerd heb is dat een trio vrouwen me aanraadt elk uiterlijk kenmerk van 50+ zo snel mogelijk te counteren. En dat ik best mijn portefeuille royaal opentrek om me te ontdoen van Ikea-meubels en afblekende gordijnen. Snel even doorfietsen naar de inhoudstafel. Het kan alleen maar beter worden. Misschien staan er ook wel dingen in voor de mannelijke vijftiger. Via een studie van zijn interesses kom ik beslist weer een stapje dichter bij een definitie van zijn identiteit.

In de rubriek ‘Recht’ vind ik artikels over verzekeringen, beleggingen en burgerlijk recht. Financiën, het is alleszins een thema waar de man des huizes altijd zijn zegje in wil doen. En een geïnformeerde man is er twee waard. Ik leer dat 95% van de 50-plussers een familiale verzekering heeft. En dat van de overige 5% er 7 op 10 zijn verzekering heeft opgezegd omdat hij/zij er het nut niet meer van inzag.

Toegegeven, mijn relatie met verzekeringen is redelijk banaal. De noodzakelijke dingen, klaar. Maar wat is noodzakelijk? Een paar jaar terug is er een storm. De wind steekt almaar feller op. Ik kijk uit het raam naar de garage. Die staat een paar meter van het huis verwijderd. De garage heeft een V-vormig dak met shingles, een soort kunststof flappen met een grindlaagje die op het hout genageld zijn. Ik zie hoe een rukwind een shingle aan de rand van het dak optilt en losrukt. Hij wordt meteen over het dak richting buren gekatapulteerd. Dan gaat het plots snel. De ene na de andere scheurt door de nagels heen en veroorzaakt een lawine aan rondvliegende shingles. Het had kunnen dienen voor een scène uit Kill Bill waarin de heldin op miraculeuze wijze messcherpe projectielen ontwijkt, door slechteriken vakkundig in haar richting gelanceerd.

Als de storm is gaan liggen bel ik aan bij de buurman. Of hij schade heeft? Ik raap de shingles op die her en der verweesd in zijn tuin liggen. Twee op de bodem van zijn vijver, waarin Koi-karpers zenmatig rondzwemmen alsof er niets gebeurd is. In een balk aan het terras zit een diepe snee.

‘Het was alsof er messen door de tuin vlogen,’ vertelt de buurman nog met enige opwinding. Hij heeft het spektakel vanop de eerste rij gezien.

‘De koi’s lijken ok. Ze moeten de zinkende projectielen tijdig ontweken hebben.’

‘Dure vissen?’ vraag ik nieuwsgierig.

‘Ja, dat loopt snel op. Hangt af van hun kleurpatroon. Op beurzen gaan ze honderden euro’s per stuk. Soms nog meer.’

‘Maak je geen zorgen. Ik ben verzekerd,’ bluf ik. ‘Moest er toch iets zijn.’

Ben ik verzekerd? Thuis kijk ik het snel even na en ook de makelaar bevestigt. Het zit in de standaard verzekering. Het is het moment dat ik zweer me nooit nog bijkomende verzekeringen te laten aanpraten. Want als ik standaard verzekerd ben tegen de mogelijke onthoofding van de koi karpers van mijn buurman, dan lijkt het me dat elke extra verzekering uitblinkt in overbodigheid.

Zo verduidelijkt het artikel ook dat wanneer ik met mijn fiets op een auto knal de familiale verzekering de schade aan de auto zal vergoeden. Dat zou toch het laatste van mijn zorgen zijn wanneer ik met een hersenschudding en drie gebroken ribben in het hospitaal beland. En gezien het naar XL neigende wagenpark vraag ik me af of ik überhaupt nog kan botsen met een wagen eerder dan eronder te verdwijnen, ergens kermend tussen uitlaatpijp en aandrijfas. Nog even en ik kan er gewoon onder door fietsen. Familiale?

Ik blader door en wissel mijn roekeloze omgang met een prettig verzekerd bestaan in voor de gezondheidsrubriek. Hoe je van slaappillen kan afraken. Werkt namelijk verslavend. Het artikel neemt meteen de koe bij de horens door een getuigenis van een man op te voeren. Slaagt er maar moeilijk in om van die dingen af te raken. Stress weet je wel, zo is het begonnen. Nadien volgt duiding van een specialist en een resem bullet points met tips. Om te besluiten het getuigenis van een vrouw die er mits wat doorzettingsvermogen een punt achter heeft gezet. ‘Want als je echt wil kan je best heel veel,’ vertelt ze fier. In tegenstelling tot de man heeft zij wel een foto waarop ze flink glimlacht en straalt. Het zelfbeeld van de mannelijke vijftiger krijgt alweer een nieuwe deuk.

Bij de man blijkt het een hopeloze zaak om zijn uiterlijk op peil te houden, nergens vind ik exemplaren die poseren met nachtcrèmes of komkommerschijfjes. Ze worden bovendien een beetje lomp en verzekeren zich best tegen valpartijen in de eerste sneeuw. Tegen het met fiets en al verdwijnen onder SUV’s en tegen onthoofding van koi karpers door rondvliegende garage shingles. Door de stress slikt hij wel eens iets waar hij nadien wegens gebrek aan karakter niet meer vanaf raakt. En als klap op de vuurpijl best alles twee keer herhalen tegen hem: tegenover het slaappil artikel maakt een ernstig kijkende man reclame voor hoortoestellen. Grossiert in rimpels bovendien.

Koortsachtig zoek ik verder naar iets uplifting voor de mannelijk vijftigplusser. Een beleggingstip dan maar: investeren in garages. Die zijn er namelijk te weinig in de steden. Als je er een koopt kan je er lekker veel huurgeld voor aftroggelen bij de iets minder gefortuneerde medemens. Toegegeven, je geld parkeren in garages is een betere optie dan het te verstoppen onder de matras. Wij mannen hoeven het toch al niet uit te geven aan gezichtscrèmes en de laatste lentemode. Volgende pagina.

Yes! Eindelijk! Plus Magazine: alles is vergeven. Een man van 53 met een flinke bos zwart haar poseert fier met een elektrische gitaar. Hij heeft een Status Quo tribuut band opgericht, treedt tientallen keer op per jaar. En laat nu net Status Quo mijn favoriete band zijn toen ik zestien was. Hoe we met klasgenoten in een achterlokaaltje naast de refter op vrijdagmiddag vinylschijven mochten beluisteren. Hoe we stiekem op de banken sprongen en luchtgitaar speelden bij de lange intro van ‘Whatever you want’. Hoe we headbangden tijdens ‘Get down deeper and down. Down down deeper and down ‘. Deze vijftiger redt in zijn eentje de tot nu toe weinig rooskleurige mannelijke 50+ identiteit.

Plus Magazine presenteert een interessante staalkaart van wat de vijftigplusser bezighoudt. Of toch een meer dan behoorlijk en kapitaalkrachtig deel ervan. Ergens verscholen in het magazine vind ik publiciteit voor de 50+ Zenith beurs, zowaar net bezig. Onmiddellijk verander ik mijn plannen voor de namiddag, verzin een smoesje om onder een afspraak uit te komen. Nog geen uur later sta ik op de Heizel. Vijftig is de enige leeftijd die haar eigen beurs kan claimen. Het kan niet anders dan dat de identiteit van de vijftiger hier verder te achterhalen valt. Op een beurs weten ze precies hoe een doelpubliek eruit ziet. Hoe ze lachen, hoe ze ruiken, hoe ze rijden, hoe ze eten, hoe ze vrijen en vooral hoe ze verleid kunnen worden met vernuftige marketing strategieën. Dit is het hol van de leeuw.

De drie thema’s van de beurs geven meteen een schat aan informatie over de vijftiger: leef, zorg, geniet. Onder ‘leef’ staat als subtitel ‘zich goed voelen, een verzekerde toekomst’, met verzekerd in drukletters. Ik leer dat het leven van de vijftiger zich best nestelt onder de hoede van banken en verzekeringen, tweede verblijven en testament.be. Het ideale scenario is dat ik zo snel mogelijk mijn financiële schaapjes op het droge haal. En daarna ergens in een stulpje aan zee uitzoeken hoe ik alles zo taxvrij mogelijk zal kunnen overdragen aan de volgende generatie. Als ik me tussen de ‘leef’ standhouders begeef breekt het angstzweet me uit. Ik krijg visioenen van gladde verkopers die plots van bovenop hun stand enorme fuiken uitgooien. Hoe ze hun doelgroep en vooral hun geldbeugel met vereende krachten trachten binnen te lijnen. Maar nood breekt wet, ook al word ik loslopend wild tussen kwijlende jagers.

Testament.be heeft bijna een derde van zaal 3 geconfisqueerd. Elk goed doel heeft een hokje waar een vrijwilliger geduldig wacht. Meer bepaald op een genereuze passant die bij zijn dood geld veil heeft voor de bescherming van Afghaanse windhonden, voor onderzoek naar kanker, reuma of Alzheimer, voor Spullenhulp, een Salvatoriaanse hulpactie of voor Think Pink. Onder vijftigplussers is er een groot en veelal onzichtbaar leger vrijwilligers dat zich inzet voor goede doelen. Noem het de nieuwe zingeving.

De zorgsectie is een medaille met twee kanten. Voor zij die er nood aan hebben is het fijn om te weten wat er allemaal bestaat. Alle anderen vragen zich af of dit een voorproefje is van wat hen later te wachten staat: een badrandbeugel om veilig in en uit bad te stappen, incontinentiemateriaal voor als het onderaan begint te lekken, op maat gemaakte hoorapparaten. Op een stand kan je alvast laten checken hoe het zit met je gehoor.

‘Dag meneer, even een korte test doen?’ Nog voor ik kan antwoorden voel ik een hoofdtelefoon op mijn hoofd neerplanten. Ik moet op knopjes drukken telkens ik links of rechts een pieptoon hoor.

‘Ok meneer, even kijken naar het grafiekje. Het rolt zo uit de printer.’

‘Hmm, ziet er niet slecht uit,’ zegt het maatpak met een zweem van ontgoocheling.

‘Hier een folder voor moest je ons nodig hebben. Mensen horen het niet graag maar vijftig is nu eenmaal het startschot voor de aftakeling van lijf en leden. Men moet daar niet flauw over doen. Je goed voorbereiden is niets om je over te schamen.’

Ik laat de folder in mijn plastic zakje vallen en haast me naar zaal 2, waar ‘genieten’ het thema is. In de inkomhal naar de zaal is er een stand die inspeelt op de vijftigers die zijn blijven hangen in de sixties en seventies. Er staan twee flipperkasten. Ik lanceer een balletje en luister extatisch naar de kletterende geluidjes telkens de bal een obstakel raakt. Alleen de puntenteller is enigszins ontgoochelend wegens digitaal. De standhouder komt een kijkje nemen.

‘Gaaf hé. Vandaag al vijf verkocht. Zo’n ding in huis, pure nostalgie. Pas op, technisch een hoogstaand product hoor. Uren plezier. Kan je altijd ook mee scoren wanneer je bezoek hebt.’

‘Maar een digitale teller,’ werp ik op. De rechter wenkbrauw van de verkoper gaat de hoogte in.

‘O je bedoelt die mechanische trommeltellers van vroeger?’

‘Inderdaad. Degene die zo tingtingting’ deden telkens de score opliep.’

‘Ho maar, deze doet heus ook tingtingting’.

‘Dat heb ik dan gemist.’ De verkoper zet zich achter de flipperkast en trekt een nieuwe bal op gang. Terwijl hij de bal een paar keer met zijn flippers in alle richtingen katapulteert wijst hij voortdurend naar de teller.

‘Hoor je het niet? Wacht even… nu. Nu deed ie het weer.’ Ik hoor iets dat vaag lijkt op een doffe ting.

‘Trouwens, niks dan problemen met die mechanische tellers. Gaan veel te snel stuk. Ik lever alleen kwaliteit. Zoals die Würlitzer daar.’ Hij wijst naar een jukebox die ritmisch in felle kleuren oplicht.

‘Vandaag al twee verkocht. Bestaan ook voor CDs tegenwoordig. Zelfs de USB stick kan erop.’

‘Niet echt zo retro meer dus,’ probeer ik de man stilaan af te wimpelen. Hij schuifelt wat onhandig op zijn Ambiorix-schoenen en ziet hoe een andere man met een zwarte leren vest de flipperkast uitprobeert. Hij laat me staan en stevent er onmiddellijk op af.

‘Prachtig toch zo’n flipperkast. Vandaag al zes verkocht. Ziet je ’t al in huis, pure nostalgie.’ Ik vlucht weg en besluit de volgende stands voorzichtiger aan te snijden. Ik stap pal rechtdoor op veilige afstand van de standtogen. Vanuit mijn ooghoeken kijk ik naar een kalfslederen fauteuil met ingebouwde champagnebar. Ik negeer vakkundig de werving van nieuwe leden voor de scrabble club, koop geen bamboe hut voor een tropisch tuingevoel en mis de inscheping voor een afgeprijsde cruise langs Noorse fjorden. Ik ga ook geen Dode zee producten smeren, al moet het zowat de enige stand zijn waarbij de dood toch veel aantrek heeft bij de passanten. Ertegenover besluit ik me evenmin te interesseren voor infraroodcabines als alternatief voor een tweede woonst in Benidorm.

Wat doe ik hier? Ik voel de rest van mijn leven plots gereduceerd worden tot een comfortabele maar enigszins bezorgde rit. Hopen op het zo lang mogelijk uitblijven van haperende mechaniek. Kwalen met dreigende namen. En ondertussen: luxueuze bezigheidstherapieën, voor zij bij wie de bankrekening rijkelijk gespekt is. Is dit het?

Ik rijd terug naar huis terwijl het onophoudelijk begint te regenen. Als laatste redplank besluit ik de eigen genen te onderzoeken. Weg met het marktonderzoek, het wordt een gepersonaliseerd label. Misschien heeft mijn definitie altijd diep in mij verscholen gezeten. Op vijftig is ze rijp voor ontcijfering, mijn persoonlijke Da Fifty Code. Pa was ingenieur, techniek gleed door zijn vingers als gewillige boetseerklei. Alles deed wat hij wilde dat het deed. In zijn ogen hangt het heimwee naar de wonderjaren toen televisies, stofzuigers en automotoren nog vlotjes demonteerbaar waren. Sinds de yanks zijn dorp in WOII bevrijd hebben zijn de Verenigde Staten voor hem een heldennatie, daar waar dromen waargemaakt worden en een machtsontplooiing altijd gepaard gaat met inspirerende speeches, triomferende gebaren en een Texaans accent.

Dat stroomt dus al zeker door mijn bloed. Als ingenieur pruts ik niet aan alternators, transistors of versnellingsbakken. Mijn biotoop is bevolkt door flatscreens, computerprogramma’s en waterval displays. Uiteindelijk ook een vorm van boetseren. Ma was geniaal op een heel andere manier. Ze kookte macrobiotisch toen de term nog moest worden uitgevonden. Ze beoefende om zeven ’s morgens de zonnegroet, creëerde binnen het gezin haar eigen oosterse enclave. Later vond ze de weg naar het boeddhisme, vlot laverend tussen lama’s in bordeauxkleurige gewaden, hagelwitte stoepa’s en het van vijf bestaansrijken voorziene levenswiel. Ook daar heb ik van geproefd, mijn eerste geloofsbrieven als spiritueel verdiend. Ik werd gevoed door het oosten en het westen. Nog steeds zit ik geprangd tussen algoritmes en chakra’s, tussen aura’s en de transformatie van Fourrier. Ik ben de ingenieur, de monnik, en alles tegelijk.

Ik hoef geen Harley Davidson om na vijftig terug bijzonder te kunnen zijn. Ik heb voldoende aan de som van mijn verhaal. Ik ben die som. De man die worstelt en triomfeert, die twijfelt en zoekt, inzicht krijgt en ook eens huilt. Die achterhoedegevechten levert met zijn verleden, onvervulde dromen koestert. Zijn hart door vrouwen liet breken en door andere weer liet lijmen. Ja, dat ben ik allemaal. Misschien is vijftig gewoon de leeftijd waarop al die wegen samenkomen. Een kruispunt, een retrospectieve en een keuze.

Het hart heeft het laatste woord. De volgende ochtend word ik wakker en kijk het leven in de ogen. Het overschouwt me met een mysterieuze glimlach, monstert onderzoekend waar ik vandaan kom en waarheen ik ga.

‘Geef je over,’ zegt het zachtjes maar beslist.

‘Volg me. Ik heb nood aan mannen op mijn pad. Mannen zonder opgelegde labels, geen praatjesmakers noch intellectuelen. Authentieke mannen, van wie ik het succes bejubeld heb, in hun diepste dalen altijd heb omhelsd. Met groot respect omring ik deze zoekers. Wanneer ze de rivier aan de vijftigste bocht oversteken wacht hen een geweldige verrassing. Dan neem ik ze mee naar die plek waar ze finaal zullen bloeien. Laatbloeiers verspreiden de verrukkelijkste geur. Plots tonen ze onvermoede kracht, durven kwetsbaar te zijn, tekenen een spoor van wijsheid in hun zog. Ze durven falen en laten groeven toe in hun gelaat. Hun succes meten ze af aan wat ze hebben moeten opgeven om het te kunnen bereiken. Ze laten de wereld na met een verschil.’

‘Kom je mee of blijf je hier?’

‘Spring dan, spring dan diep en zonder spijt.’