Don’t kill my vibe

20190308_194723“Untallented losers.” Met dat opschrift op de deur word ik verwelkomd in een Leuvens mannentoilet. Grappig? De spelfout misschien. Had een vrouw nog een eitje te pellen met een etter? En zat het zo diep dat ze maar meteen het volledige mannelijk geslacht op de schop wou? Of is het de benevelde pennenvrucht van een nachtbrakende grappenmaker? Ik kom er niet uit.

Waarom het dan toch blijft hangen? Omdat ik het gehad heb met etiketten. Het typeren van mensen met catchy oneliners of zelfs een enkel woord zit in de lift, meestal in een pejoratieve betekenis. Het gebeurt in de media. Het gebeurt in ons persoonlijk leven. Klimaatdrammer. Haakneusjood. Gelukszoekende migrant. Geitenwollensokkentype. Nerd. Ijskoningin. Nietsnut. Macho. Loser. Het gaat hierbij niet om een occasionele belediging, het gaat om stempels die je op je voorhoofd gedrukt krijgt, vaak een level lang. Het gaat om een etiket.

Zo’n lekker bekkende typering is makkelijk zat. En laf. Als je de definitie van iemand reduceert tot dat ene etiket, sla je twee vliegen in een klap. Het komt in de eerste plaats je gevoel van eigenwaarde ten goede. Wanneer je iemand naar beneden haalt, stijgt je eigendunk zonder dat je er zelf iets voor moet doen. Als iemand afgaat als een gieter in The Voice, genieten we misschien ook wel eens stiekem mee van die neerwaartse duim, van de kandidaat die met de staart tussen de benen moet afdruipen. Psychologisch onderzoek heeft uitgewezen dat het ons een beter gevoel geeft over onszelf als we iemand anders zien mislukken. Dat is niet fraai, maar meestal ook niet overdreven kwaadaardig.

Veel erger is dat je met het toebedelen van een etiket jezelf ontslaat van de taak om de persoon in kwestie beter te leren kennen. Je doet niet langer de moeite om nog maar een glimp op te vangen van al het goede waar die persoon (ook) voor kan staan, naast dat ene aspect. Als je goed zoekt, vind je bij iedereen wel iets waar je hem of haar op kan pakken. Als je alleen maar dat in het vizier houdt, versterkt die ene definitie tot dat eeuwige etiket. Een sticker die er met geen oplosmiddel meer af te trekken valt. Met die mindset houd je het niet voor mogelijk dat mensen veelzijdige persoonlijkheden zijn met meerdere facetten. Je gelooft evenmin dat ze evolueren in de tijd, dat de persoon van nu niet meer degene is van tien of vijfentwintig jaar geleden. Dat hij of zij geleerd heeft uit tegenslagen, mislukkingen of fouten, zodat er vandaag een heel ander iemand voor je staat. Een etiket blijven handhaven is niet veel minder dan karaktermoord. Het gebeurt op de werkvloer, in sociale milieus, op het wereldtoneel. Migranten zijn terroristen en verkrachters. Politici zijn zakkenvullers. Chinezen zijn kopiisten. Langdurig werklozen zijn luiaards en profiteurs. Vrouwelijke managers zijn ambiteuze manwijven. Klimaatspijbelaars zijn marionetten van extreemlinks. Het is voldoende om een enkele persoon te vinden die in de buurt van die omschrijving komt om een hele groep te stigmatiseren. Dat is de truc. Etiketten zijn de brandstof van wij en zij.

Maar misschien is “jij kan dit niet” nog het ergste etiket van allemaal. Je hebt een idee of droom waar je enthousiast over bent, maar het wordt meteen afgeschoten. “Dit is niets voor jou.” “Je moet je grenzen kennen.” “Jij gaan zingen? Je zingt zo vals als een kat.” Het kan ook schrijven zijn, een zaak openen, een studie aanvatten, een cursus volgen, een recept koken, een avontuurlijke reis maken. Wanneer je hart dat sprongetje maakt maar je omgeving meteen brandhout maakt van je droom, ga je twijfelen. Misschien hebben ze gelijk? Kan best, en toch wil je hart dat je het probeert. Omdat het toevallig wel de weg is die je misschien niet de realisatie van die bepaalde droom oplevert, maar wel die van een andere. Omdat het universum nu eenmaal zo werkt. Omdat we geloven in die synchroniciteit. Het toeval dat geen toeval is. In de wijsheid van de ziel, die ons op de achtergrond onvermoeibaar een geweldig leven blijft influisteren.

Daarom moeten we etiketten van ons afgooien alsof ons leven ervan afhangt. Het hangt er ook vanaf. Als we die droom of dat geweldige ideetje niet volgen, gaan we nu al een beetje dood. We mogen zelfs stoppen met tegen dat etiket te vechten. Het houdt het alleen maar in stand, versterkt het nog. We moeten onze eigen weg volgen. Het etiket is een test voor de krijger in onszelf, die ons doorheen het opwindende leven loodst dat we willen leiden.

Toen de jonge Noorse tiener Sigrid naar een workshop songschrijven ging, vonden de cursusgevers haar ideetjes maar niets. “Je moet het zo doen. Niet zo.” Sigrid verliet de cursus en bleef koppig haar eigen ding doen. Ze vond zichzelf allesbehalve een “untallented loser”. Vandaag treedt ze op in heel Europa met haar aanstekelijke electropop. Ze heeft net haar eerste CD uit, allemaal dankzij die “foute” ideetjes van haar. Op de CD staat een nummer dat gaat over de ervaring in de songschrijfcursus. De titel is toepasselijk “Don’t kill my vibe.” Het werd een hit. De song straalt iets universeels uit. Kwaadheid om het etiket. De kracht van de droom. Het geloof in jezelf. Het ware misschien nog net iets beter geweest indien de titel “Can’t kill my vibe” was. Omdat het dan niet langer refereert naar de strijd, naar die ander die zwaait met dat etiket. En toch. Het is goed zoals het is. Net zoals wij.

Make the world GRETA again

Make the world GRETA again 2“Make the world GRETA again.” De nieuwste klimaatslogan is meer dan een vette knipoog naar de man die zijn land great again wil maken. De voornaam van het kleine Zweedse meisje met de strijdersogen is op minder dan een half jaar voldoende voor wereldwijde herkenning. Geen Pipi Langkous om zonder handschoenen aan te pakken, ondervond ook EU-commissievoorzitter Juncker. In antwoord op de speech van Greta Thunberg kwam hij niet veel verder dan een warrig betoog over ondermeer toiletspoelsystemen. Zijn minachting was minstens even groot als zijn stugheid. Het contrast met Greta’s speech kon niet groter zijn. Ik word telkens weer getroffen door de meerlagige inzichten in haar heldere en krachtige taal, waarmee ze de politici en hun communicatiemanagers het nakijken geeft. Dat was deze keer niet anders. Of wat dacht je van deze zeven zinnen uit het betoog van Greta?

“We hebben een nieuwe manier van denken nodig. Het politieke systeem dat jullie gecreëerd hebben, gaat over competitie. Dat moet stoppen. We moeten samenwerken en de middelen van de planeet op een eerlijke manier delen. We moeten binnen de planetaire grenzen leven in het belang van al het leven. Dit klinkt misschien naïef, maar als jullie je huiswerk hebben gedaan, dan weten jullie dat we geen andere keuze hebben. We vechten niet voor onze toekomst, maar voor iedereen zijn toekomst.”

Vanuit mijn beroepservaring weet ik dat het oplossen van (IT) problemen faliekant afloopt wanneer je niet precies weet welk probleem je aan het oplossen bent. Root cause analysis heet zoiets in het jargon. Voor oplossingen die niet de wortel van het probleem aanpakken hanteren we namen als “plakkers” of “carpet dressing”. Het eerste doelt op een niet duurzame oplossing waarvan je weet dat ze op termijn niet zal voldoen, het tweede gaat over het tijdelijk of permanent onder de mat vegen van het probleem, door camouflage of simpelweg door te hopen dat niemand het zal opmerken, zoals bij de sjoemeldiesels. Ook een klassieker is het snel maken van een ontwerp dat wel voldoet voor een aantal initiële, minimale vereisten, maar niet geschikt is om op te bouwen voor wat je daarna zal nodig hebben, met het risico dat je later vanaf nul zal moet herbeginnen. Gek genoeg is dat exact wat er met veel van de huidige klimaatoplossingen aan de hand is. Omdat we windmolens zetten, electrisch gaan fietsen en de politici in Parijs wat hoopvol klinkende doelstellingen afsluiten, denken we al snel dat we er wel gaan komen. Nog steeds durven we onze levensstijl niet al te veel in vraag stellen en geloven we dat de technologie en de politiek het wel zullen oplossen. Maar is dat ook zo?

Misschien heeft Greta Thunberg nog nooit van root cause analysis gehoord, en toch is het exact wat ze in zeven eenvoudige zinnen voor elkaar krijgt, voor wat momenteel het moeilijkste probleem is dat de mensheid voorgeschoteld krijgt.

  1. “We hebben een nieuwe manier van denken nodig”: met deze zin doelt ze op een nieuw bewustzijn, dat radicaal breekt met oude, materialistische denkbeelden en dito gedragspatronen die naar onze ondergang kunnen leiden. Dit gaat een stuk verder dan de klimaatkwestie. Het gaat over het herstel van evenwicht, het in balans brengen van yin en yang. Traditionele culteren begrijpen al duizenden jaren het belang hiervan. Verbranding is een energie die erg yang is en de planeet uitput zonder kans op herstel. Daarbij gaat het over veel meer dan hoeveelheden CO2. Het gaat over een nieuw bewustzijn dat weer aansluiting vindt met de oude wijsheden en dat gevoed wordt door liefde in plaats van angst, hebzucht en haat.
  2. “Het politieke systeem dat jullie gecreëerd hebben, gaat over competitie”: we hebben een maatschappij gecreëerd waarbij we altijd meer willen hebben. Niet omdat we per se zo hebberig zijn, het zit gewoon zo in onze cultuur en we surfen er niets vermoedend op mee. En als we al veel hebben, willen we dat vooral zo houden en zijn we op onze hoede voor anderen die onze welvaart in gevaar kunnen brengen. Denk maar aan de migratiestromen of de handelsoorlogen. Bovendien is onze westerse levensstijl erg schadelijk voor de planeet. Daarom hebben we een andere niet-competitieve levensstijl en een nieuwe manier van denken nodig.
  3. “Dat moet stoppen”: duidelijker kan het niet zijn. Het is niet voldoende om dezelfde recepten wat bij te sturen, er is gewoonweg een volledig nieuw menu nodig. Maar welk dan?
  4. “We moeten samenwerken en de middelen van de planeet op een eerlijke manier delen”: het nieuwe denken van Greta behelst dat we niet langer de nationalistische of tribale trom slaan. Het vraagt dat we geen muren meer bouwen of emissierechten afkopen in Afrika, of dat we nog maar geloven dat we het klimaatprobleem buiten onze grenzen kunnen houden. Alleen samenwerking kan ons redden, gekoppeld aan een eerlijke verdeling van de middelen. Dat laatste gaat niet alleen over de strijd om olie en ook steeds meer om water, het gaat ook over de ongelijkheid waarbij een handvol mensen evenveel bezit dan de halve wereld, waarbij enkele landen uitpuilen van de welvaart en andere steeds dieper wegzinken in armoede.
  5. “We moeten binnen de planetaire grenzen leven in het belang van al het leven”: wat zijn de planetaire grenzen? Simpelweg, wat de planeet aankan. Als we iets nemen van de planeet, moet het de tijd krijgen om dat weer aan te vullen. Dat heet duurzaamheid, of het nu om visgronden, bomen of grondstoffen gaat. Met grondstoffen bedoel ik dan niet fossiele brandstoffen – die worden sowieso niet aangevuld door de planeet – maar wat er in de grond zit aan mineralen en andere levensnoodzakelijke elementen. Intensieve landbouw put de grond uit, zodat die op niet al te lange termijn dode grond wordt. “In het belang van al het leven” duidt op een houding die niet alleen om de mens draait, maar ook om de dieren, de zeeën, de planten, de bodem en al wat leeft. Greta doelt op de samenhang tussen alle leven, waarbij alles veel meer met elkaar verbonden is dan we aannemen. Ze denkt holistisch en spiritueel, zonder dat ze dat misschien bewust doet of dat zo zou benoemen.
  6. “Dit klinkt misschien naïef, maar als jullie je huiswerk hebben gedaan, dan weten jullie dat we geen andere keuze hebben”: hier spreekt ze vanuit de derde chakra, waarbij ze de zaak op scherp stelt. Dat is nodig, omdat de waarheid maar niet doordringt. En die waarheid is dat we geen tijd te verliezen hebben om dat nieuwe bewustzijn en de daaraan gekoppelde aanpak op de mat te brengen. Daarom zal ze dit blijven herhalen, zoals ze zelf aangeeft.
  7. “We vechten niet voor onze toekomst, maar voor iedereen zijn toekomst”: dat is niet zomaar een respons op het feit dat enkel de jeugd een probleem zou hebben, je voelt dat ze dat meent. Ze wil zich echt inzetten voor het voortbestaan van de planeet zodat iedereen er wel bij vaart, als een soort van onbedoelde nieuwe messias. Mocht iedereen dat zo zien, dan leefden we vandaag in een totaal verschillende wereld.

Misschien klinkt wat Greta vertelt ons niet prettig in de oren. Misschien zouden we liever hebben dat ze haar mond houdt. Misschien geloven we in complottheorieën die van haar een pion of marionet maken in een vuil achterkamerspelletje. Misschien willen we haar op een zwak moment gewoon de les spellen. Maar als we eerlijk zijn, weten we dat Greta in alle eerlijkheid streeft naar de liefdevolle maar harde waarheid en ons simpelweg daarmee confronteert. We zouden blij moeten zijn dat iemand de noodzaak van een nieuw bewustzijn zo expliciet en krachtig op ons bord serveert. Aan ons om die uitnodiging op te pakken, voor de spiegel te gaan staan en diep in onszelf te voelen wat we in dit verhaal te doen hebben. Als het die soul search is die Greta mondiaal teweeg brengt, dan is “Make the world GRETA again” nu al het beste wat de wereld in 2019 overkomen is.

Een heldendaad voor het klimaat

P1040586

“De planeet wordt heet, de regering doet geen reet.” Op het moment dat ik wil gaan lunchen in hartje Leuven, bots ik op een legioen klimaatspijbelaars. Ik laveer tussen de spandoeken door terwijl er ernstige of prettig gestoorde leuzes worden gescandeerd. De sfeer houdt het midden tussen een scoutsvuur en Tomorrowland vibes.

Dat ik tegen de stroom in moet roeien om mijn lunchtent te bereiken, geeft me het idee van een generatieconflict. Nu eens loop ik over van sympathie – als adolescent zou ik in de voorste rijen lopen – dan weer spin ik kritische bedenkingen. Om iets in de wereld te veranderen moet je op straat een keer durven roepen gaan, soms een revolutie op gang trappen. Dat is nooit anders geweest. Naargelang de uitkomst word je een volksheld of een tragikomische schlemiel. De klimaatacties door jongeren zijn voor de toekomstige generaties nu al een heldendaad. Hun leidster is nog net geen Jeanne d’Arc.

‘Zijn jullie bereid zijn om minder te gaan vliegen?’ vraagt een reporter aan een groepje jongeren in het gewoel, wetende dat de jeugd een reputatie toegedicht wordt als cityhoppend feestvolkje. ‘Jazeker,’ klinkt het zonder aarzeling. Het antwoord van het meisje met het beschilderde strijdersgelaat klinkt oprecht. Eenzelfde soort vragen is als een olifant in elke huiskamer beland, alsof de micro van een journalist plots voor ieders geduwd wordt: wat doen u en ik voor de planeet?

De verleiding is groot om die vervelende klimaatklus onmiddellijk naar iemand anders door te schuiven. Naar de politici, de dieselrijders, de energieleveranciers, naar elkaar. Of we kunnen gemakkelijkheidshalve schieten op de pianist. Spelen op de man in plaats van op de bal. Het moet evenwel gezegd, we leven boven onze stand. Of toch wanneer je kijkt naar de duurzaamheid van de gemiddelde westerse levensstijl. Dat er meerdere planeten Aarde nodig zijn om die Bourgondische lifestyle te kunnen bestendigen, zoemt als een stalkende mug almaar penetranter rond ons hoofd. Wat niet helpt, is om als klimaatactivist een groothandel op te starten in schuldgevoelens. Met een partijtje culpabiliseren schiet niemand iets op. Wel is het ieders verantwoordelijkheid om deel te worden van de oplossing. En dat lukt beter als de remedies haalbaar, zelfs sexy zijn.

Jammer genoeg is mijn naam niet pakweg Carl De Wever. Dan had je naast A. en B. nu ook een C. De Wever-stem gehad. Een modale volwassene die andere volwassenen over de streep probeert te trekken. Neem nu de auto. Ook ik vond het de normaalste zaak van de wereld dat we ons dagelijks verplaatsen mits een stevig vuurtjestook onder een motorkap. Mijn vehikel, mijn vrijheid, weet u wel. Voor mijn part mag iedereen die bolide gerust houden, mits zich bewust te worden van de kost voor de planeet en vooral van hoe dolgelukkig de alternatieven je kunnen maken.

Zes jaar geleden beslisten we hier om ons wagenpark te reduceren van twee exemplaren naar een. Oké, niet voor iedereen is een en ander praktisch haalbaar, maar ook hier moeten agenda’s naast elkaar geschoven worden. De herontdekking van de fiets was awesome, om het in jeugdjargon te stellen. Ritten per tweewieler deden me die landschappen en vergezichten herwaarderen, lieten me die Hagelandse heuvels bedwingen en mijn fysieke conditie en passant naar onvermoede hoogtes stuwen. Een griepje, zelfs een verkoudheid werd een herinnering uit een steeds verder verleden. Alleen zijn temidden van de vier elementen, met je kwieke ademhaling als enige metgezel, is een intieme ervaring waarin je die levensbruis voelt opwellen. Elke fietstocht is een herbronning en een overwinning, vooral wanneer je die westenwind of plensbui getrotseerd hebt, of toen je dampwolkjes blies in de ijzige ochtendlucht. Wanneer ik in de Heidebergstraat aan de voet sta van de klim naar Boven-Lo, een paar honderd meter aan meer dan 10%, voel ik me een moedige avonturier. De modale fietsers stappen af en duwen hun strijdros te voet naar boven. Ook voor mij leek het aanvankelijk ondoenbaar, tot ik erin begon te geloven. Eerst peddelde ik tot halverwege en dan telkens ietsje hoger, tot de eerste keer dat ik weliswaar buiten adem boven kwam, met de kerk bovenop de heuvel als mijn denkbeeldige eindstreep. Tegenwoordig klim ik en danseuse routineus naar boven, houd aan de meet zelfs nog wat overschot. Een kwestie van training en dosering, waarvan ik nooit vermoed had dat die in me zat. Elke overschrijding van de meet geeft me niet alleen die gelukzaligheid, ook de verbijstering hoe makkelijk het is om datzelfde stuk per auto op te klauteren. Dan dringt het besef door dat de grote inspanning die ik net geleverd heb, in indrukwekkend veelvoud benodigd is om die SUV met zijn inzittenden naar boven te hijsen. Dat gevoel bekruipt me nog meer wanneer ik in de ochtendspits al fietsend de Tiensesteenweg kruis en die eindeloze stoet wagens zie bumperen, die achthonderd kilo verwarmde woonkamer op vier wielen. Dan kijk ik naar de bedrukte gezichten achter het stuur en denk ik: wat een waanzin. De hele planeet opstoken om elke ochtend, elk in zijn kleine verbrandingscentrale, wat kilometers af te malen, elke dag opnieuw, zolang de voorraad strekt en zolang de planeet het niet definief welletjes vindt.

We hoeven niet onmiddellijk veganistische holbewoners te worden om iets voor het klimaat te ondernemen. De auto wat meer laten staan, een investering in een goede (electrische) fiets, het bezigen van openbaar vervoer (en de ontdekking dat je in bus of trein een boek kan lezen), een vakantie korter bij, op plaatsen waar je nooit zoveel schoonheid, rust of gezelligheid vermoed had. Van minder vlees is ook nog niemand slecht geworden, evenmin als het eten van seizoensgroenten uit eigen land  of streek. De thermostaat kan makkelijk een graadje (of twee) lager. Recyclage kan voor iedereen een leuke discpline worden, met het zoveel mogelijk vermijden van plastiek als absolute bonus. En waarom dat potje spaar- of beleggingsgeld, voor wie dat heeft, niet investeren in duurzame projecten in plaats van in die winstgeile korven waar banken mee blijven zwaaien? Ik lees deze week dat de pensioenfondsen in Nederland, Denemarken en Noorwegen al volop inzetten op de plaatselijke, groene economie, terwijl de Belgische blijven zweren bij pakweg Aziatische obligaties. Toch hebben we de mogelijkheid om de banken en fondsen eruit te pikken die wel voor duurzaamheid en een groene toekomst kiezen.

Iedereen heeft voor het klimaat zijn eigen Heidebergstraat, een eigen drempel om te overwinnen, een grens om te verleggen. Dat hoeft niet meteen de Everest te zijn. Er zijn vele mogelijkheden om iets voor het klimaat te doen. Less is more, althans in eerste instantie. Maar als we het houden bij die ene anecdotische inspanning, schiet het ook niet op. Het is een illusie dat het opgeven van wat rij- en ander comfort minder gelukkig zal maken. Het tegendeel is waar. Het zal je een goed gevoel geven over jezelf, je stimuleren dat extra stapje te blijven zetten, steeds meer deelachtig te worden aan die groenere, duurzame toekomst, waarvoor door zoveel verontruste jongeren en volwassenen actie ondernomen wordt.

“Red de plantjes” droeg een meisje op een stuk karton, verleden donderdag in Leuven. Die banale slogan had iets naïefs en aandoenlijks, maar is de planeet niet zo’n kwetsbaar plantje, waar we meticuleus zorg voor moeten dragen? En kunnen we niet allemaal zelf dat zaadje planten? Een volgende keer stap ik mee op voor het klimaat. Dan zal ik uit de papierdoos voor het containerpark een stuk karton opdiepen en er met dikke stift mijn slogan oppennen: “Elk een kleine heldendaad voor het klimaat!”

De man na #MeToo

Crown

Het gaat niet goed met de man. Toen hij koud gepakt werd door de neerwaartse spiraal van enkele illustere seksegenoten, dacht hij nog even: dit kan er nog wel bij. Dat was nadat The Donald al een jaar lang een nieuwe norm had geïnstalleerd voor mannelijke grofbekkerij.

Mannen voor de spiegel krijgen is doorgaans moeilijker dan de koning te laten opdraven in The Voice, en toch gaat het om precies dat. Kan de man alsjeblieft het archetype van de koning in zichzelf weer opdiepen, en met die stem de wereld heroveren? Of laten we de definitie van de mannelijke identiteit ongestoord kapen door zij, die ze zwaar in diskrediet brengen?

De mannelijke airplay behoort deze dagen toe aan een bende outcasts. De koppositie wordt daarbij ingenomen door de pussyjagers. Het begon allemaal met iemand die beweerde dat je vrouwen daar makkelijk kon grabben. Daarna volgde een hitsig clubje mannen, dat vanuit een machtspositie allerlei oneerbare jachttechnieken uitprobeerde, soms jarenlang en met succes, afhankelijk van hoe je dat definieert. Hun val in ondertussen ingezet, en met hen de reputatie van mannen in het algemeen.

In de hitparade van de anti-rolmodellen worden de pussyjagers op de hielen gezeten door de projectielengooiers. Wanneer een groep mannen zich verzamelt voor baldadigheden, zijn ze verzekerd van prime time in het journaal. Dat weten ze. Een schlemiel mikt een steen in een etalage tijdens een betoging: uitvoerig op de buis. De geplande speech krijgt de kruimels. Dat werd nog eens bewezen met de Brusselse rellen, die dagenlang journaals, voorpagina’s en duidingprogramma’s monopoliseerden. Nog beter kan er in de media gescoord worden met een terreuraanslag. Eenzame of samenzwerende wolven maaien niet alleen onschuldige mensen omver, deze psychopaten overtuigen ons ook van het idee dat de mannenwereld doorspekt is van hufterige macho’s en gevaarlijke mensenhaters.

Na de eerste grote terreuraanslagen in Europa werd openlijk afgevraagd waarom de gematigde Islam zich niet massaal en met luide stem distantieerde. Net zo vragen vrouwen zich op dit moment af waar de gematigde mannen blijven om orde op zaken te stellen. Wat ons natuurlijk bij de vraag brengt: wat is een gematigd man? Is het een soort grijze muis, die goed gedijt in de veilige anonimiteit van een stilzwijgende meerderheid? Of is het een man, die zijn anders gezonde dosis assertiviteit inruilt voor laffe terughoudendheid, wanneer hij vreest op elk woord getaxeerd te zullen worden? En durft hij überhaupt nog zonder angst met vrouwen om te gaan?

Dat mannen op zoek zijn naar hun identiteit in dit mijnenveld, wordt pijnlijk onderstreept door het ontbreken van een charismatische mannenambassadeur in de media. Een spreekbuis met een vlotte en inspirerende tong, zoals vrouwen zich kunnen beroepen op Goedele Liekens, Heleen Debruyne of een andere sterke persoonlijkheid. Als er al eens zo’n man een micro wordt aangeboden, is het gewoonlijk een intellectueel. We raken dan makkelijk verstrikt in het ingewikkelde bos van zijn grote gelijk, maar voelen zelden ons hart van inspiratie overslaan.

Mannen zijn toe aan hun veertig dagen in de woestijn. Hun tijd is aangebroken om zich te bezinnen over wat er binnen in hen broedt. Een wake-up call om zich te begeven in hun emotionele labyrint en zich af te vragen welke van hun gedragingen en overtuigingen de houdsbaarheiddatum al lang overschreden hebben. Het leitmotiv daarbij moet zijn: hoe authentieker en eerlijker, hoe beter. De beste plek voor de mannelijke vooruitgang bevindt zich momenteel voor de spiegel.

Kan de man zijn koningschap terugclaimen? Ik heb het dan niet over een koning die zich verheven boven het volk laat rondrijden in een gepantserde limo, maar eentje die oog heeft voor de noden van de wereld, te beginnen met zijn onmiddellijke omgeving. Deze koning laat zich niet in met stoere geopolitiek, zet de toekomst van de planeet niet op het spel, creëert geen wij-zij polemieken. Dat is niet louter een gegeven voor de wereldleiders en politici. Het maken door mannen van ethische, sociale en duurzame keuzes speelt zich af in elk huis, in elke buurt. Nog meer blijft deze koning weg van patriarchale borstklopperij, waarbij vrouwen de pineut, en vooral onder de duim blijven. Hij weigert ook over te slaan naar de andere kant, naar een besluiteloos grijs, waar hij zich verstopt achter de wonden van MeToo en andere zware averij, door seksegenoten aangericht.

De koning staat op en neemt zijn verantwoordelijkheid. Hij respecteert grenzen en ziet erop toe dat anderen dat ook doen. De koning verbindt en creëert, hij luistert en voelt in, beschermt en motiveert, beklijft en inspireert. De man is dood, leve de koning.

Van Las Vegas tot Life After Hate

LasVegasShooting

Waarom Las Vegas killer Stephen Paddock minder aandacht verdient? Simpelweg omdat mensen als Michael Kent en Angela King die veel meer verdienen. Nooit van gehoord? Dan breng ik daar graag verandering in.

“Gebouwd om te weerstaan aan de wispelturige en ongenadig harde condities op slagvelden overal ter wereld”: hiermee promoot de fabrikant in zijn catalogus de FN-15, waarvan er enkele in het bezit van Paddock waren. Ook over al zijn andere wapens komen we in de pers alles te weten. Op een paar etmalen tijd is Paddocks leven door journalisten van naaldje tot draadje uitgeplozen. Eerst vullen dagenlange scoops over de schietpartij journaals en kranten, daarna volgen de duidingsprogramma’s en de weekendkaterns. Iedereen wil de aalgladde motieven van Paddock als eerste ontrafelen, de geniale inspecteur worden in een aflevering van Midsomer Murders. Wat Paddocks motieven ook waren, er is minder moed nodig om vanop de drieëntwintigste verdieping met een machinegeweer mensen neer te maaien dan om van een mensenhatende neonazi te transformeren tot vooraanstaand vredesactivist. Toch is het exact dat wat een aantal mensen hebben klaargespeeld, er zelfs een beweging voor hebben opgericht: Life After Hate. Hun marketing klinkt enigszins anders: “Wij leggen ons toe op het inspireren van mensen tot een plek van mededogen en vergeving, voor henzelf en voor iedereen ter wereld.”

Michael Kent uit Colorado maakte deel uit van een skinheadgroep. Stoere jongens die zweerden bij blanke suprematie en daarbij grossierden in haatmisdrijven. Op zijn borst was een grote swastika getatoeëerd. Dat hij daarmee in de gevangenis belandde, was niet zo opmerkelijk, wel dat een zwarte vrouw hem daar in zijn hart zou weten te raken. Tiffany Whittier was Michaels Afro-Amerikaanse reclasseringsambtenaar. ‘Ik ben hier niet om over hem te oordelen,’ zegt ze. ‘Dat is niet mijn job. Mijn job is om die positieve persoon in iemands leven te zijn.’ Die oordeelloze attitude verbijsterde Michael van in het begin en deed hem ontwaken uit zijn nachtmerrie vol haat. Tiffany werd een soort dierbare familie voor hem, waardoor hij zijn gewelddadige verleden definitief van zich wist af te schudden. Zijn tattoo liet hij verwijderen bij Redemption Ink, een non-profit organisatie die gratis haatgerelateerde tattoo’s verwijdert. Tegenwoordig werkt hij op een kippenboerderij, samen met Hispanics. ‘Ik wil niet dat mijn kinderen eenzelfde leven leiden, gevuld met haat. Ik wil dat ze me kennen voor wie ik nu ben en hen zo inspireren.’

Voor Angela King is mensen inspireren een levensmissie geworden. Haar verhalen lijkt een kopie van dat van Michael. Op haar borst prijkte een tattoo van vikingsymbolen, haar middelvinger was getooid met een swastika. Een vernederende ervaring uit haar jeugd vulde haar met haat. Ook zij belandde bij gewelddadige skinheads, en uiteindelijk in een gevangenis bij Miami. De meerderheid van gedetineerden in die instelling waren kleurlingen, die haar omwille van haar verhaal meden als de pest. Tot een Jamaicaanse vrouw haar uitnodigde voor een spelletje kaart, het begin van wat een diepe vriendschap zou worden. Ook hier was het mededogen van de Jamaïcaanse de game changer. Eens uit de gevangenis ging ze terug studeren. Ze haalde een diploma sociologie en psychologie en startte met lezingen. Zo kwam ze in contact met Life After Hate, een blog waar extremisten die eruit waren gestapt hun verhalen deelden. Mede door haar groeide Life After Hate in de V.S. uit tot een nationale non-profit organisatie. De oprichters en medewerkers zetten hun krachtige transformatieverhalen overal te lande in om jongeren en volwassenen weg te houden van racisme en gewelddadig extremisme. Daarbij stopt het niet: ze faciliteren processen van deradicalisatie, doen research naar alle wegen die leiden naar extremisme en formuleren hiervoor oplossingen aan de bron.

In tegenstelling tot Stephen Paddock zijn Michael Kent en Angela King helden zonder noemenswaardige airplay. Nochtans: waar je de aandacht op vestigt, daar stroomt de energie. Dat wordt altijd groter. Dus is het bijzonder vreemd dat redacties overal ter wereld mass shooters en terroristen telkens weer een podium geven waar deze nooit van hadden durven dromen, terwijl ze de Michael Kents en Angela Kings van deze wereld links laten liggen. Hoe meer aandacht er besteed wordt aan gewelddaden, hoe meer een aantal met haat gevulde mensen geïnspireerd raken tot hun eigen versie van een waanzinnige daad. En niet minder erg: hoe meer iedereen ervan overtuigd geraakt dat geweld de wereld regeert. Stel je voor dat de journaals en kranten continu verhalen zouden brengen zoals dat van de mensen achter Life After Hate. Dat ze elke dag zouden berichten over mensen en daden die inspireren in plaats van weerzin opwekken. Dat de journalisten, net zoals Tiffany Whittier, zouden intekenen om die positieve kracht te worden, die de wereld kan veranderen. Die van de camera of de pen een wapen maken om te ontwapenen. Journalisten hoeven niets te verhullen, enkel een klein beetje meer strijders van het licht worden. Een transformatie van Las Vegas tot Life After Hate. Omdat wij dat nu eenmaal kunnen.

https://www.lifeafterhate.org/

Het hart van Harvey

Harvey

Eerst zie je de verwoestende kracht van de natuur, dan de heroïsche kracht van de mens. Wat kunnen we leren van Harvey, behalve dat er een aantal doden te betreuren vielen, de schade enorm is en explosies in een chemische fabriek onrust baarden? Wat kunnen we nog meer opsteken, behalve dat de klimaatverandering dit soort rampen met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid in de hand werkt? Haalde ook de media: de president, die voor verzamelde media verkondigde dat hij 1 miljoen van zijn persoonlijk fortuin zou doneren, weliswaar nadat hij forse kritiek ving voor het links laten liggen van het zwaarst getroffen Houston tijdens zijn eerste bezoek aan het rampgebied: “Ik zou er toch maar in de weg lopen van de reddingsacties.”

Het antwoord op deze vragen is een nieuw wereldrecord in lokale solidariteit. Niet het soort solidariteit waarbij mensen doneren op een inderhaast aangemaakte ramprekening, een stars-and-stripes achtergrond op hun FB-profielfoto installeren of in een pop-up straatkoor “Imagine” meezingen. Neen, de inwoners van Houston op de foto zijn niet aan het aanschuiven voor onderdak, een warme maaltijd of een sixpack drinkwater. Ze wachten urenlang om zich op te geven als vrijwiller. Ze willen allemaal helpen waar kan. Deze gewone mensen hebben een nuttig talent, een paar helpende handen en vooral: een onbaatzuchtig hart.

Terwijl de verzekeringsmaatschappijen tijdens crisivergaderingen becijferden hoeveel het zaakje hen zal gaan kosten, evacueerden studenten dakloze rolstoelresidenten dwars doorheen Hermann Park. Onmiddellijk na de doortocht van Harvey zette iedereen met een plezierbootje koers naar het rampgebied. De Cajun Navy, zoals de verzamelde booteigenaars betiteld worden, vaarde af en aan in de ondergelopen buurten om families en ouderen naar veiliger oorden te brengen. Het Chinese Community Center verschafte onderdak aan zoveel mogelijk slachtoffers, tot ook zij onder water kwam te staan. Een verpleegster ontfermde zich over een groep geëvacueerde geesteszieken, haar manier om iets terug te doen nadat ze zelf gered werd. Een groepje Mexicaanse bakkers werkte de klok rond om alle gestranden van brood te voorzien. Een Texaanse supermarktketen rolde een mobiele keuken uit met drie maal per dag gratis maaltijden. Lokale centra werden overstelpt met hulpgoederen. Nooit eerder hielpen zoveel mensen zoveel andere, voor hen totaal onbekende, slachtoffers.

Misschien resoneerden de inwoners van Houston wel met de vuurmieren, die massaal in de streek voorkomen en Harvey op een opzienbarende manier weten te overleven. Doorheen de ondergelopen straten drijven bruine vlotten van miljoenen vuurmieren. Wanneer ze ten prooi vallen aan wateroverlast, bestaat hun strategie erin om met de hele kolonie als een veerboot in elkaar te klitten en zo hun eigen versie van de ark van Noah te bouwen. De lucht tussen de mieren zorgt ervoor dat het gevaarte blijft drijven. De mieren onderaan hebben het zwaar te verduren en balanceren vaak op het randje van verdrinking, omdat de luchttoevoer op die plek precair is. Daarom wordt er voortdurend van plaats gewisseld, net zoals bij een waaier in een wielerkoers. De mieren in de bovenste lagen blijven droog en kunnen even op adem komen, in afwachting van een nieuwe beurt onderaan. De koningin blijft altijd bovenaan, tezamen met haar larven. Over de belangrijkste en meest kwetsbare mier van de kolonie wordt met tomeloze inzet gewaakt.

In Houston zetten geëvacueerden zich op hun beurt in om anderen te redden of te helpen, aangevuld met een ongezien leger van onbaatzuchtige vrijwilligers. Harvey zal minder herinnerd worden om de kracht van de natuur dan om de kracht van het hart. De inwoners van Houston houden het hart als een kostbare koningin hoog boven het water, als betrof het de processie van een heilig relikwie. Harvey zal een spoor van vernieling nalaten, en een triomf van het hart.

De grootsheid van kleine daden

Barcelona
Zoek niet langer: de persoonlijkheid van het jaar is nu al gekend. De Nobelprijs voor de vrede zou ook niet misstaan. Een gedeelde prijs: er zijn wel meer personen die hetzelfde exploot hebben verwezenlijkt. Iconische momenten die voor altijd in het collectieve geheugen gegrift mogen worden. Momenten waar deze gewone mensen een instant heldenstatus mee verwerven, elke politicus het nakijken mee geven, zelfs Obama met zijn recordtweet na Charlottesville.

Terwijl de terreuraanslagen dagenlang bovenaan de nieuwssites prijken, krijgen deze unieke momenten teleurstellend minder airplay, hoogstens een vermelding in de marge. De vage camerabeelden van de raid op Las Ramblas werden tot in den treure toe op ons losgelaten, vaker dan de herhaling van een wereldgoal door Messi. Idem dito voor de dolle rit van een blanke extremist in Charlottesville. De sensatie was minstens even groot als een crash in de Daytona 500. Klikvoer en kijkcijfers.

Bij elke terreuraanslag worden getuigen voor de camera gesleurd, ook al weten die niet meer te vertellen dan wat we al lang wisten. Er wordt uitgeplozen waar de daders vandaan kwamen en hoe ze minuut per minuut hun boze plannen uitvoerden. We krijgen een gedetailleerde inventaris van alle aceton, junglemessen of bomwagens die ze al dan niet met succes hebben ingezet.

In Barcelona stond de Sagrada Familia op de target list. Wie er geweest is, komt onder de indruk van de stilte en spirituele grandeur. Toch moet de sprookjesachtige basiliek van Gaudi het in grootsheid afleggen tegen de toespraak van Javier Martinez. Zijn zoontje Xavi overleefde Las Ramblas niet. In zijn anonieme woonplaats Rubi, ergens buiten Barcelona, spreekt hij als volgt de pers en de mensen toe: “Er is geen plaats voor angst of woede. Ik weet dat er nog een kind is gestorven. Ik heb de familie nog niet ontmoet, maar ik deel hun pijn. Ik deel ook de pijn met de familie van de terroristen. We delen de pijn allemaal. We zijn allemaal mensen.” In Charlottesville spreken de ouders van Heather Heyer, dodelijk slachtoffer van de haatdragende auto-raid, gelijkaardige taal: “Ze had aan de manifestatie deelgenomen omdat ze een einde wilde maken aan de haat. Wat mij betreft, moeten we hier gewoon mee ophouden en elkaar vergeven.” In Brussel schrijft Mohamed El Bachiri, die zijn vrouw Loubna verloor in de metro-aanslag, een opmerkelijk boekje: “Een Jihad van liefde”. Daarin zegt hij: ‘Vraag me niet om te haten. Nog liever zou ik sterven.’

De retoriek is opvallend simpel, de boodschap een product van een wijs en geëvolueerd hart. De eigen diepe pijn wordt overstegen om te wijzen op wat we gemeen hebben en tot welke grootsheid we in staat zijn, eerder dan weg te zakken in verslagenheid of te azen op verbitterde gerechtigheid. Javier Martinez richt zich na zijn toespraak tot de plaatselijke imam Dryss Salym en geeft hem een knuffel. De imam barst in snikken uit. Op zijn eentje bewerkstelligt Javier Martinez een universele heling. Met een simpele geste verzoent hij de Islam met alle vredelievende westerlingen, met alle mooie waarden die Europa graag claimt, maar op zo’n momenten te weinig toont. Javier Martinez besluit zijn ongepland helingsritueel met een zegening: hij kust de imam op zijn voorhoofd.

Toch zal dit niet het beeld van het jaar worden en Javier Martinez zal naderhand in de pers vergeten worden. De beweging zal komen van onderuit, bij een groeiende massa mensen die deze moedige enkelingen hebben weten te raken. Bij hen zal het beeld wel op hun netvlies blijven kleven, de woorden worden opgeslagen in hun hart. Als nieuwe evangelisten zullen ze erover spreken tegen iedereen die het wil horen en telkens zullen ze het benoemen als: “Een kleine daad voor de mens, een grote sprong voor de mensheid.”

Hendrik Duron is schrijver van kortverhalen en blogs. Zijn debuutroman, De roekeloze redding van de wereld door Jonas Joplin, verscheen in het najaar van 2016.