Masoud en Wereldmannendag

Masoud NiknamOp Internationale mannendag moet ik denken aan de man op een zwart-witfoto, deze zomer in de krant. Hij ligt op een soort aanhangwagen, bewegingloos op zijn buik. Zijn voorhoofd rust pal op het kille metaal, alsof hij zich diep voor iets schaamt. Zijn linkervoet is gehuld in een witte tenniskous, aan de rechter is een zwemvlies bevestigd. Op zijn rug hangt een visnet, van hoofd tot lenden volgestouwd met plastic flessen. De lucht in de flessen vormt een geïmproviseerd vlot. Met deze uitrusting hoopte hij het Kanaal te overwinnen, een wanhoopspoging die hem op een zonovergoten augustusdag fataal wordt. Zijn naam is Masoud Niknam.

Het scheelt niet veel of Masoud belandt snel in de vergetelheid. Zijn identiteit is in eerste instantie een raadsel. Dat komt goed uit, het is nu eenmaal geen beeld waar we vrolijker van worden. Een paar weken later wordt hij ver van de spotlights begraven te Brugge, sereen en anoniem. Op een inderhaast opgetrommelde imam en een paar warmhartige enkelingen na, is er niemand om de man zijn laatste uitgeleide te doen. Een team van ITV is er wel. Ze registreren hoe de kist door een kransje zwijgende mannen met touwen in de aarde wordt gelaten. De ITV-journalist en cameraman zijn geraakt en kijken elkaar aan. Ze denken hetzelfde: we moeten deze man een gezicht geven, hem herstellen in zijn menselijkheid. Sneller dan verwacht slagen ze in hun opzet, dankzij de smartphone van het slachtoffer. Het apparaat was dan wel naar de filistijnen, onderzocht was hij nog niet. Ze doen het dan maar zelf en ontdekken tot hun verbazing dat het SD-kaartje nog werkt. Erop staan tonnen foto’s en brieven van de man, zelfs een gericht aan Queen Elisabeth. De reconstructie van zijn leven kan beginnen.

Masoud Niknam blijkt een Iraanse sjiiet en niet een Irakees, zoals eerst aangenomen. Op zijn voorhoofd prijken vijf getatoeëerde sterren, die verwijzen naar zijn geloof. Ze staan bovenop een landschap van golvende rimpels die hem de uitstraling geven van een wijze, spirituele man. Met zijn grijze baard lijkt hij een beetje op tovenaar Gandalf uit The Lord of the Rings. Misschien was hij dat ook.

Vijftien jaar lang heeft hij door Europa rondgedoold, op zoek naar asiel. Hij reisde over berg en dal, van stad naar platteland en weer terug. Er zijn foto’s waarop hij poseert in de Zwitserse Alpen of de Roemeense Karpaten. Dat was geen toeristische rondreis: ondanks meerdere aanvragen lukt het hem nergens om asiel te bekomen. Onderkomen vindt hij wel, zoals een tijdje in een kerk te Marseille. Overal vertelt hij over zijn wedervaren en zijn leven. Dat hij een dochtertje en zoon heeft. Waarom hij die dan achtergelaten heeft en al zolang rondzwerft? Mist hij ze dan niet? Tuurlijk wel. Het juiste antwoord is tot op de dag van vandaag nog niet duidelijk. Het lijkt erop dat hij gevlucht is voor het repressieve regime in Iran. Sommigen zullen hem wellicht graag wegzetten als een ordinaire gelukszoeker, zo eentje die hier volgens diezelfde afkeurende stemmen onze welvaart komt bedreigen. Hij kan zelf zijn drijfveren niet meer uit de doeken doen.

Toch laat hij ons iets na wat met verstomming slaat, misschien wel de reden van deze blog. Naast een smartphone had hij niet alleen een Koran op zak, er was ook een Bijbel bij. Opmerkelijk voor een overtuigde moslim. Het wordt nog sterker. Om de priester van de kerk in Marseille voor het onderkomen te bedanken, staat hij erop om iets terug te kunnen doen. Als geschenk creëert hij uit hout een mooie, gesluierde Maria. Tot ieders verbazing blijkt Masoud een getalenteerde houtsculpteur. Met een enkele symbolische daad slaat hij een brug tussen twee werelden, gebouwd op de pijlers van zijn genereuze en creatieve geest. En dat ondanks de moeilijke queeste die op hem weegt. In een tijd waarin de tegenstellingen tussen Islam en christendom weer op de spits worden gedreven, omarmt Masoud, nochtans een overtuigde sjiiet, de christenen als waren het zijn broeders. Dat alleen al geeft zijn leven een unieke betekenis.

Ik kan niet anders dan op Wereldmannendag Masoud Niknam te voorzien van dit bescheiden eerbetoon. Hij mag dan een zoeker geweest zijn zonder happy end, hij belichaamt wel perfect deze – voor de gelegenheid aangepaste – woorden van de Dalai Lama: “De planeet heeft geen nood aan nog meer succesvolle mannen. De planeet heeft daarentegen dringend nood aan een pak meer bruggenbouwers, healers, artiesten, verhalenvertellers, vredestichters en liefdesambassadeurs uit alle windstreken.” Masoud was zo iemand. Een standbeeld behoeft hij niet, bloemen of kransen evenmin. Wel dat plekje in ieders hart.

Misschien is de betekenis van Wereldmannendag wel het begin van een nieuwe broederschap over grenzen en overtuigingen heen. Willen we niet collectief verdrinken in de maalstroom van een verhardende en op hol slaande wereld, dan hebben we nood aan meer mannen die het pad van Dalai Lama’s woorden gaan bewandelen en daartoe de handen in elkaar slaan. Masoud zal toekijken en glimlachen, misschien wel over deze mannen waken.

Buigen voor een batterijwijf

lhasa-kathmandu-bike-tour480Hoe krijg je als man de diepste inzichten? Op een meditatiematje, rond een mannenvuur of onderweg naar Compostella? Door een topspreuk van de Dalai Lama? Doe mij maar de fiets.

Op het einde van de Koetsweg draai ik de Heideberg op en schakel naar het binnenblad. De metalen klik van de derailleur geldt als het startschot voor de heroïsche beklimming. Voor me driehonderd meter ongenadig steil. De kerk van Boven-Lo, bovenop de Heideberg, is het mikpunt. De target, denk ik, dat klinkt wat stoerder. De kerktoren oogt eerder dreigend dan uitnodigend, alsof God in eigen persoon de inspanning aan iedereen met klem wil ontraden. Ook hij weet dat de Heideberg beklimmen altijd een beetje sterven is en een gesneuvelde wil hij niet op zijn goddelijke geweten. Ik sla zijn wijze raad in de wind en gesel de pedalen.

Het duurde jaren vooraleer ik de uitdaging aanging. Bijna elke fietser, inclusief sportief uitziende jongeren met trendy sneakers en snedige tweewielers, stapt af aan de voet van de beklimming. Ze bedwingen de berg te voet, hun vehikel als een weerbarstige hond naast zich meetrekkend. Ook vandaag is er zo iemand. Wanneer ik hem voorbij fiets, geniet mijn ego van de jaloerse, verwonderde blikken in mijn rug. Maar vandaag is er een kaper op de kust. Een cyclotoerist in een strak rennerspakje heeft net als ik de beklimming aangevat. Langzaam maar zeker lijkt hij me te remonteren. Ik steek een tandje bij.

Het bedwingen van de Heideberg is een exploot dat ik op een dag heb weten af te vinken, niet zonder een portie mannelijke genoegdoening. Het glooiende Hageland met zijn vele korte maar nijdige hellingen hebben kuiten, hart en longen gepimpt tot proporties waarvan ik niet wist dat ik ze in me had. De zestig schamele kilo’s op de balans heb ik leren appreciëren als de ultieme bondgenoot bergop. Het is een competitief voordeel dat zo uitgesproken is, dat ik me afvraag of er aan mij geen notoir ronderenner verloren is gegaan. Eentje die had kunnen schitteren op Alpencols of Mont Ventoux. Soms fantaseer ik over uitzinnige tifosi, legendarische overwinningen en podiummissen die hun glossy lippen synchroon tegen mijn gewillige wangen drukken. Dat zit er vandaag niet in.

De cyclotoerist heeft me sneller dan verwacht bijgebeend en doet erop en erover. Dat heeft hem wel krachten gekost. Aan zijn hevig hijgen hoor ik dat hij in het rood gaat, terwijl ik nog een overschotje in de tank heb. Ik been hem weer bij en bijt me vast in de slipstream van zijn achterwiel. Misschien kan ik hem net voor de top weer lik op stuk geven, en dat met een iets minder sportieve fiets waar ook nog eens een fietszak aan bungelt. De Christus in de kerk van Boven-Lo observeert mijn blitzkrieg en wriemelt onrustig aan zijn kruis. God ziet nu eenmaal alles, dus ook de twee malloten die hem in overdrive tegemoet peddelen, zij het niet met de intentie om een lekkere partij Onzevaders te komen afhaspelen.

Het psychologisch lastigste stuk van de helling is net over halfweg. Het stijgingspercentage neemt er nog lichtjes toe alvorens tergend langzaam weer af te vlakken. Net op dat stuk steekt de wielertoerist nog een tandje bij. Hij had mijn maneuver in de smiezen en gaat fluks op de trappers. En danseuse showt hij me ongewild zijn glimmende kuiten, waarop zijn getrainde spieren bollen als staalkabels. Het wordt me snel duidelijk dat hij me alleen nog de aanblik van zijn achterkant zal gunnen. Nog geef ik niet op. Misschien gaat hij zover in het rood dat hij boven minutenlang zal moeten recupereren, terwijl ik op tempo verder naar boven peddel en hem op het vlakke gedeelte alsnog weer te pakken kan krijgen. ‘Hij heeft zijn beklimming beter ingedeeld,’ hoor ik een denkbeeldige wielercommentator mijn strategie al bewieroken. Even snel kan hij de micro weer opbergen. De cyclotoerist vertoont nauwelijks tekenen van verval en verwerft steeds meer voorsprong. Ik zal hem niet meer bijhalen. Als troostprijs lonk ik achterom naar de fietser die het traject te voet aflegt. De Christus trekt de kruisnagel uit zijn rechterhandpalm en maakt met zijn arm een “ach man”-gebaar, waarna hij zijn hand met frisse tegenzin weer in lijdenswaardige positie zet. Mijn hart springt bijna uit mijn lijf.

Ik trek me dan maar op aan alle keren dat ik op een naburige helling anderen het nakijken gegeven heb. De Pinoutstraat is even lang als de Heideberg maar heeft halfweg een stuk vals plat waar je even kan recupereren, om te eindigen met een pittige finale. Die ligt me beter. Ik weet perfect hoe ik de inspanning moet indelen en welke de ideale versnellingen zijn om daarbij te hanteren. Terreinkennis als competitief voordeel. Hier stappen minder fietsers af, de moedigen harken in meerdere of mindere mate zieltogend naar boven, soms zwalpend over de weg. Al jarenlang ben ik de onbetwiste koning van de Pinoutstraat, een zeldzame wielertoerist zoals de Heidebergsaboteur niet te na gesproken. Althans, dat was zo tot de electrische fietsen een hoge vlucht namen en me voor een nieuwe, oneerlijke uitdaging stelden. Zelf sterf ik nog liever dan electrisch te gaan, poch ik wel eens. Wettelijk gezien mogen die aangedreven tweewielers overigens niet harder dan 25 km/h, een snelheid waar ik althans op vlakke ondergrond nog vlot de maat van neem, op aandrijving van fiere spieren. Het probleem is dat electrische fietsen mits het opentrekken van de gashendel bergop nog steeds de volle 25 km/h per uur kunnen halen, terwijl ik dan het onderste uit de kan moet halen om tegen de 15 km/h te blijven aanschurken. Een doemscenario.

De lange aanloop naar de Pinoutberg vangt aan met een vlakke kilometer. In dat stuk peddel ik onlangs een sportief fietsende, electrische jongedame voorbij, een categorie fietsers die ik in een oneerbiedige bui heb bedacht met de term batterijwijven. In de vlakke kilometer neem ik op haar honderd meter voorsprong. Minstens. Daarna krijg je een kilometer vals plat die leidt naar de eigenlijke beklimming. Ik geef het volle pond en kijk niet achterom. Ik wil haar nu eenmaal niet de indruk te geven dat het een erezaak is om haar voor te blijven. Dat is het wel degelijk. Bij een pittige opwaartse knik in de valsplatte aanloop zie ik vanuit een ooghoek dat Batterijwijf weer op me aan het naderen is. Ze houdt me in het vizier en wil me terugpakken, zoveel is duidelijk. Dat lukt haar overigens best en bij de aanvang van de Pinoutcol zit ze weer zo goed als in mijn wiel. Ik weet nu al dat het een ongelijke strijd wordt. Verbeten wrikt ze aan het gashendeltje op haar stuur en trekt alle electrische registers open. Met schijnbaar gemak wiegt ze achteloos de helling op, terwijl ik verbouwereerd en wild hijgend achter haar aan hark. Mijn pedalen lijken op een strandmolentje bij 10 Beaufort. ‘De batterij van madam moet weer zo snel mogelijk plat, zeker?’ Dat wil ik haar nog naroepen, maar die triomf gun ik haar niet. Ik fiets op mijn gemakje naar boven alsof het me nooit kon schelen en easy going altijd mijn intentie was. Boven likt mijn ego de wonden schoon.

De laatste tijd maakt mijn hart na een zoveelste prestigeduel steeds vaker misbaar. Dat uit zich in wild geklop en ritmestoornissen die minuten blijven aanhouden. Of het een mooie dood zou zijn, vraag ik me af, geveld voor de eer en de denkbeeldige bloemen, door een getrainde cyclotoerist of door Batterijwijf, kickend op een rondje downsizen van mannenego’s. En ik, waar kick ik op, daagt het me plots? Wat heb ik zonodig te bewijzen? En is het bij dubbel vijf niet wat laat voor het bedwingen van een midlife crisis op ultrasportieve wijze?

Al heel mijn leven doe ik er alles aan om me in de kopgroep te nestelen. In de avant-garde, die de anderen altijd een lengte voorblijft. Voor de eer en de glorie? Niet echt, besef ik. Ik wil vooral niet afgewezen worden en hoe kan dat beter dan je altijd bij de eersten en de besten te weten? Stilstaan is niet alleen achteruitgaan, het is doodgaan. Survival of the fittest, net als in de dierenwereld. Presteren is de brandstof van de overleving, van het verzekeren van je plek in de crew, bij de happy few. Van het versieren van likes, respect en vleiende woorden.

Van een voetbalspits, hoe bedreven en efficiënt ook, herinnert men zich enkel de laatste goal. ‘Hij staat al zeven matchen droog,’ luidt het ongenadige commentaar van de voetbaljournalist, wanneer er zand is gesukkeld in de scoringsmachine. Bij elke match wordt het onder zijn neus gewreven. De gefrustreerde spits wil de reporter het liefst van al een muilpeer verkopen, maar houdt het op no comment en een moordblik. Wie niet langer scoort, wordt na verloop van tijd door de fans uitgejouwd, weet hij als geen ander. Supporters verliezen hun geduld. Als Romeinse keizers draaien ze de duim neerwaarts. Ander en beter, graag.

Of het echt zo’n vaart loopt, wanneer je niet meer zonodig wil scoren en uit de race stapt? Bij niet-voetballers denken mensen misschien gewoon: werd dat even tijd. Misschien ook niet. Dat zijn dan de andere competitiebeesten waartegen je vroeger streed. Tegenwoordig laat ik ze rijden. Aan een gestaag tempo beklim ik de Hagelandse heuvels. Me forceren doe ik niet langer. Done that, been there. In plaats daarvan geniet ik van het uitzicht. De inspanning wordt iets leuks, mijn hart wordt een blije hond die achter een stok aanrent. Ik hoor mijn ademhaling en voel het ritmisch kloppen in de borst, intens maar beheerst. Dankbaar glimlachend om dat fitte lijf. Niet meer, niet minder.

De prestatiedrang en het haantjesgedrag is iets waar we als man collectief dringend aan de bak mee moeten. We spuien graag kritiek op landen die “We First” door een megafoon orakelen of op het spierballengerol van het groeiende clubje macho wereldleiders. We rollen over de grond van verontwaardiging bij de exorbitante winsten van miljardenconcerns of bij het onvermogen van politici om een deftig klimaatplan in elkaar te boksen, laat staan tot significant resultaat te brengen.

Aan het einde van de tirade begint de verandering gewoon bij onszelf. De revolutie komt altijd van onderuit. Als man zijn we niet machteloos, het mankeert ons enkel aan moed. De moed om naar onszelf te kijken en om ons doen en zijn weer in balans te brengen. Eerst binnen in onszelf, daarna in de wereld. Walk our talk. In elke man schuilt een changemaker. De moed van dat kleine, Zweedse meisje is onze confronterende wake-upcall. Greta kijkt ons in de ogen.

Ik buig voor de cyclotoeristen en voor Batterijwijf, zij zijn de leermeesters die mijn gedrag hebben gespiegeld. Ze hebben me het inzicht aangereikt dat prestatiedrang en de ander de loef afsteken nergens toe leidt. Het verdeelt, balt vuisten en put uit. Het verschraalt de ziel. Er is een andere weg mogelijk. Nodig. Nu. De ware passie van de man manifesteert zich in een nieuw bewustzijn, niet in een volgende overwinning, deal of dividend.

Met dat inzicht kan Batterijwijf ook weer gewoon een sportieve dame op een electrische fiets worden. Plechtig beloof ik de denigrerende term nooit meer te zullen bezigen, dat zweer ik bij de Christus van Boven-Lo. En ik, wat word ik? Ik ga voor leerling-alchemist in een mannenqueeste op twee wielen. The ride is on.

Brief aan Elisabeth

ElisabethBeste Elisabeth,

Achttien worden, het doet wat met een mens. Een meisje wordt vrouw. Yes I can. Slagroomtaart. Moët et Chandon. Bevlogen speeches. Collectieve glimlach. Streepje emo. Een leven dat je toelacht.

Maar jij bent niet de girl next door, jij bent de kroonprinses. Girlish ben je al lang niet meer, daarvoor is de taak die van kinds af aan naast je meestapt te gewichtig, als een kleverige schaduw. Toen je nog barbiepoppen glamoureus opkleedde, hoorde je al die stem: jij wordt ooit onze nieuwe koningin en je zal er dan net zo chic uitzien. Tijdens je tienerjaren drong het naderhand tot je door dat het dragen van een haute-couturejurk weliswaar ooit tot je koninklijke leefwereld zou gaan behoren, je hoefde maar naar je vader te kijken om te beseffen dat het geen cosy Disneyverhaaltje wordt. Aan de horizon wacht een breed palet aan bloedernstige aangelegenheden je op. Elke dag opnieuw. Uit op jouw onverdeelde aandacht en toewijding, baaldagen niet getolereerd.

Het schrikt je niet af. Zelfzeker sta je op je achttiende verjaardag voor de micro om je speech te geven. Stoer drietalig. Over hoe je optimistisch naar de toekomst kijkt. Dat je nog veel te leren hebt maar het helemaal ziet zitten. Het gaat ook over dankbaarheid, in de eerste plaats naar je ouders toe. Pa en ma grijpen elkaars hand en plengen net geen traan. Natuurlijk is het een voorgekauwde speech: de clichés spatten ervan af en de mediatraining voer je gruwelijk perfect uit. En toch: goed gedaan, beter dan velen hebben ingecalculeerd. Niemand kan nog naast die zelfbewuste jonge vrouw kijken. Je lange, bruine lokken dansen en glanzen. Je ogen glimmen. Je staat er.

Niet iedereen zal even enthousiast zijn. Dat is geen nieuws. Je hebt zij die de monarchie sowieso liever kwijt dan rijk zijn. Je kan er gif op innemen dat sommigen meewarig of ronduit scherp uit de hoek zullen komen. Iets over naïviteit, misschien iets cynisch. Dat Franse Saksen-Coburgaccentje in je overigens vlotte Nederlands. Een schoonheidsvlekje voor de ene, een schandvlek voor de andere. Het zal je niet deren.

Prima, want wij kijken halsreikend uit naar een koningin. Na drie Leopolds, twee Alberts, een Boudewijn en een Philippe wordt jij niet alleen de zevende monarch, je wordt ook de allereerste vrouw op de Belgische troon. Wellicht heb je al van chakra’s gehoord en weet je dat er precies zeven zijn. Dat kan geen toeval zijn, alsof jij de ontbrekende schakel in het Belgische raderwerk bent. Misschien ga je je wel settelen in de regionen van de middelste chakra, daar waar het hart regeert. Misschien word jij wel de kampioene van het luisteren naar de verhalen en noden van je volk. Van het verbinden van mensen en bevolkingsgroepen over grenzen heen. Van het laten shinen van elke onderdaan, het beste in elk van ze naar boven haalt.

Er zijn ook zeven hoofdzonden. Niet dat we je verdenken om je ook maar aan een enkel exemplaar schuldig te maken. Je bent superbeleefd en hebt de etiquette stevig onder de betrouwbare prinsessenknie. Elke aanspreektitel, tafelritueel, aanvaarding of afwimpeling van een dans, het heeft wellicht geen geheimen meer voor je. En toch zouden we het niet erg vinden indien je ook zou leren om wat buiten de lijntjes te kleuren. Dan bedoel ik niet dat we je op een korrelige boulevardbladfoto al tongzoenend willen betrappen met een dubieus heerschap. Evenmin wachten we op een neuspiercing of vlindertattoo – hoewel het je best goed zou kunnen staan. We kijken eerder uit naar meer hart en spontaneïteit op de koninklijke tong. Durf wat meer dan de politiek correcte en voorspelbare zinnen, zoals exemplaren die beginnen met “ik vind dit zeer interessant”, “zeer mooi“ of “zeer belangrijk“. Zeg in plaats daarvan dat de haartjes op je armen komen recht te staan. Of dat je weggeblazen bent en nog steeds aan het wowen bent. Iets “belangrijk” vinden: nog zo’n dooddoener. Als het dat daadwerkelijk is, stel dan dat we geen seconde langer mogen wachten met die eerste stap daarvoor te zetten. Vraag wat daarvoor nodig is en laat ze je op de hoogte houden. Word een inspirerende powervrouw, niet door je kroon maar door je charisma. Een natuurlijke leidersfiguur. Glamoureus, warmhartig, lentefris en competent.

Men zal veel van je verwachten. Duizenden handen zullen moeten worden gedrukt, talloze bezoeken afgelegd, glimachjes geproduceerd, handtekeningen serieel neergekrabbeld, speeches voorgelezen met juiste intonaties. Doe het met toewijding, maar druk je eigen stempel. Breek eens uit. Luister naar je raadgevers en drijf dan toch je zin door, op zijn minst toch af en toe. We willen geen harkerige queen maar hunkeren naar je soepele onbevangenheid, je jeugdige, vrouwelijke touch. Verras ons met een spontane uitspraak. Doe ons lachen met een kwinkslag. Tweet met de regelmaat van de klok iets prikkelend positiefs en vorm dat tegengewicht tegen de Trumps, Poetins, Erdogans en andere stoere jongens van deze wereld waar we niet blijer van worden. Vertel ongefilterd wat spontaan in je opkomt, wat je voelt, alvorens elke zin af te meten aan de wetten van het protocol. Word een koningin van het hart en schitter tegelijk maar lekker op de catwalk van de royals. Maar vooral: blijf altijd jezelf.

We hebben ook niets tegen een creatieve hobby, een coole instagram account of het opduiken van een leuke jongeman aan je zijde. Wat dat laatste betreft, zullen de eerste huwelijkskandidaten binnen niet al te lange tijd discreet naar je toe geschoven worden. Een soort adellijke tinder, met een intelligente posterboyprins als het ideale profiel. Mocht er tussen de aangeleverde kandidaten echter geen relatiemateriaal zitten, geneer je dan niet om ze een voor een weg te swipen en door de paleisramen te turen naar wie daarbuiten zoal rondloopt. Laat je hart spreken. En mocht het moment zijn aangebroken en die zielsverwant zomaar je leven binnenstapt, koester hem dan als een diamant aan je zijde. Laat hem niet in je schaduw blijven sudderen en op commando een tandpastaglimlach produceren wanneer het moment dat vereist. Laat hem niet eeuwig blijven zoeken naar een rol van betekenis, maar laat hem evenmin haantje de voorste spelen. Jij bent en blijft de numero uno, de koningin. Samen vinden jullie beslist het juiste evenwicht. Laat ook daar de liefde regeren.

Ja, het is best veel. Alweer geen nieuws. Sinds vandaag weten we dat je er klaar voor bent. Al deze raadgevingen heb je niet meer nodig. Je zal je eigen weg gaan. De weg van Elisabeth. Zoals het hoort.

Laat me besluiten met je nogmaals proficiat te wensen met je achttiende verjaardag, een van de prettigste mijlpalen uit een mensenleven. Geniet er met volle teugen van, blijf jezelf en sla je vleugels uit! Je bent er klaar voor. Wij ook voor jou.

Toen zwegen ook de meeuwen

tsunamiOp het strand heerste een gezellige drukte. Bikini’s werden zonwaarts gericht en om het halfuur opnieuw in een betere stelling gebracht, als betrof het een automatische, synchrone afstelling van honderden zonnepanelen. Een broer en een zus plikplokten met houten paletten een geel balletje heen en weer, kregen ruzie over de score en gaven er dan maar de brui aan. Een jobstudent ploegde met zijn ijskarretje doorheen het mulle zand voorbij een likkebaardend kroost, dat ondanks theatraal gejengel bot ving bij de ouderlijke macht. Een redder met geblondeerd haar en een Baywatch glimlach overschouwde zelfzeker de waterlijn, waar tientallen strandgangers pootjebaadden, al dan niet selfies nemend in wisselende poses en bezettingen, of zich waagden aan een genoegzame plons. En ik, ik sloeg net op mijn strandzetel de volgende pagina van mijn Stephen King om, toen het ondenkbare gebeurde.

Iedereen keek naar de zee of naar elkaar, sommigen veerden recht en tuurden naar de gezapig aanrollende golven. Niemand begreep waarom de zee plots niet meer klonk als de zee maar zich hulde in compleet stilzwijgen, alsof iemand op het strand haar met een afstandbediening op mute gezet had. Rondom mij begon iedereen zenuwachtig te praten, als om te controleren of er uberhaupt nog iets te horen viel. Gelukkig wel, leek iedereen te denken, en ze bleven praten alsof ze geloofden dat ze hiermee het onheil konden bezweren en de zee zo dadelijk haar gebruikelijke roffels na een welverdiende pauze zou hernemen. En ook de meeuwen krijsten nog, ook al scheerden ze laag over onze hoofden en leken ze net als wij uit hun gewone doen.

“Wat krijgen we nu?”

“Holy shit!”

“Dit kan toch niet?”

“Merde alors.”

Handen werden voor monden geslagen, kinderen in allerijl uit het water geschept, redders spraken koortsachtig in walkietalkies en gebaarden dat iedereen onmiddellijk de zee uit moest. Terwijl iedereen nog volop discuteerde over het bizarre voorval en zich afvroeg of er toch geen logische verklaring voor te vinden was, steeg ver aan de horizon een enorme watermassa op. Een gigantisch containerschip werd als een speeltje omhoog getild, misschien wel even hoog als de Appletize toren van Oostende die je van hieruit goed kon zien, waarna de containers als legoblokjes in de voortrollende tsunami werden geworpen. Op het strand werd bij die aanblik gegild en geschreeuwd en vooral gerend alsof het leven ervan afhing. Dat deed het ook, besefte ik, maar ik bleef koppig op mijn strandzetel met de Stephen King op mijn schoot en observeerde minutieus wat er gebeurde, als een oorlogsreporter die zo dicht mogelijk bij het front verslag wilde blijven uitbrengen van de esbattementen. De imposante watermuur, die me aan een mobiele versie van de Niagara watervallen deed denken, naderde razendsnel en geluidloos, alsof het oorverdovende gedruis ergens achter de golven was blijven hangen. Nog meer schepen werden afhankelijk van hun grootte simpelweg opgeslokt, omhoog gehesen als betrof het een spectaculaire rit in een achtbaan of geknakt als lucifers. Boven de zeespiegel trilde de lucht zoals bij een bloedhete dag in de woestijn, zodat je maar moeilijk kon zien dat boven de zee een zwarte vlek ontstond. Vogels, zo bleek, die massaal waren samengetroept en de tsunami landwaarts trachtten voor te blijven. Of waren het zwarte kraaien die haar net triomfantelijk escorteerden? Links en rechts van mij stoven de mensen van het strand. Kinderen werden, indien klein genoeg, in de armen en tegen de borst geklemd, huilend aan de arm meegesleurd of onophoudelijk aangemaand om in het spoor van hun paniekerige ouders te blijven. Hier en daar viel iemand, vertrappeld door de uitzinnige menigte. Wie te oud en sowieso niet goed te been was, strompelde voor wat die waard was, zij vielen als eersten ten prooi aan de op hol geslagen mensenmassa. Een jongen werd opzij geduwd en belandde pardoes bij me op de strandzetel. Zonder me een blik te gunnen, laat staan een snelle sorry te overwegen, veerde hij terug recht en trachtte net als duizenden anderen de stranddijk te bereiken. Dat was het moment dat ook het geluid van de mensen wegviel. Geen gil meer, geen onbedaarlijk huilen of geschreeuw meer, niets. Het strand was nu nagenoeg leeg en als ik inschatte hoe lang het nog zou duren eer de tsunami het land zou bereiken, zette ik in op minder dan een halve minuut. Toen zwegen ook de meeuwen.

Tot mijn verbazing was de arrogante redder met de blonde, geföhnde manen aan de vloedlijn blijven staan, als enige. Hij staarde naar de muur van water die op hem en mij en iedereen afkwam, zijn voeten lichtjes uit elkaar in het zand geplant, alsof hij zich schrap zette tegen wat komen zou. Hij vond nog net de tijd om zich te ontdoen van zijn reddersoutfit, tot hij enkel nog gehuld was in een soort groteske slip die ik eerder bij sumoworstelaars gezien had, met een brede stringband die zijn billen in twee halve manen splitste. Op zijn rug prijkte een grote tattoo van een mannenhoofd met lange haren. Het zou een Christusfiguur kunnen geweest zijn, maar evengoed Kurt Cobain of Che Guevara. Met nog een paar seconden respijt hief hij beide armen ten hemel in een grote V, alsof hij geloofde hiermee het aanstormende gevaarte te kunnen bezweren. Achter ons was de stranddijk ondertussen zo goed als leeg gestroomd, op een paar onfortuinlijken na die waren gestruikeld en half of helemaal vertrappeld achterbleven, zieltogend hengelend naar hulp.

Dit was nu de situatie: een volslagen stilte, een nagenoeg leeg strand en een wel honderd meter hoge muur van water die zo dadelijk de hele kustlijn zou verorberen als betrof het een amuse gueule bij een glas Aperol Spritz. Het eerste slachtoffer zou de schlemielige redder worden met ikzelf als waarschijnlijke tweede. Het liep anders. De watermuur, die bij nader inzien eerder tweehonderd dan honderd meter hoog was, kwam vlak voor de redder tot stilstand. Hij leek in opperste concentratie en maakte enkele bewegingen die ontleend leken aan karate, taichi, qi gong en alles daartussenin. Hij liet zijn armen ietwat zijwaarts zakken als overwoog hij een groepsknuffel met een denkbeeldige schare gelijkgezinden en keek achterom, recht naar mij. Daardoor verslapte zijn aandacht en leek de watermassa elk moment haar moorddadige tocht te zullen hervatten.

‘Magnum!’ hoorde ik iemand roepen, het eerste geluid sinds elke klank was weggevallen. Was dat de naam van de redder, vroeg ik me af. Die naam deed me denken aan een Griekse of Romeinse God en misschien was Magnum wel, indien niet de zoon, dan toch het hulpje van Poseidon, de god die sinds mensenheugenis de oceanen beheerste, toch? Of was het de jaren tachtig detective met de borstelige snor, die zijn Amerikaanse speelterrein even had ingeruild voor een levensbelangrijke klus aan de Belgische kust?

‘Magnum!’ weerklonk het opnieuw. De mysterieuze redder met de al even geheimzinnige naam concentreerde zich gelukkig opnieuw op het gevaarte, dat hem de ene keer plagend naderde en dan weer een halve meter achteruit week. Tot mijn ontsteltenis keek Magnum opnieuw naar me om en zag daardoor niet dat een zeemonster met een afschuwelijke kop en een bek vol vlijmscherpe tanden uit de watermuur tevoorschijn piepte, als een acteur die vlak voor de voorstelling zijn hoofd even tussen het gordijn steekt om poolshoogte te nemen van het publiek.

‘Magnum!’ riep ik nu zelf om hem te waarschuwen, maar de redder leek zich van geen kwaad bewust. Het monster toverde een gigantische tong uit zijn bek tevoorschijn.

‘Magnum!’ riep ik nog een laatste keer uit alle macht, maar het was al te laat. Het zeemonster lepelde de redder simpelweg als een tussendoorhapje naar binnen, waarna de watermuur meteen weer in beweging kwam en ijlings op me afraasde, dit keer wel met een oorverdovend gedruis, alsof met de redder ook de mute verdwenen was. Ik schoot wakker, badend in het zweet, terwijl de Stephen King op en neer deinde op mijn onrustige buik.

‘Ja, zeg, meneer, ik heb u wel gehoord, hé,’ zei de duidelijk geamuseerde ijsventer, ‘maar wil u nu een Classic of een met nootjes?’

Airco voor de ziel

Ventilator1Dilemma in mijn hoofd. Een buurtbewoner wil ten strijde trekken tegen het gemeentebestuur en ik weet niet wat ik ermee aan moet. De inzet is de verkeersoverlast. Die komt van een drukke verbindingsweg, die dwars door het dorp van Pellenberg loopt. Voor het protest valt iets te zeggen. Buurgemeente Bierbeek heeft besloten om een parallele verbindingsweg te beperken tot lokaal verkeer, gecontroleerd door camera’s met nummerplaatherkenning. Geen ontkomen aan dus. Het gevolg laat zich raden: nog meer verkeer door Pellenberg. Ondanks dat ik aan de bewuste weg woon, heb ik er persoonlijk niet zoveel last van. Mijn hersenen hebben blijkbaar geleerd om het geluid te negeren. Wakker word ik er zelden van, hoe druk het ook is. Waar je de aandacht op richt, wordt altijd groter. En ook omgekeerd. Dus. Anderzijds is er wel die onrechtvaardigheid. Bierbeek denkt “Not in my backyard”, terwijl Lubbeek het niet al te veel lijkt te kunnen schelen. Wanneer iemand pakweg om een beter en geluidsarmer wegdek vraagt ter vervanging van die afgeschraapte betonplaten, claimen ze dat er geen geld is. Of toch geen geld voor Pellenberg. Maar zelfs dat kan me niet echt op de barricades hijsen. Ben dan ik te onverschillig of te conflictvermijdend, vraag ik me af.
Wat me in de verkeerskwestie voornamelijk triggert, is eerder de bedenking dat we met zijn allen massaal die broeikasgassen blijven uitstoten, met de Pellenbergse ochtendspitsen als perfecte reminder. Business as usual, tegen beter weten in.
Ondertussen polariseert de klimaatdiscussie steeds verder. De wetenschap zal wel een antwoord zal vinden, orakelen de optimisten. Als we niet onmiddellijk een doortastend klimaatplan implementeren, wacht ons een armageddon, stellen de klimaatactivisten daar verontwaardigd tegenover. Ondertussen worden her en der nog maar eens hoogste temperaturen ooit gemeten en ook op andere vlakken slaat in de wereld de vlam in de pan. Een gigantische wolk van angst en kwaadheid lijkt over de planeet neer te dalen, hoezeer we ook ons best doen om die te onderdrukken of de andere kant op te kijken. Maar terwijl er hevig aan de boom geschud wordt, wordt de ziel wakker. In moeilijke tijden worden de grootste spiritele lessen geleerd, fluistert ze. Soms aan sneltempo. Hoe warm het ook wordt, de ziel heeft vooralsnog geen airco nodig. Wij wel, zij het dan vooral om onze gedachten af te koelen en te kijken wat we met deze situatie te doen hebben. Handelen vanuit liefde vinden we dan snel te wollig klinken, maar mocht iedereen de planeet als een levend wezen zien en niet als een manipuleerbaar, chemisch laboratorium, kwamen we al een eind. De Aarde behandelen zoals we zelf willen behandeld worden. Klein beginnen en dan steeds verder gaan, tot ons bewustzijn kantelt in een richting waarvan we niet wisten dat we die in ons hadden. Toch blijft het een worsteling, ook voor mij. Ik sorteer als gek, neem in een wegrestaurant een servetje in plaats van drie en doe verplaatsingen van minder dan twintig kilometer bijna altijd per fiets. Tegelijk neem ik op andere momenten wel vrolijk de auto en zit meer dan een keer per jaar op het vliegtuig. Ik maak me geen illusies: die harde lessen komen er sowieso aan en ze beïnvloeden ons nu al meer in slechte maar ook goede zin. Ja, beslist ook de goede zin. Alleen haalt dat zelden het nieuws, de ziel is nu eenmaal geen podiumtijger. De enorme veranderingen zullen we beslist niet prettig vinden, maar de ziel zal in haar nopjes zijn. Laat maar komen, die bewustzijnssprong.
En Lubbeek, doe alsjeblieft iets aan die verkeersellende.

Een nieuwe D-Day

DDay‘Ze zijn geland! Ze zijn geland!’ Vader, ondertussen bijna vijfentachtig, herinnert het zich alsof het gisteren was. Een dorpsgenoot had het grote nieuws opgepikt door op zolder te luisteren naar de krakende nieuwsberichten op zijn verboden radiootje. Als een lopend vuurtje ging het beste nieuws sinds tijden van mond tot mond. Op minder dan een uur was de volledige Westhoek op de hoogte. Een dikke maand na pa’s tiende verjaardag ziet hij de tanks triomfantelijk over de kasseien van de dorpsstraat denderen. Erbovenop een stel uitgelaten Canadese soldaten, die strooien met kushandjes en souvenirs. Het moment blijft voor altijd in pa’s geheugen gegrift. Tot op de dag van vandaag is zijn erkentelijkheid tegenover Britten en Amerikanen tastbaar. De ene keer was de oorlog voor hem een spannend jongensavontuur, op andere momenten liet het diepe littekens na. Niets zou meer bepalen wie hij is geworden dan die vier heftige jeugdjaren.

In maart van dit jaar bezoek ik samen met hem het D-Day museum in Portsmouth. Nauwelijks een detail dat hij nog niet wist. Wie op welk strand is geland, met welk succes of welke tegenslagen. Op Omaha Beach waren de verliezen zwaar, benadrukt hij met een ernstige frons op het gelaat. We kijken in een landingsvaartuig waarin het kritieke moment mits een 3D-projectie weer tot leven wordt gebracht. Soldaten met gespannen  gelaatstrekken horen hoe de golven wild tegen het landingsvaartuig aanklotsen. Met tussenpozen weerklinkt mitrailleurvuur, gevolgd door ijzingwekkende kreten. Dan gaat de laadklep naar beneden en barst de hel los. Uiteindelijk zal het goede kamp het halen, anders hadden we hier vandaag niet gestaan.

Ik vraag me af wat het allemaal met me doet. Hoe ervaar ik het D-Day gebeuren? Uiteraard ben ik gefascineerd en verbluft door deze legendarische episode uit WOII. Natuurlijk vind ik het ontzagwekkend, als in “Lord of the Rings”, waarbij je op voorhand weet dat de goeden het zullen halen van de slechteriken en een geduchte tegenstander het alleen maar heroïscher zal maken. Maar het is niet de heldhaftigheid die zal blijven hangen. Het is iets anders.

In het museum in Portsmouth wordt mijn aandacht eerst getrokken door de zogenaamde “Hobart’s Funnies”. Dat zijn omgebouwde tanks die op D-Day allerlei speciale klussen moeten opknappen. Een resem tanks krijgt een soort gigantisch, opblaasbaar reddingsvest, zodat ze een stuk door zee kunnen ploeteren tot ze op het strand gewoon weer met hun rupsbanden aan het rollen kunnen. Andere krijgen een installatie waarmee ze een soort tapijt kunnen uitrollen over het strand, zodat camions zich niet zullen vastrijden. Nog een andere kan in een paar seconden een overbrugging plaatsen over een diepe gracht. De creativiteit spat van de militaire plannen, ingenieurs kloppen overuren. Ze bouwen onderdelen voor een kunstmatige haven die als een Ikea bouwdoos naar de overkant verscheept kan worden en daar in elkaar gezet. En hoe op voorhand die vitale bruggen innemen? Waarom niet met grote zweefvliegtuigen volgepakt met special forces, die simpelweg vlakbij in een wei zullen landen?

Na de onstelpbare fontein van creativiteit beginnen me nog meer dingen op te vallen, zoals hoe er wordt samengewerkt als nooit tevoren. De geallieerde landen vinden elkaar voor wat de grootste operatie van WOII zal worden. Het beperkt zich lang niet tot grote kleppers Amerika, Engeland en Canada. Ook Frankrijk, Nederland, België, Denemarken, Tchechoslovakije, Polen, Griekenland en Noorwegen zijn betrokken. Internationale samenwerking claimt een nieuwe dimensie. Ook de logistiek is gigantisch. Hoe scheep je op enkele uren meer dan 150.000 man in, breng je 6.500 vaartuigen in stelling en stuur je 11.500 vliegtuigen de lucht in? Ongezien. Een organisatorisch huzarenstuk.

Maar machtsontplooiing is niet voldoende. Is iedereen gemotiveerd en bezield genoeg om het doel te bereiken? Op de vooravond houden de bevelhebbers gedenkwaardige toespraken. ‘De ogen van de wereld zijn op jullie gericht,’ spreekt Eisenhower de troepen toe, terwijl ze gespannen maar ademloos aan zijn lip hangen. ‘De hoop en de gebeden van alle mensen die naar vrijheid verlangen, varen samen met jullie naar de overkant. Ik heb volledig vertrouwen in jullie moed, toewijding en talent. We gaan voor niets minder dan de overwinning.’ De “yes you can” van Eisenhower is lang niet de enige verbale opsteker. Op 6 juni spreekt de Engelse King George VI, de koning die zijn stotterprobleem overwon, door de radio tot de natie: ‘Op dit historische moment is niemand van ons te bezig, te jong of te oud om deel te nemen aan een nationale en mogelijks wereldwijde gebedswake, terwijl de grote kruistocht onverminderd verdergaat.’ De spirituele of religieuze dimensie ontbreekt niet.

Mijn conclusie is simpel. Hoe onoverkomelijk het doel ook lijkt, succes is gegarandeerd als je tienduizenden mensen kan laten samenwerken over landsgrenzen heen, als je creatief en organisatorisch talent rond een tafel kan samenbrengen, als je de grote middelen kan mobiliseren en als je iedereen rond dat grote doel weet te bezielen. D-Day zou de inspiratie kunnen zijn om de grote, grensoverstijgende uitdagingen van deze tijd aan te gaan, zoals de klimaatopwarming of de plastic afvalberg, om er twee actuele te noemen, misschien getriggerd door iemand die op een dag luidop durft zeggen: ”I have a dream for a new D-Day.” Deze keer niet voor een oorlogsexploot, maar voor een vredevol doel. Om dit levensgrote probleem eindelijk aan te pakken en daarna hetvolgende actuele vraagstuk, om zo, na de successen van enkele indrukwekkende D-Days, het bewijs te leveren dat een betere wereld daadwerklijk mogelijk is. Een nieuwe D-Day als het begin van een positieve spiraal naar een nieuw en ethischer bewustzijn. Dat zou pas het ultieme eerbetoon zijn voor die legendarische gebeurtenis van 75 jaar geleden, toch?

Moederdagen zonder moeder

Tears Sadness Petals Tulip Sad Water Drops Beautiful Flower Wallpaper LaptopMoederdag. Overal zie je rozen of orchideeën uit opgepoetste auto’s stappen. Verwachtingsvol stevenen ze af op de voordeur van ouderlijke huizen, wachtend op een gulle glimlach en dat eeuwige “had je echt niet hoeven doen”. Maar je bent al jaren niet langer de drager van dergelijke liefdesbetuigingen op moederdag. Want ze is er niet meer.

Natuurlijk gun je alle levende moeders ter wereld dit ultieme eerbetoon, dit familiale ritueel waarbij de belangrijkste liefdesband die zonen en dochters ooit zullen hebben onvoorwaardelijk gevierd wordt. Nooit zullen moeders het risico lopen om het voorvoegsel “ex” te worden toegedicht en mensen die zich daartoe zouden durven verlagen, weet je, hebben zowel verstand als ziel verloren.

Wanneer je zelf kinderen hebt, weet je dat datzelfde ritueel zich op moederdag weer zal voltrekken. Hun zoenen, boeketten en hun mond vol mooie woorden zullen je vullen met een warme gloed. De pijn om het ontbreken van je eigen moeder zal naar de achtergrond verhuizen, maar helemaal weggaan doet hij niet. Een pak moeilijker wordt het wanneer door de omstandigheden elk vieren op moederdag ontbreekt. Dan hoor je mistroostig hoe bij de buren cavaglazen worden aangetikt, zie je door het raam hoe de aardbeientaart versneden wordt op de tafel die zindert van familiaal geluk. Maar jij, jij diept voor de zoveelste keer de koekendoos met oude foto’s op uit de kast met het schurende scharnier, en terwijl facebook overspoeld wordt met foto’s van breedlachse moederkaken en kinderarmen die daarbij als grijpkranen achter haar rug worden gehouden, grasduin jij door de herinnering van jouw vervlogen moedertijden.

Natuurlijk kan je nog steeds in gedachten tot haar praten. Je kan nog steeds bloemen voor haar neerzetten op diezelfde kast waar ze jou vanop een foto trouw blijft toelachen, zoals ze dat als geen ander kon. Natuurlijk kan je dat mooie gebedje voor haar doen of je troosten met de gedachte dat iemand pas vergeten is, wanneer die uit je gedachten en je hart is. Dat zal nooit gebeuren. Maar ze is er niet meer.

Je mist de geur van haar gerechten, die je geblinddoekt en beter dan een hondenneus herkennen zou. Je mist de noeste pedaaltred en het ritmisch buigen van haar frêle schouders, telkens ze jouw jonge, onbeholpen jij naar school toe peddelde. Je mist het timbre van haar alles-komt-altijd-goed stem, die je feilloos kon vinden temidden van massaal geroezemoes. Nooit zal je nog je getormenteerde hoofd kunnen begraven in haar troostende schoot, je berg liefdesverdriet met een simpele aai voelen reduceren tot een vage kras in de capriolen van je levensloop. En wanneer je je afvraagt welke weg je morgen in te slaan hebt, zal je niet meer verrast worden door haar wijze levensraad, door dat ene zinnetje dat je donkere hemel instant aan de horizon deed opklaren. Want jouw moeder was een magiër.

Wanneer de angst je om het hart sloeg, werd ze een onineembare vesting, veilig voor donder en bliksem, voor elke onverlaat die je kwetsen wou. Ze genoot van je talenten die bedeesd hun hoofd boven water staken en ze zou niet stoppen met applaus tot je fier durfde waterskiën op de ontdekking van je kunsten. Ze danste doorheen je leven als een toverfee, plaveide de weg naar wie je ontegensprekelijk worden wou. Je moeder was je vurigste pleitbezorgster, jouw heldin in bange en uitbundige tijden.

Maar je werd ouder en ontdekte dat ook moeders niet perfect zijn. Ze lieten je niet los wanneer je daar klaar voor was. Ze worstelden zelf wel eens met het leven en soms ook met jou. Maar je herinnert je het gemak waarmee ze jou vergaven, wanneer dat nodig bleek. Hoe makkelijk werd het daardoor niet om ook haar te vergeven en haar bij ontij te omringen met diezelfde moederlijke koestering, waarmee ze jou lange jaren had bejegend.

Daarom schenk je op moederdag toch een glas uit bij haar foto. Zonder haar zou jij en je wereld niet bestaan. Voor zoveel schoons doe je op deze dag een diepe buiging en vul je de ruimte met je puurste dankjewel. En wanneer buiten een zoveelste ruiker naar een moeder wordt gebracht, weet je dat die altijd ook een beetje voor je eigen moeder is.