De napalmvader

Het was deze week vijftig jaar geleden dat de iconische foto werd genomen van Kim Phuc Phan Thi, het zogenaamde “napalmmeisje”, dat naakt wegrende na een chemische aanval. Ze werd het symbool van de verschrikkingen van de oorlog in Vietnam en naderhand van oorlogsgeweld tout court. In de krant vertelt ze over haar moeilijke traject, van het fysieke en emotionele leed tot de loutering die ze uiteindelijk vond. Na haar moeilijke reis overheerst de dankbaarheid voor haar rol als universeel vredessymbool. Een mooier en krachtiger verhaal vind je zelden. Maar, vroeg ik me af, hoe verging het eigenlijk de andere kinderen op de foto?

De twee jongens links naast Kim zijn haar broers, in de achtergrond kijkt de jongste met ongeloof achterom. Hoe verliep hun levenspad, hoe hebben zij het verwerkt? In de interviews met Kim blinken ze uit in afwezigheid. Na wat zoekwerk kom ik erachter dat de oudste broer door de napalm een oog verloor, landbouwer is geworden en drie dochters heeft. De napalmvader voelt vaak pijn en kan niet altijd helder denken. De jongste broer lijkt dan weer geruisloos weggegleden in de plooien van de anonimiteit.

Mannen hebben sowieso meer moeite om gevoelens te uiten en al zeker het heftige soort. Ze dragen hun pijn liever in stilte. In de statistieken van gelukte wanhoopsdaden kloppen ze met verve het andere geslacht. Stromae zingt erover op zijn recente album: “On croit parfois que c’est la seule manière de les faire taire. Ces pensées qui nous font vivre un enfer.” Flip Kowlier verwoordt het dan weer zo op zijn nieuwste: “Ik wille niet dai mie ziet. K zitte diepe in ’t geniepe van ’t verdriet.” Het liedje vangt overigens aan met “Ooit spring ik in de vaert”. Dat is een oud West-Vlaams gezegde dat meestal stuitert uit de bittere mond van zij die het niet meer zien zitten. Voor deze mistroostige mannen met gebogen hoofden en korstige, op elkaar geperste lippen is zelden een interview of eerbaar artikel weggelegd.

Mannen hebben altijd een oerinstinct gehad om hun familie te ontzien en af te schermen van hun trauma’s. Liever dragen ze hun eigen hel, indien het moet een leven lang, als opoffering voor de volgende generatie. Een betere toekomst voor zij die na hen komen, dat is hun enige betrachting. Daarvoor houden ze het vol. Gelukkig komt daar steeds meer verandering in, met dank aan artiesten die het bespreekbaar maken – en aan de veranderende tijdgeest.

Mijn grootvader heeft de verschrikkingen van WOI meegemaakt in de loopgraven. En de wapenstilstand was nog niet koud of hij verloor zijn broer en strijdmakker aan de Spaanse griep. Luttele maanden voor mijn geboorte overleed opa. Of hij veel over die vreselijke ervaringen gerept had, vroeg ik mijn vader eens. Met geen woord, luidde het antwoord. Vaak werd opa in de tuin gespot, kronkelend van de maagzweerpijn, alsof alle onuitgesproken gruwel zich daarin had samengebald. Hoe de napalmvader het ervan afbrengt, weten we niet, maar de kans bestaat dat zijn gespaarde oog vaak zielloos voor zich uitstaart naar een onbestemd punt in de rijstvelden.

Vaderdag mag ook een ode zijn aan de oorverdovende stilte van gekwelde kruisdragers, deze kolonne van gestolde mannen, die in noeste opoffering hun enige betekenis vinden. Het is hun manier om weg te plaveien voor hun ontbolsterend nageslacht, waaronder ook de mannen en vaders van vandaag. Op deze dag verdienen zij evenzeer een diepe buiging.

Waarom God de Queen savet

Is Queen Elisabeth een bestoft museumstuk of een onverslijtbare powervrouw met een boodschap? Een week voor de viering van haar “platinum jubilee“ sta ik in Londen te kijken naar de voorbereidingen. Mannen balanceren vervaarlijk op ladders voor het aanbrengen van opzichtig vlagvertoon, festivaltoiletten worden als tiny rijhuisjes naast elkaar neergepoot, security guards struikelen over elkaar of worstelen met walkietalkies.

Zeventig jaar eerder staat Elisabeth in een Keniaanse boomhut door een verrekijker te turen naar nijlpaarden en giraffen, wanneer haar leven compleet wordt overhoopgegooid. De King, haar vader, is niet meer. Ze staart eventjes wezenloos voor zich uit, maar niet te lang. “Rouw is de prijs die we betalen voor liefde” zal een van haar bekendste quotes worden. Anderhalf jaar later wordt ze in Westminster Abbey ritueel gestript tot op haar witte onderkleed om vervolgens als koningin aangekleed te worden, met de kroon als orgelstuk. Vastberaden maar ietwat onwennig zweert ze haar nieuwe status in. Ze is zevenentwintig – en Queen.

Ik observeer hoe de oprijlaan naar Buckingham Palace voor de Jubilee wordt opgeschoond, hoefgetrappel weerklinkt voor een repetitie. Wat moet ik eigenlijk met de Queen, vraag ik me af, en velen met mij. We kennen haar van zwaaihandjes, van lintjes knippen voor een nieuwe ziekenhuisafdeling of metrolijn, van glamourfeesten in Downton Abbey-decors en van het voorlezen van de Queen’s Speech – door de regering geschreven – bij de opening van het parlementaire jaar. Dure, ceremoniële folklore? De monarchie op de schop, wordt zelfs geopperd door een groeiend aantal critici. En toch.

In een van haar allereerste kerstboodschappen zei ze: “Ik kan jullie niet leiden in de strijd. Ik geef jullie geen wetten of spreek geen recht uit, maar ik kan iets anders doen – ik kan mijn hart en mijn toewijding geven aan deze oude eilanden en aan alle volkeren van onze broederschap van naties.” Dienstbaarheid en verbinding zijn haar credo. Achter haar introverte, ietwat rigide voorkomen schuilt een warme vrouw met wijsheid, innerlijke kracht en droge humor. Spiritueel verrast ze. Wars van starre religie zegt ze “dat wij allemaal slechts passanten zijn in deze tijd en plaats, dat we hier zijn om levenslang te observeren, te leren en te groeien, en daarna: we return home”.

Een van haar gevatte observaties is de volgende: “Ik ken geen enkele formule voor succes. Maar door de jaren heen heb ik gemerkt dat sommige eigenschappen van leiderschap universeel zijn en vaak gaan over het vinden van manieren om mensen aan te moedigen hun inspanningen, hun talenten, hun inzichten, hun enthousiasme en hun inspiratie om samen te werken te combineren.”

Ik begeef me terug naar het hotel en kijk ’s avonds op de BBC naar een retrospectieve met nooit eerder vertoonde beelden. Het daagt me steeds meer. Mochten de wereldleiders, leiders op elk niveau tout court, vanuit de ingesteldheid van deze krasse zesennegentigjarige de uitdagingen en conflicten van deze tijd bestieren, we zouden vanzelf ijverige en geïnspireerde bijen worden en deze hectische wereld met vereende krachten op orde zetten. En dan zou “God Save the Queen!” plots klinken als een onverwoestbare leuze van verbinding en hoop.

De robotmaaier in onszelf

“Volgende week komen ze de hoogspanningsmasten ontmantelen,” weet een vriendin en dorpsgenote. We zitten in een loungeset in haar tuin bij te praten over de dingen des levens. De hoogspanningslijn liep pal over het dorp en is fin de carrière, een nieuwe neemt het elders over. De kabels waarop hordes spreeuwen zich vaak keurig naast elkaar oplijnden, zijn al weggehaald. Het was een spektakel dat ik graag gadesloeg: het gehakketak, het luchtballet. Vloog er eentje op, dan volgde de rest. De masten staan er nu bij als verweesde, ijzeren cyclopen, lijdzaam wachtend op kraan en sloophamer.

Tijdens onze gesprekken zoemt een robotmaaier haar stationnetje uit. Dolly, zo is ze gedoopt, trekt kaarsrechte baantjes en werkt het al getrimde gras nog een ietsiepietsie bij. Tussen onze zinnen door observeer ik hoe Dolly, wanneer ze een rand van het gazon bereikt, plotsklaps in de rem gaat, haar richting bijstuurt en voor een nieuw baantje gaat. Soms maakt ze daarbij een ongelukkige keuze, waardoor ze na amper een meter alweer een draaimaneuver dient op te dissen.

We bedenken herbestemmingen voor de masten, moeten ze wel weg? Lijnen met Tibetaanse vlaggetjes. Inpakkunst à la Christo. Verlichting met Eiffeltoren allures. Een koorddansschool voor gevorderden. Het kan Dolly niet enthousiasmeren, ze zoekt haar laadstation weer op. We hebben het over hoe levens lopen. De voorspelbaarheid die erin kan sluipen of evengoed helemaal overhoop worden gehaald, zoals in Oekraïne. Ik bedenk me hoe we onze levens in comfortzones proberen te prangen en netjes tussen hun lijntjes blijven. Voor we het doorhebben, zijn we zelf robotmaaiers. Geen beweging te krom of te frivool. De randen strak, niet eens gekarteld. Capriolen noch molenwieken. Genoegzaam struinen we over platgetreden paden ons leven door.

Misschien staan de masten wel symbool voor de demonen die ons in het gareel houden. De rijzige patriarchen in ons denken, die als nieuwsoortige “God ziet u”-ogen ons reilen en zeilen streng in de gaten houden. Die ons bestoken met gevarendriehoeken en ons behoeden voor elke vorm van avontuur. Onze passies smoren tot ze nog slechts smeulende assen zijn. Onze zinnen doen uiteenvallen in ontzoute woorden. Het grootste leger is er een van robotmaaiers en zijn slagkracht bestaat erin levens te reduceren tot bunkers van spijt over wat had kunnen zijn. Zo worden we spreeuwen op de kabel, geduldig wachtend tot een of andere leider opvliegt om inspiratieloos achterna te fladderen. De uitstippeling van onze weg, uitbesteed aan derden.

Dolly rukt opnieuw uit, als om ode te brengen aan al die sombere stellingen. Misschien is dat wel ons grootste gebrek, dat we te snel nalaten onze dromen na te jagen en ons verrukkelijke licht inruilen voor een comfortabel plekje in de schaduw. Ik neem me voor om de Dolly in mezelf aan een kritisch onderzoek te onderwerpen en overweeg haar C4. Alsof ze dat opgevangen heeft, gaat ze snel weer schuilen in haar hokje.

Zei de filosoof Kierkegaard niet: “Het leven is een mysterie dat wil geleefd worden, niet een probleem dat moet opgelost worden”? Haal die hoogspanningsmasten toch maar neer.

Amber de Waanzinnige?

“Die was zot,” hoor ik een moeder zeggen tegen het dochtertje dat in het museum verveeld aan haar arm hangt. Ze wijst naar het schilderij waarop Johanna de Waanzinnige met opengesperde ogen voor zich uit staart.

De blikken van Amber Heard tijdens het proces met Johnny Depp schieten bij momenten ook vol heftige emotie, en de media leggen ze gretig vast. Depp de boosdoener? Dat wijf is zelf gestoord, wordt geopperd. Een goede vriendin van Depp noemt haar een “sociopathische showpony”. Een psychologe spreekt dan weer van een theatrale stoornis. Vanaf dan wordt elke getuigenis van haar weggezet als het betere acteerwerk. De rol van haar leven. Daarbij wordt ze niet geholpen door een aantal wat ongeloofwaardige zaken, ze wordt zelfs betrapt op een leugen. Nu is het zeker: Amber Heard is de feeks met een hoek af, Johnny Depp de sympathieke bad guy. Dat hij niet perfect is, geeft de populairste piraat van deze eeuw zelfs ruiterlijk toe. Een lijntje snuiven of je lazarus drinken en wat brokken maken? “You only live once.” Sexy grijns.

Filips de Schone, de gemaal van Johanna van Castilië, haar officiële naam, hield ook wel van een bourgondisch feestje. En van mooie vrouwen. De ene na de andere maîtresse werd besprongen, wat Johanna buiten haar zinnen dreef. Haar afkoelen kon enkel mits een isolatiekuur. Vrouwen zijn nu eenmaal geil én stikjaloers, althans volgens de Middeleeuwse Kerk. Toen Filips onverwacht op jonge leeftijd stierf, zeulde Johanna met haar gevolg de lijkkist bijna drie jaar mee op weg naar zijn laatste rustplaats. Om de haverklap beval ze om de kist te openen zodat ze contact kon blijven houden met haar gemaal in ontbinding. Haar vader greep in en sloot haar voorgoed op. Middeleeuwse collocatie. Bonus: nu kon hij regeren en niet zij.

Het heeft geduurd tot in de twintigste eeuw alvorens een historicus de moeite nam voor een grondige factcheck. Johanna was helemaal niet waanzinnig, zo bleek, wel het slachtoffer van politieke opportunisten die er alle belang bij hadden om haar “loca” te verklaren en van de troon te houden. De – mannelijke – chroniqueurs werkten gewillig mee en verzonnen wilde verhalen om de waanzinmythe kracht bij te zetten. Tot recent met succes.

Kon Johanna driest voor de dag komen? Allicht, en te begrijpen ook, net zoals Amber Heard in de rechtbank haar verhaal bij momenten pittig neerzet. Maar is Amber daarom ook een gestoorde vamp? En waarom vindt men dan dat Depp niet even knetter of violent is? Dat het er in de tragiek van een stukgelopen, destructieve relatie vurig aan toe zou gaan, was te verwachten. Dat er over het gedrag van beiden een en ander te zeggen valt, dat ook. Maar zeker is ook dat Amber Heard niet alleen Johnny Depp en zijn fans tegenover zich heeft, ook een denigrerend vrouwbeeld dat sinds de Middeleeuwen nog steeds overeind blijft.

Het dochtertje in het museum fronst naar Johanna de Waanzinnige. “Waarom was die zot?” vraagt ze. De moeder blijft het antwoord schuldig. Lacherig zegt ze tegen een kennis dat dochterlief in haar waarom-dit-waarom-dat-fase zit.

 “Waarom” is de beste vijand van de mythe, bedenk ik. Amber Heard is niet waanzinnig. Hoogstens gekweld en vooral: gekwetst. Daar kijkt geen kind naast.

Moeders medaille

“Dans les yeux de ma mère, il y a toujours une lumière,” zingt de betreurde Arno met schorre stem, terwijl ik het kadertje met een seventies vakantiefoto in mijn hand klem en nostalgisch de jonge versie van mijn moeder bewonder. In bloemetjesjurk poseert ze fier met haar armen rond haar ietwat bedeesde kroost. Haar rechterbeen een tikje voorwaarts geplant, als subtiel signaal van haar levensenergie en onverschrokkenheid. De enige weg in het leven is vooruit en daar gooi ik me onvervaard in, lijkt ze te zeggen. Of was het toen al een schrap zetten om het evenwicht te bewaren, in wat later een netelig leven met dramatische episodes zou worden?

Het was het jaar waarin ik het woord “tandradbaan” leerde kennen. Dat proefde als een jongensavontuur, het was de spannendste vakantie in mijn nog jonge bestaan. Het treintje knarste en piepte zich de Jungfraujoch op, wat zoveel betekent als “meisjeszadel”. Dat ging bij momenten erg steil en door donkere tunnels, maar de beloning was adembenemend.

De belangrijkste vrouw in ieders leven wordt op moederdag breedlachend voor het voetlicht geschoven. Trots prikken we op social media de foto waarop ze lekker shinet. Mijn gevoel daarbij is dubbel. Ik kan ma’s gloriemomenten en de tomeloze inzet waarmee ze ons onze jeugd heeft doorgeloodst moeilijk in herinnering brengen zonder ook die andere kant van de medaille te zien. Haar jarenlange queeste die de ene keer pijnlijk stuiterde in het donker, dan weer succesvol reikte naar het licht. Weer zie ik de platte plastieken doos met voor elke dag van de maand een vakje, gedoseerd met pilletjes in schreeuwerige kleuren om wat in haar hoofd schetterde tot bedaren te brengen. Of tot heropleving, naargelang. En hoe ook die laatste reddingsboei op een dag lossloeg. Alsof de tandradtrein plots haar grip verloor en achteruit naar beneden denderde, ergens spectaculair knalde uit de rails.

Ik draai de medaille weer om naar de glinsterende kant en krijg alweer een glimlach. Want aan de dageraad van mijn bestaan tot een stuk voorbij de ontdekking van mijn eerste snorhaar was ze daar, in haar enthousiaste bloemetjesjurkzelf. Het tandrad in het midden van ons jonge spoor, dat was zij. Zij hielp ons die uitdagende hellingen op van die turbulente wonderjaren en ze deed het gedreven en onvoorwaardelijk. La lumière dans les yeux de ma mère, dat waren de lampions in onze donkere bergtunnel, wanneer we het even niet meer zagen zitten of moeite hadden te geloven in ons onzekere zelf. Ze deed het en goed ook, tot in het zadel van ons jongvolwassen bestaan.

Toujours une lumière? Niet altijd en dat hoeft ook niet. Tonen dat je met gebogen hoofd en zware oogleden het licht niet meer kan zien, is misschien gewoon een ander spoor. Eentje waarvan het geknars soms pijn doet aan de oren, maar dat ook wijsheid aanreikt en de ziel loutert. Moeder was niet perfect, maar wel perfect voor ons. Daarom eer ik haar op moederdag met beide kanten van de medaille. Fier rechtop aan het tandrad.

Gele kerst

Ik heb hem niet zien vallen. Net daarvoor heb ik de geblokte jongeman met kinderlijk enthousiasme zien staren naar de etalage van de Christmas Shop. Hij viel me op door een fluogele kniebeschermer, die zijn linkerknie kussenzacht omwikkelt. Het was een tersluikse duik, zonder schreeuw en met de ogen toe, alsof hij zelf geen getuige wilde zijn van het onheil dat hem overkwam. Nu ligt hij op zijn rechterzij te spartelen als een vis die op het droge is gehaald. In de winkelstraat draaien hoofden met een domino-effect zijn richting op, opgelucht dat een dame met schijnbare kennis van zaken onmiddellijk komt toegesneld

“Aanval van epilepsie! Komt zo weer goed.” De dame stelt het gelegenheidspubliek gerust, op een toon alsof stuiptrekken in een drukke winkelstraat de normaalste zaak van de wereld is. Ze is vlak naast hem op haar knieën gegaan en heeft zorgzaam een dikke sjaal onder zijn hoofd geschoven. In de etalage boven de onfortuinlijke jongeman zit een kerstman in een rode slee onverstoorbaar belletje te rinkelen, zich van geen kwaad bewust. Naast hem houdt een olijke aap een speelbal klemvast. Nog van de partij in de vitrine: een jongensfiguurtje met een stripfiguurglimlach die wel drie keer zo groot is als de kerstman. In zijn armen balanceert hij een stapel aan cadeautjes. Ook de Engelse telefooncel achter hem is hij al lang ontgroeid. Een pluchen zwaan torent mits het oprichten van haar ranke nek eveneens boven het nostalgische hebbeding uit. Zij is de enige die ietwat empathisch naar beneden kijkt, naar de epileptische jongeman, waarvan de stuipen in ritme zijn vertraagd en uiteindelijk tot stilstand zijn gekomen. Zo ligt hij daar nu in foetushouding met naast hem de geknielde dame, haar ene hand rustend op zijn flank, de andere strelend over zijn bol met millimeterhaar.

De drukte in het etalageraam is vele malen groter dan deze in de winkelstraat, waar de kijklustigen hun weg door shoppingland hebben verder gezet. Het is niet duidelijk of de reddende engel zijn moeder, een vertrouwelinge of een toevallige passante met kennis van zaken betreft. Feit is dat ze samen ongewild een verlengstuk worden van de etalage, een pop-up kerstscène waarvan de betekenis nog duidelijk moet worden.

Rechts van de etalage-kerstman drummen nog andere kerstbubbels samen, zich onbewust van anderhalve meters. Zo hebben drie Engelse paleiswachters in paradekostuum een plek veroverd tussen twee zwanen. Ze trekken de wacht op voor een met rode kerstballen getooide adventskrans, waarnaast een volledig in het wit getooide jarenzestigfamilie met pa, ma en twee tienerdochters het kerstfeest voorbereidt. De ene dochter houdt een zangboekje met kerstliederen opengeklapt terwijl de andere nog lijkt te twijfelen tussen gedwee meezingen of een puberstreek. De kerstgekte deint zelfs uit tot boven de gezelschappen, waar een regen aan kristallen kerstballen en sieraden te blinken hangt, met daartussenin aan touwtjes bengelende ballerina’s en wensfeeën.

De jongeman opent zijn ogen. Heel even viseert hij nog de kitscherige etalage, waar het hem zodanig duizelt dat hij die prompt inruilt voor de glimlach van zijn redster. Ze helpt hem recht en vraagt of het gaat. Hij knikt bevestigend en bedankt haar met een buiging. De jongeman schikt zijn bril goed, checkt zijn kniebeschermer, kijkt om zich heen en maakt zich spoorslags uit de voeten, alsof er niets gebeurd is. Terwijl de kooplustigen weer opgeslorpt worden door de verleidingen in etalages, kijkt de dame hem bezorgd na tot hij om de hoek verdwijnt. Iets rond haar lijkt te glanzen. Ik blijf haar observeren om me ervan te vergewissen dat wanneer ik haar even niet in de gaten zou houden, ze niet stiekem weer plaats zal nemen tussen de feeën in de Christmas Shop.

Ik verlaat de plek van het gebeuren en wandel naar de Bondgenotenlaan. Even een kijkje nemen bij boekhandel De Slegte, waar altijd buitenkansjes te vinden zijn. Een Leuvense versie van de legendarische, Parijse boekenstalletjes op de oevers van de Seine. Tot mijn verbazing staat de jongeman die luttele minuten eerder epileptisch op de grond lag te shaken ook daar te kijken naar de etalage. Niet naar de aangeprezen boeken maar naar enkele duizendstukkenpuzzels, die net als de Engelse paradewachters hier een onverwachte plek hebben weten te claimen. Het zijn puzzels van bekende schilderijen.

Zijn blik valt niet op de puzzel van het wereldvermaarde “American Gothic”, waarop een boer met riek wedijvert met zijn dochter in het trekken van droefgeestige, sippe tronies. Eerder dwalen zijn ogen heen en weer tussen “Sterrennacht” van Van Gogh en “Moeder en kind” van Gustav Klimt. Zijn blik blijft uiteindelijk hangen op dat laatste schilderij, waarop een moeder met goudgele, golvende haren haar kind lieflijk tegen zich aan drukt. Haar hoofd rust op zijn kruin. Beiden houden de ogen gesloten en genieten zwijgend van het intieme moment.

De jongeman gaat de winkel binnen, ik neem zijn plek in voor de etalage. Eensklaps wordt het plaatje me duidelijk. Het epileptische gespartel van de jongen verbeeldde ons worstelen doorheen corona. Ook wij willen dat het eensklaps ophoudt zodat we snel weer kunnen doorgaan als vanouds. Maar dat lukt niet meer, we zijn ontredderd. Voor nu willen we even zelfs geen man meer die op televisie stoer een oplossing aankondigt, die woorden bezigt als curves, strategie of uitrol. Deze kerst willen we gewoon een moeder die haar armen om ons heen wikkelt en met ons naar de sterrenhemel tuurt, naar het geflikker van de Melkweg en het felle schijnen van de gele maan. We willen een moeder die met een enkele vingertop de droefheid uit onze ogen strijkt. Die woordeloos vertrouwen schenkt en strooit met nieuwe hoop en dromen.

De jongeman komt buiten met een brede glimlach. Uit zijn krakende, papieren zak puilen zowel “Moeder en Kind” als “Sterrennacht”. Dit wordt niet de kerst van kindje Jezus. Ook niet van Jozef, de Koningen of herders, zelfs niet van de Heilige Geest. Dit wordt de kerst van Maria. Van een moeder met goudgele haren die zachtjes neuriet en ons wiegt onder de gele maan.

Vallen als Remco

114th Il Lombardia 2020

Aan de vooravond van de Ronde van Lombardije blaakt Remco Evenepoel van zelfvertrouwen. Samen met Wout van Aert hijst hij de door corona en hitte uitgetelde Vlamingen eigenhandig uit hun catacomben. Lethargie en frustratie wijken voor de grootste heropstanding sinds Jezus Christus. De Vlaming ziet het weer zitten.

Toegegeven, ik geniet mee van deze nieuwe Merckx. Branie en talent, al kan je stellen dat zonder die bijzonder gunstige genen Remco misschien amper een postbode zou bijbenen. Geen mens die erom maalt. Wanneer we Remco weer eens met een indrukwekkende solo naar de meet zien peddelen, voelen we ons Asterix die een cohorte Romeinse soldaten op sterretjes trakteert. En dus stemmen we af op koersen die we nooit eerder interessant vonden. Op een wielerwedstrijd tout court.

Ik heb amper de juiste zender voor de uitzending gespot of het beeld valt weg. Onweer in Brussel is de boosdoener, vertelt de commentator. Dan al gaat er een rilling door me heen. Ik voorvoel een doodsmak van Remco, duw dat absurde idee even snel weer weg. Het beeld is terug. Op de Muro di Sormano klimt hij attent mee voorin, alles op schema. De verwachting is dat hij pas op de laatste klim verschroeiend zal uithalen. Eindelijk zijn ze boven op die verschrikkelijke helling met een groepje dat uitgedund is tot een man of zes. De overwinnaar is hier te zoeken. Remco neemt de kop en daalt behendig naar beneden, de rest van de kopgroep volgt in zijn wiel. Ik haal opgelucht adem en verwijs mijn voorgevoel naar de prullenmand. Het komt goed en met mij ruikt elke Vlaming al de overwinning. Op een stuk vals plat beent ook Vincenzo Nibali de kopgroep weer bij. De Italiaan staat bekend als meester-daler en doet zijn reputatie weer alle eer aan. Als een havik stort hij zich naar beneden, de anderen moeten alle zeilen bijzetten om hem enigszins te kunnen volgen. Tiens, Remco nestelt zich in laatste positie van de kopgroep die hij net nog aanvoerde. Ik voel nattigheid. De motard krijgt door de snelheid enkel het eerste paar renners goed in beeld. Plots volgt er een beeld tussendoor van een fiets die tegen een brug staat geparkeerd. Van een renner, zonder de renner. Het duurt nog even vooraleer het daagt dat Remco niet langer in de kopgroep zit. De fiets blijkt van hem. Bange minuten zonder nieuws volgen. Ik voel mijn hart bonzen want het is duidelijk dat hij over dat muurtje in de afgrond is gekatapulteerd. Het lijkt alsof je daar wel eens diep zou kunnen vallen, misschien wel pal in de hobbelige keien van een stromende bergbeek. Het blijkt nog erg genoeg, maar minder dramatisch dan gevreesd. Op een draagberrie wordt hij de steile helling opgehesen. Een bekkenbreuk en een bloeduitstorting in de long zal het verdict zijn. De Vlaming die zich sinds Wout en Remco heeft rechtgetrokken uit de modder, beleeft een uppercut en ploft met het gelaat gelijk weer vol in de smurrie.

Hoe is dit kunnen gebeuren? Dalen is een kunst en Nibali beheerst ze tot in de puntjes. Je moet enigszins ontspannen en tegelijk supergeconcentreerd in het zadel zitten. In de zone, zoals dat heet. Verankerd in het zadel alsof je aan het wegdek kleeft. Alsof je een slangenmens bent die de kronkels van de afdaling bezweert. Remco ging aan het twijfelen. Deze snelheid was buiten zijn comfortzone, hoe vaak hij ook de afdaling op voorhand had verkend. Dat tikje angst sloop om de hoek, net groot genoeg om de natuurlijke souplesse van zijn moves kwijt te raken en die bocht fout in te schatten. Het stilleven van de fiets tegen de brug was oorverdovend. De blitse bolide met het nummer 111 leek nog het meest op een door de eigenaar gedumpte hond, die zich zonder zijn baasje hopeloos verloren wist.

Vallen we allemaal in ons leven niet minstens een keer als Remco? Hebben we allemaal uit angst niet ooit eens een verkeerde beslissing genomen die ons weliswaar geen bekkenbreuk heeft opgeleverd, maar wel andere, soms levensbepalende averij. Bijvoorbeeld omdat we het niet aandurfden te kiezen voor de weg van ons hart en ons dan maar conformeerden naar een grijzer bestaan. Naar een zoutloos compromis. Dat houden we soms heel lang vol. Tot we op een keer figuurlijk vallen als Remco. Elke val, van welke hoedanigheid ook, brengt ons tot stilstand. Tot bezinning. Dat heeft een reden. Het universum geeft ons soms harde maar liefdevolle lessen met als bedoeling ons bewustzijn te verdiepen, de ziel in ons wakker te maken. Om ons inzichten aan te reiken die ons ultiem kunnen doen shinen. Na een val gooien we het over een andere boeg, nemen een radicale beslissing, stappen naar Compostella, maken alsnog de sprong die we eerder niet aandurfden.

Het universum heeft het beste met ons voor, en met Remco: het sterkste bot offerde zich op voor de klap en niet zijn rug of been of knie, die zich veel meer een vogel voor de kat zouden geweten hebben. Vallen als Remco is beslist geen sinecure. Maar als we de les begrijpen, herstellen we vlotter dan verwacht en wordt onze val uiteindelijk een zegening. Voor ons, net als voor Remco. We wensen hem een machtig herstel toe en nieuwe inzichten. Als renner en als mens. Het komt goed, ket.

Van corona naar Compostella

CompostellaOntploffingsgevaar en loutering, daar lijkt de wereld momenteel tussen te zweven. Koortsachtige zoektocht naar een nieuw normaal. Een tweede golf op vinkeslag. De rek is eruit, de frustratie groeit. Dat zie je, dat voel je. Bij anderen en bij jezelf. Bij mezelf.

Op fb zie ik meer wrevelige posts. Verontwaardiging over. Complottheorietje hier, ongezouten mening daar. Daartegenover de eeuwige positivo’s met een vlinderfoto of een ingekaderde wijsheid. De newagers met channelings over de Grote Transformatie, over een gunstige of heftige stand van de planeten, over goddelijke of schadelijke energievelden. Alles lijkt te evolueren naar dat tikje extremer. Rukwind voor de storm.

Sinds een aantal weken volg ik een onlineprogramma van Eckhart Tolle. “De kracht van het nu” is de spijker waar deze spirituele influencer al meer dan twintig jaar op slaat. Contact maken met de verticale dimensie, het diepere bewustzijn. Mocht hij het niet zo helder en herkenbaar kunnen fraseren, zouden die termen nooit voorbij het cliché fietsen. Zoals hoe onze gedachten en emoties voortdurend met ons op de loop gaan, bijvoorbeeld, terwijl we dat tumult kunnen observeren vanuit een plek die we zelf mysterieus en wat wollig vinden, maar niets minder is dan het voorgeborchte van dat diepere bewustzijn. Wat je daaraan hebt behalve een rustpunt, keurig ingepland tussen de hectiek? Tolle heeft een panklaar antwoord: dat je in die dimensie een medium wordt waardoor de Creatieve Intelligentie, zoals hij het Universum of God liever benoemt, zich kan manifesteren. En wat dan wel? Hoe meer je hier en nu aanwezig kan zijn, hoe duidelijker dat wordt. Misschien moet je wel helemaal niets doen.

In een volgende sessie vertelt Tolle het evangelisch verhaaltje van de zussen Marta en Maria. Jezus komt bij hen op bezoek, nestelt zich gezellig aan tafel en vertelt de ene wijsheid na de andere. Maria is aan zijn lippen gekluisterd, terwijl Marta nerveus de keuken induikt om snel een deftige maaltijd ineen te flanzen. Op een bepaald moment heeft ze het gehad met haar zus, die liever blijft luisteren. Of Jezus het normaal vindt dat Maria geen poot uitsteekt, werpt ze hem voor de voeten. “Marta, Marta,” schuddebolt hij. “Wat maak je je toch druk over veel dingen. Slechts één ding is nodig en Maria heeft daarvan het beste deel gekozen. Dat zal haar niet ontnomen worden.” Een schijnbaar anekdotisch verhaaltje zonder veel betekenis, maar dat is buiten Tolle gerekend. Dit is een fundamentele metafoor, legt hij uit, het gaat er simpelweg over dat “zijn” belangrijker is dan “doen”. Dat, wanneer je alles laat vertrekken vanuit bewuste aanwezigheid in het hier en nu, de kwaliteit van je leven vanzelf verdiept en tot ware vervulling leidt. Maar wie maakt er dan nog het eten? Het gaat er niet om te stoppen met dingen te “doen”, wel om ons daar niet in te verliezen en te allen tijde verankerd te blijven in bewustzijn. Daarom komt dat eerst bij Jezus.

Oké, goed, stel dat ik een doel heb, misschien wel om bij te dragen aan een betere wereld. Zoals met mijn schrijfsels, een boek. Geen probleem, klinkt het, alleen overschaduwt het doel dat je wil bereiken vaak de weg ernaartoe. Ben je in je hoofd zoveel bezig met dat doel, dat je vergeet met alle kwaliteit aanwezig te zijn in de stap die je daarvoor hier en nu aan het zetten bent. Het doel doet er niet eens zo toe, want dat zal je op zich geen vervulling geven. Pardon? Overdreven focus op een doel geeft, eens je het bereikt, misschien heel even tevredenheid, om dan opnieuw leegte te voelen en een drang naar een nieuw doel om die weer op te vullen. Tolle maakt de vergelijking met een bedevaart naar Compostella. Het uiteindelijk bereiken van die stad is heel even prettig, misschien hang je er nog een dag rond en dat was het dan. Compostella bereiken is niet het specifieke doel van de bedevaart, wel om je op de tocht daarnaartoe elk moment open te stellen voor de ervaringen die op je afkomen en daarbij het contact te verdiepen met wat er binnen in je gebeurt. Dat is de sleutel tot een dieper bewustzijn en tot transformatie. Hier en nu. Terloops haalt Tolle ook even de coronacrisis aan. Er zijn uitdagingen in persoonlijke levens, allemaal bedoeld voor een groei in bewustzijn. En soms plaatst de Creatieve Intelligentie ook uitdagingen op het pad van de hele mensheid, met dezelfde intentie.

Het plaatje wordt duidelijk. Een verlichte meester ga ik niet worden, maar net als veel mensen voel ik steeds beter aan hoe het normaal van voor corona eigenlijk een vorm van waanzin was, en dat er veel, heel veel nodig is om dat te laten doordringen, ook in mijn eigen leven. Corona lijkt daarvoor zelfs nog niet genoeg. Veel liever zouden we zo snel mogelijk die economieën en onze levens van voorheen weer aanzwengelen, ook al doen die ons terugkeren naar dat afmattende doen, naar die elkaar razendsnel opvolgende doelen van steeds meer en sneller. Die target afvinken, er heel misschien een glas op heffen en dan weer dat nieuwe objectief neerpoten. Want stilstaan is achteruitgaan. Het is alsof Jezus zou adviseren dat we allemaal performante Marta’s moeten worden en enkel als we even tijd weten te maken een keer Maria kunnen of mogen zijn. Een halfuurtje me-time tussen de hectiek en dan hop, dat hamsterrad weer in.

Misschien komt er wel een financiële of andere crisis die zo desastreus is, dat het hele systeem aan diggelen ligt. Dat onze volledige manier van leven en samenleven moet herdacht worden. Of worden we op andere manieren brutaal uit onze comfortzone gerukt. Het ontketende klimaat. Geopolitiek geweld. Of andermaal een virus. Corona heeft ons nederig gemaakt dat we niet alles kunnen controleren, dat we niet ongebreideld kunnen blijven doorgaan zoals we bezig waren. Dat een terugkeer naar hoe het voorheen was ons steeds meer ontglipt, ondanks verwoede pogingen.

Het gamma aan emoties dat ik in coronatijden geëtaleerd zie op sociale media speelt zich ook in mezelf af, stel ik vast. Kwaadheid. Angst. Ontkenning. Frustratie. Conflict. Verdriet. Gepieker. Hoop. Moedeloosheid. En toch, hoe meer ik oefen op die aanwezigheid in het hier en nu, hoe meer ik glimpen bewustzijn beleef die niet door die heftige mix aan emoties en gedachten zijn bezoedeld. De wereld redden of verbeteren is niet langer een doel, zelfs niet een boek. Er is alleen de pagina die ik nu aan het schrijven ben voor deze blog en daarin probeer ik volledig aanwezig te zijn, net als op steeds meer andere momenten.

Dan lijkt alles ook meer vanzelf te gebeuren of merk je meer rare toevalligheden op. Synchroniciteit, zoals toen ik recent aan het fietsen was. Een bestelwagen passeerde me met achteraan de tekst: “Tell your story, change the world.” Dat gebeurde net op een moment dat ik had losgelaten om de wereld te veranderen, of daar althans mijn bescheiden bijdrage voor te willen leveren. Hm, misschien is het wel degelijk zinvol om elkaar te vertellen wat er in deze tijd binnen in ons gebeurt, ging er door me heen, en dat met de wereld te delen, ongeacht of dat ze een ietsepietsie verandert. Misschien schuilt net daar die grote, onderschatte kracht van het aanwezige nu in. En misschien gebeurt daarom die verandering net wel.

Na de bestelwagen passeert even later ook nog een wagen met de gepersonaliseerde nummerplaat “HA HA”. Waarop ik spontaan moet glimlachen. Want, zegt Tolle nog, we moeten alles niet zo dodelijk serieus nemen. Het Universum is een ontspannen plek met helaas gespannen mensen. Alleen komen we daar pas achter als we uit ons dwangmatige doen en denken stappen. Als we wat vaker leren zijn. In die aanwezige ruimte. Dat is de bedevaart waarvoor we uitgenodigd worden. Van corona naar ons innerlijke Compostella.

Beeldenstorm voor beginners

Leopold‘Ja, maar wist Leopold daar eigenlijk wel van?’ De vraag valt tijdens een etentje net niet als een worm in de soep. ‘Die man is nooit in Congo geweest, hé.’ Wat volgt is een geanimeerde discussie waarin enige twijfel wordt gezaaid over de rechtstreekse betrokkenheid van koning Leopold II bij de koloniale wreedheden. In mijn hoofd kleuren de sepia foto’s van afgehakte handen plots bloedrood, gevolgd door een Munch-schreeuw van meer dan een miljoen Congolezen die een kopje kleiner zijn gemaakt. Zelf kan ik me niet inbeelden dat Leopold het niet gewußst had, maar ik doe er pragmatisch het zwijgen toe. Hier raken we toch niet uit.

Ondertussen spurt de politiek naar de gym voor een collectieve workout schouders ophalen. Leopold? Pffft. Eerder debatteerden ze over praktijktesten om discriminatie op de huurmarkt aan te pakken. Dat lag wat moeilijk. Een marathondiscussie over welke lading het woord praktijktest precies dekt belandt in de top 10 van Belgenmoppen anno 2020. Jan Modaal heeft ondertussen diezelfde gym gespot: ‘We snappen het ergens wel, maar moet daar nu echt nog zo’n spel van gemaakt worden?’

Enkele jaren geleden had ik in professionele kringen een tafeldiscussie met een Chinese jongedame. Ze leek me erg westers en open van geest, woonde al jaren in deze regionen. Het gesprek komt op Tibet en de inval van China daar. De dame in kwestie snuift door haar neusgaten. Die had ik niet zien komen: ‘Dat je niet alles moet geloven wat op Wiki staat, veel fake news namelijk, en dat ze hier ook niet in de media vertellen hoeveel terroristen er wel onder die Tibetanen zitten.’ Ik doe er pragmatisch het zwijgen toe. Hier raken we toch niet uit. In diezelfde periode werd in het Vlaamse parlement de Armeense genocide erkend, tot woede van Erdogan en zijn supporters. Die heeft volgens hen namelijk nooit plaatsgevonden. Onafhankelijke bronnen spreken over meer dan een miljoen slachtoffers, dezelfde grootteorde als wat Leopold II in Congo toegedicht wordt. Een stoer Turks statement dat de Vlaming op het vlak van genocide aan Turkije geen lesje te leren heeft, is plots een binnenkopper.

Temidden van al dat welles-nietes, in de hitte van de semantische discussies over welke lading het woord genocide nu precies dekt, dwarrelt een vraag plots als een verdwaalde sneeuwvlok neer in mijn verwarde geest. Of het nu om een ontkenningsturk, dweepchinees of ogenrollende Vlaming gaat, hoe moeilijk kan een gezonde portie empathie in feite zijn? Waarom kunnen wij niet gewoon naar Congo gaan, en dan bij voorkeur koning Filip vergezeld van de premier, om daar publiekelijk een doorvoeld en welgemeend excuus te maken. Ik duw alvast een denkbeeldige micro voor de neus van de koning: “We voelen jullie pijn. We zien de littekens van gewelddadige onderdrukking, van het behandelen van Congolezen als minderwaardige mensen, enkel goed om als slaven mee te draaien in de lucratieve rubberplantages. We hebben jullie gehoord, jullie verhalen van diepgewortelde rassenhaat en van verregaande discriminatie, tot op de dag van vandaag. Onze voorouders, koning Leopold II en iedereen die deelachtig was aan dat gruwelijke, koloniale strijdtoneel, schreven hier een episode in de geschiedenis die gedrenkt was in bloed en tranen, voor het heil van eigen grof gewin. Een geschiedenis die Congo in het hart heeft geraakt, die de ziel van dit mooie land en haar mensen heeft beschadigd en waarvan ontelbaren het slachtoffer zijn geworden. Het woord gruwel doet daarbij tekort aan wat velen hebben doorstaan. We kijken niet langer weg van deze episode uit de geschiedenis. We halen niet langer onze schouders op noch claimen dat het gedateerde geschiedenis is en jullie het beter eindelijk eens een plek zouden geven. Precies daarom staan wij hier vandaag voor jullie en ontwijken jullie blik, jullie pijn niet langer. Want het enige juiste wat hier vandaag kunnen doen is ons diepste medeleven en welgemeende excuses aanbieden voor al het onrecht dat jullie onder Belgische vlag is aangedaan. Het enige juiste wat we kunnen zeggen is “Nooit meer!”, en samen met jullie de gelijkheid en broederschap uitschreeuwen van iedereen op deze planeet. Vandaag is het moment om alle Congolese slachtoffers, om George Floyd en alle zwarten eer aan te doen door schouder aan schouder met jullie mee op te stappen en te scanderen: “Black lives matter! Black lives matter!”

In een opiniestuk lees ik dat het uitspreken van een historisch pardon een eenmalig karakter heeft en daarom beperkend is, laat staan algemene consensus heeft. Naast andere ja-maars. De poging hoeft niet perfect te zijn, wel gemeend vanuit het hart. Dat verschil voelt zelfs een beginner. En een beginner snapt ook dat een beeldenstorm op figuren gelinkt met grote pijn pas eindigt waar de doorleefde compassie met diezelfde pijn begint. Dat anderen helpen met een onverwerkt verleden door het uitspreken van woorden die juist en meevoelend zijn, een enorme genezing in beweging kan zetten. België weet wat het te doen staat.

Het jaar van de vleermuis

bat-4887509_1280Volgens de Chinese dierenriem is 2020 het jaar van de rat, het eerste dier in de twaalfjarige cyclus. Wie geboren is onder dit sterrenbeeld is charmant, efficiënt, diplomatisch en ondernemend. De schaduwzijde van een rat is dat hij iedereen onder tafel kan babbelen. De rat kan ook onbetrouwbaar zijn, laf, egocentrisch en uit op materieel gewin. Een verkwister die het graag breed laat hangen. Een Chinese rat of toch zijn schaduw, bedacht ik, is dus uitermate geschikt voor de naar hem vernoemde race. Daarvan zou de rat in 2020 een nieuwe cyclus van twaalf jaar aftrappen, misschien nu al de cyclus teveel. Maar uitgerekend een vleermuis stak daar een stokje voor.

Terwijl landen met elkaar bakkeleiden over wie schuld voor de verspreiding van het virus treft of wie de beste aanpak heeft, en daarbij ook de complottheorieën niet schuwden, leek iedereen voorbij te gaan aan het perspectief van de ziel. Die kreeg geen zendtijd of micro onder de neus en heeft bovendien het nadeel om zich vooral te uiten in beelden, metaforen en symbolen. En laat de vleermuis nu net het spirituele symbool van wedergeboorte zijn. In Zuid-Amerika begeleidt de vleermuis, die al bij de Maya’s als belangrijk krachtdier gold, de sjamanen in hun opleiding. De inwijdingsriten zijn naar onze maatstaven onmenselijk zwaar en behelzen ondermeer een “sacred burial”, een nachtje begraven worden in de aarde, wat symbool staat voor het ten grave dragen van het ego. Als healer en ziener moet je zuiver kunnen opereren vanuit de ziel. Je wordt de verbinding tussen hemel en aarde, de schakel tussen mens en iets dat hoger dan hemzelf is. Ik schreef niet per toeval “je” in plaats van “hij” of “zij”. De vleermuis nodigt ons via corona uit om onze eigen donkere nacht van de ziel aan te gaan. Maar wat betekent dat en hoe word je daar beter van?

Al vaker schreef ik blogs over transformatie en transitie. Over het verleggen van de focus van het materiële naar het spirituele. Van hoofd naar hart. De coronacrisis leek een uitgelezen moment om die cliché-uitspraken eindelijk wat tastbaarder te maken en dus liet ik me niet onbetuigd. Paulo Giordano, schrijver van “De eenzaamheid van de priemgetallen”, verwoordt het zo: “Ik ben bang voor alles wat de coronacrisis kan veranderen. Ik ben bang dat ik ontdek dat de beschaving die ik ken een kaartenhuis is. Dat alles wordt uitgewist. Maar ik ben ook bang voor het tegenovergestelde: dat als de angst straks weg is, alles bij het oude is gebleven.” In de nacht van onze figuurlijke sacred burial botsen we op al die angsten, waarbij het soms lijkt dat we geen kant meer op kunnen. We zijn doodsbang dat alles – en dus ook ons haastig maar gekend leventje – in  elkaar stuikt. Tegelijk vrezen we de terugkeer naar een “normaal” dat eigenlijk al een crisis was. We vluchten als in een film dat donkere steegje in, achterna gezeten door een groot gevaar, en stellen plots paniekerig vast dat het steegje almaar vernauwt en tenslotte doodloopt. Toch hopen we stiekem onze bourgondische levensstijl weer snel op te pikken. We kunnen ons nu eenmaal geen wereld meer voorstellen zonder de geneugten die we bijna als verworven rechten zijn gaan koesteren. Zelfs al is het een wereld die niet duurzaam is. Een wereld, zolang de voorraad strekt. Wanneer er droogte dreigt, sproeien we het drinkwater over auto of gazon en vullen nog gauw dat net gekochte zwembad in de tuin. We zijn de Bourgondische hertogen met de lege schatkist die tegen beter weten in blijven schransen.

De donkere nacht van de ziel is geen prettige nacht, erover schrijven geen feelgood voer. Persoonlijk doe ik het zo slecht nog niet, denk ik dan soms. Bijvoorbeeld door weinig vlees te eten, autoverplaatsingen zoveel mogelijk te beperken en spaarzaam met water om te springen. Mocht iedereen dat doen zou de wereld al heel wat beter af zijn, grom ik soms stiekem in mezelf, waarbij ik de ander inherent culpabiliseer in plaats van inspireer. Mijn donkere nacht leert me dat mijn denken niet meer is dan een slecht alibi. Een schaamlap. Ondanks al mijn mooie intenties nam ik zonder verpinken nu en dan zelf een goedkope vlucht, zelfs begin dit jaar nog en steevast zonder die vrijwillige groene taks op te hoesten om je vlucht zogenaamd in CO2 te compenseren. Ik doe al zoveel, denk ik dan, wat niet van iedereen kan gezegd worden. En dat vliegtuig zou sowieso toch de lucht in gaan, ook zonder mij, dus dat kan er nog wel even bij. Het was een schokkende vaststelling dat ik net als iedereen me uitput in excuses en gewoon ook bourgondisch blijf in mijn denken. Het kan best zijn dat ik meer krediet scoor, als het me goed uitkomt sluit ik me gewoon naadloos aan bij de collectieve “dat kan er nog wel even bij”-mantra. Het oude bewustzijn.

De recente uitspraak van Dirk Draulans in verband met de aanhoudende droogte was voor mij een zoveelste eye-opener: “Een droogteperiode lijkt ervoor gemaakt om mensen te confronteren met hun hoogmoed. Maar die lijken nog steeds niet te begrijpen dat we op de limieten botsen van hoever we de aarde kunnen drijven voor ons comfort. Nu beginnen wij stilaan te beseffen dat we de voorbije vijftig jaar boven onze stand hebben geleefd.” Die droogte komt nog bovenop de coronacrisis. Alsof een hogere kracht de duimschroeven nog wat wil aanhalen om ons op betere gedachten te brengen. In werkelijkheid hebben we die situatie zelf gecreëerd en kunnen we ze dus zelf ook weer veranderen. Niet door hier en daar een steentje bij te dragen, maar door een radicalere transformatie in denken en doen.

In hetzelfde rijtje clichés schrijf ik soms dat de oplossing ligt in het vrouwelijke en dat we dat weer meer moeten omhelzen. Het mannelijke wordt daarbij vaak voorgesteld als het doen, het rennen, vaak roekeloos en niets ontziend. Het vrouwelijke is dan weer de veilige haven waar we tot rust kunnen komen, het liefdevolle zijn. Een typisch vrouwelijke kwaliteit kwam tijdens de lockdown sterk naar voor: het zorgende. Er werd zelfs voor geapplaudisseerd. Als er iets is dat als een helder licht aan het einde van de tunnel schijnt, dan wel dat, voelde ik. Die zin om zorg te dragen. In de eerste plaats voor onszelf, maar niet ten koste van de ander. Niet ten koste van de aarde waarop we leven. Zorg dragen in verbinding met. We kunnen het cliché pas overstijgen wanneer we dat ook daadwerkelijk in de praktijk omzetten. Niet door er enkel over te praten, lezen of schrijven, niet omdat moraalridders ons daartoe aanzetten, maar omdat we het vanuit ons hart zo voelen en willen.

De donkere nacht van de ziel hebben we alleen te gaan, net zoals de sjamaan tijdens zijn of haar sacred burial alleen onder de grond doormaakt. Tijdens die nacht zal alles door ons hoofd malen, van complottheorieën van doemdenkers tot hoopvolle boodschappen van lichtwerkers. Dan passeren al onze angsten de revue en moeten we alle zeilen bijzetten om ons niet te laten meesleuren in een oude of nieuwe maalstroom. Of om weer niet in de ontkenning te gaan en alles weer vakkundig onder onze mat te vegen. Onder die wilde golven, onder de storm die woedt buiten en in ons, ergens diep onder het oppervlak van die onstuimige zee, heerst een rust en stilte die we niet voor mogelijk achtten. Daar lonkt de dageraad na onze donkere nacht, wanneer we samenvallen met de authentieke en beste versie van onszelf, met de kracht van onze ziel. Houd het voor mogelijk. Dit is een tijdperk waarin ieder op zijn eigen manier en tempo die donkere nacht door te maken heeft, met de vleermuis als krachtdier om dat schitterende maar aartsmoeilijke proces te bewaken. De vleermuis is onze sjamanistische gids in deze donkere tijden en geeft ons moed. Daarom wordt 2020 niet het jaar van de rat noch van zijn race. Daarom wordt 2020 met stip het jaar van de vleermuis.