De bestemming van de man

DesertEr waren eens drie mannen, die op precies dezelfde dag geboren werden. Yusef zag het daglicht in een stoffig, lemen huis in het noorden van Syrië, Tenzing werd gebaard op een mistige maandagmorgen in de bergen van Tibet, terwijl Kendrick in de wieg gelegd werd in het beste hospitaal van Londen.

Toen de jongens een jaar of zeven waren, werden ze alle drie toegesproken door hun grootvader, naar wie ze zonder uitzondering met ontzag en bewondering opkeken. Misschien zelfs nog meer dan naar hun eigen vader.

Zo gebeurde het dat de opa van Yusef zich met zijn kleinzoon nestelde in de schaduw van een cederboom. ‘Yusef,’ sprak hij. ‘Luister goed. Ik wil dat je me later trots maakt. Je kan onze familie geen grotere eer bewijzen dan door een martelaar te worden van het volk. Ik wil dat je de vijanden van Allah bestrijdt met niet aflatende moed en uithoudingsvermogen, zoals wij het je hebben voorgedaan. Kijk maar naar mijn littekens,’ wees hij fier naar zijn gelaat. Yusef staarde met eerbied en bewondering naar de snee die dwars over opa’s wang gekerfd leek. ‘Dat zijn de trofeeën die ik later in het paradijs zal kunnen voorleggen aan de allerhoogste. Maar jij kan nog beter, dat weet ik. Je moet de angst voor de dood overwinnen, wetende dat je niet alleen zal beloond worden door God, maar ook in hoog aanzien zal staan bij je familie en de ganse gemeenschap. Bij mij. Wat is er mooier dan te sterven bij een aanslag op het goddeloze westen? Je hebt het in je, jongen. Ik weet dat je me niet zal ontgoochelen. Maak me trots!’ De grootvader legde een hand op de schouder van de jongen. Yusef voelde een beetje angst over wat opa hem gezegd had, maar tegelijk ook een zweem van opwinding.

Kendrick werd op zijn zevende apart genomen door zijn grootvader Patrick, die bekend stond als Pioneer Pat. Patrick was van Ierse afkomst en had zich weten op te werken van pakjesbezorger tot bankdirecteur van een filiaal in het Londense West End. Zijn vader had nog beter gedaan en was in een andere bank kunnen opklimmen tot sales manager voor Zuid-Engeland en Wales. ‘Beste Kendrick,’ sprak Patrick zijn kleinzoon toe. ‘Ik ben de pionier geweest die deze hard werkende familie voor het eerst welstand heeft gebracht. Je vader is in mijn voetsporen getreden en heeft mij niet beschaamd. Binnen enkele jaren zal het jouw beurt zijn. En tussen ons gezegd en gezwegen: ik weet dat jij nog beter kan dan hem. Sales manager is niet niks, CEO is beter. Je hebt het in je, boy, dat zie ik in je ogen, dat zie ik in de manier dat je wil winnen in het voetbal. Mijn jaren zijn geteld, maar ik zal pas kunnen rusten als ik weet dat jij de kroon op het werk gezet hebt. Hebben we een deal?’ Pioneer Pat deed een high five met Kendrick, die zich eerst onwennig voelde, maar anderzijds fier was dat opa zo over hem dacht. Als een winnaar, als de topscorer. Vijf tegen twee was het vorige week nog tegen Camebridge. Twee doelpunten van hem.

Toen Tenzing zeven werd, kwam zijn opa Lobsang hem halen voor een wandeling in de bergen. De blauwe lucht was kristalhelder en de Tibetaanse vlaggetjes wapperden stevig in de wind. Tenzing wist dat de gebeden op de vlaggetjes daardoor makkelijker naar de goden werden gevoerd, net zoals hij van opa nog veel andere zaken had opgestoken. ‘Ken je dat gebouw ginder?’ wees Lobsang naar de overkant van de vallei. Tenzing beantwoordde de overbodige vraag: ‘Natuurlijk, dat is het klooster van Yerpa.‘

‘Wel, beste Tenzing, als de jongste …’

‘Ik wil spelen met de yak.’

‘Het is een eer en een traditie. Ik weet dat jij een geweldige monnik zal zijn, de trots van de familie. Als je de weg van de Dharma bewandelt, zal je niet alleen vrede vinden met jezelf, je zal bovendien in staat zijn tot geestelijke verwezenlijkingen die voor onze familie en ons volk veel betekenen. Misschien word je wel een Lama. Ik zie het in je pientere ogen, ik zie het in je karma en je ziel. Het belangrijkste is echter om altijd de weg van je hart te volgen, want dat bezit de wijsheid die je voert waar je moet zijn. Beloof je dat?’ Tenzing knikte.

‘Mag ik dan nu met de yak gaan spelen? Mijn hart wil dat graag.’ Hij lachte zo ontwapenend, dat opa Lobsang op zijn beurt knikte. Kijk keek de jongen na met een glimlach, terwijl Tenzing door de weide naar de yak toeliep.

Hoe het deze jongens vergaan is in hun verdere leven? Laten we beginnen met de laatste, Tenzing. Op twaalf jaar werd hij door zijn ouders naar het klooster van Yerpa gestuurd. Hij kon er nooit echt aarden en ging enkele keren op de loop, om na een paar dagen in de bergen telkens schoorvoetend terug te keren. Op zijn zeventiende ontvluchtte hij definitief het kloosterleven. Uit schaamte durfde hij zijn ouders niet meer op te zoeken. Hij belandde in de criminaliteit, eerst met een handeltje in gestolen koopwaar, daarna als drugsdealer. Een keer probeerde hij zich te herpakken, toen hij aanklopte bij een afkickcentrum in Kathmandu. Hij kreeg er zijn verslaving onder controle en leerde een stiel als mechanieker van motorfietsen. Op een bepaald moment nam hij een boek ter hand uit de bibliotheek. Het had als titel: “De bestemming van de man.” Hij las de proloog en de eerste drie bladzijden, maar stak het toen toch terug weg tussen de andere boeken. Aan die opflakkering kwam een einde, toen zijn foute vrienden terug contact met hem zochten. Een week later verliet hij het centrum als een dief in de nacht. Hij ging terug dealen en stierf op zevenentwintigjarige leeftijd aan een overdosis.

Kendrick beschaamde de hoge verwachtingen niet. Hij werd een succesvolle bankier in het London City Financial District. Het geld kwam binnen met sloten tegelijk. Niet alleen bij hemzelf, ook bij zijn klanten, vooral bij zijn klanten. Een relatie had hij niet, op losse flirts na en de vaste drinkmaten uit de sector. Door zijn financiële successen werd hij steeds meer gevraagd voor beleggingen, zelfs door hooggeplaatste zakenlui en staatslieden. Zijn opa was beretrots: ‘You dit it! I always knew.’ Hij had zijn vader overtroffen. Aan Kendrick’s succesverhaal kwam een abrupt einde door een beurscrash. Niet alleen hijzelf verloor veel geld, het meeste eigenlijk, hetzelfde lot viel te beurt aan zijn klanten, die hem belaagden met rechtszaken. Hij probeerde een en ander op de lange baan te schuiven, in de hoop dat het zou overwaaien. Dat deed het geenszins. Het wegvallen van al zijn zogenaamde vrienden, tezamen met het zwaard van Damocles dat boven zijn hoofd bleef bengelen, deed nu ook hemzelf crashen. Hij zat maandenlang thuis op zijn appartement, werd zwaar depressief en raakte aan de drank. Wesley, zowat de enige echte vriend die nog overbleef, probeerde hem weer op te krikken. Wesley was een verkoper van Mini Coopers bij een garage in de buurt. Hij was een jeugdvriend. Op een dag bracht Wesley een boek mee voor Kendrick, “De bestemming van de man”, dat lange tijd onaangeroerd bleef liggen op de salontafel. Maar op een dag keek hij vanachter het schuifraam van zijn appartement uit op de South Bank en het reuzenrad “London Eye”. Met een Whisky on the rocks in zijn hand opende hij het schuifraam en ging met zijn ellenbogen over de balustrade leunen. Hij viste een ijsblokje uit zijn whisky en liet het naar beneden vallen, wat nog best lang duurde vanaf de drieëntwintigste verdieping. Zo lang zou hij dus hebben om zijn leven te overdenken, mocht hij zelf naar beneden springen. Dan hoorde hij plots iets in zijn appartement. Kendrick keek door het raam naar binnen, maar zag niets. Of toch: hij zag het boek van zijn vriend liggen. Deze keer nam hij het wel ter hand. Later zou hij zeggen dat dat zijn leven heeft gered. Pagina drieënzeventig heeft hij zelfs gekopieerd, ingekaderd en boven zijn bed gehangen. Het werd zijn nieuwe mantra. Kendrick gooide zijn leven totaal om en begon met het geld dat hem nog restte een toeristisch bedrijfje. Zijn specialiteit werd een alternatieve kijk op Londen, waarbij de klanten de echte verhalen te weten kwamen, eerder dan de gebruikelijke, toeristische fastfood. “Behind facades” werd een begrip. Kendrick leerde in die periode ook een Australische vrouw kennen, huwde ermee en kreeg twee kinderen met haar. Wat hem tegenwoordig het nauwst aan het hart ligt, behalve zijn vrouw en kinderen, zijn de lezingen die hij maandelijks geeft voor mannen met een burnout, die steevast eindigt met het voorlezen van pagina drieënzeventig.

Het leven van de derde jongen, Yusef, is een regelrechte thriller, een emotionele rollercoaster. Van jongsaf aan werd hij opgeleid als strijder en martelaar. Hij kreeg onthoofdingsvideo’s te zien, waarbij iedereen, zelfs zijn ouders en zijn opa, luidop juichten en applaudisseerden. Op zijn tiende mocht hij voor de eerste keer schieten met een kalasjnikov. Zijn eerste opleidingskamp voor het plegen van terreurdaden kwam er al op zijn twaalfde. Het zou niet het laatste worden. Toch begint er gaandeweg een zweem van twijfel in Yusef te ontstaan. Terwijl hij meeheult met de haatkoren, voelt hij in zijn hart dat er iets niet klopt. Op een dag, hij is dan veertien, wordt hij door strijders meegenomen om deel te nemen aan een lynchpartij. Een jongen, waarmee hij vroeger nog voetbalde, is betrapt op het luisteren naar Amerikaanse muziek op een mp3-speler. Hij is een jaar jonger als Yusef. Wanneer de jongen al zwaar bebloed op de grond ligt, wordt Yusef gevraagd hem met stenen te bekogelen. Iedereen kijkt naar hem, hij voelt dat hij geen keuze heeft. Terwijl Yusef wijdbeens over het slachtoffer een zware steen boven zijn hoofd tilt, kijkt hij de onfortuinlijke jongen in de ogen. Hij ziet zijn doodsangst, maar hij ziet ook nog iets anders: iets wat hij later zou beschrijven als een goddelijke connectie. Yusef staat perplex. Hij gooit de steen naast de jongen en gaat huilend op de loop. Thuis wacht hem een tirade, gevolgd door een paar welgemikte meppen in zijn gelaat door zijn vader. ‘Hoe durf je mij zo te schande te maken?’ fulmineert hij. ‘Wacht maar tot opa dit hoort!’

‘Neen, niet opa.’

‘Schande! Godslastering! Het zal niet je beste dag zijn.’ Alsof het dat sowieso nog was. Yusef neemt een drastisch besluit. Hij steelt een motorfiets – met dank aan de trainingskampen, steekt een paar spullen in een jute zak en vlucht dwars door de woestijn. Wanneer hij zonder benzine valt, verbergt hij de motorfiets achter een duin en vlucht te voet verder. De zon straalt genadeloos. Na nauwelijks een paar uur wordt hij overmand door de hitte. Compleet uitgedroogd ziet hij zijn dood tegemoet. ‘God,’ bidt hij. ‘Ik vraag u om vergiffenis voor al mijn slechte daden. Ik wist niet beter. Vergeef me mijn onwetendheid. Ik wilde zelfs een jongen stenigen, maar heb het niet gedaan omdat ik het idee had dat u dat niet wilde. Het was alsof ik u zou stenigen. Maar ik kan me vergissen. Daarom, als het uw wil is, zal ik sterven. Als het uw wil is, zal ik leven.’

Yusef wordt net op tijd gevonden door een groepje berbers op kamelen. Ze nemen hem mee met hun karavaan en ontfermen zich over hem. Hij zal enkele jaren in hun midden verblijven. Yusef leert navigeren met de sterren en raakt vertrouwd met de geheimen en gevaren van de woestijn. ‘De woestijn is niet je vijand,’ leren de berbers hem. ‘De zon is niet je vijand. De grootste vijand zit in jezelf. De slangen die soms plots vanuit het zand opduiken, zijn de saboteurs in je hoofd. Je kan ze niet vernietigen, want ook zij hebben een heilige taak. Maar je kan er wel in vrede mee leren leven.’ Deze en andere wijsheden inspireren Yusef tot een nieuw leven. Toch blijft de angst dat zijn vader hem op een dag zal vinden. Dan zal hij hem ongetwijfeld in de gevangenis laten gooien of, erger nog, op zijn beurt laten lynchen. Wanneer een spion van zijn vader hem na enkele jaren op het spoor is gekomen, zitten ze Yusef op de hielen. Er rest hem geen andere keuze dan afscheid te nemen van de berbers en verder te vluchten naar het westen.

Na een nieuwe, lange tocht vol gevaren, vraagt hij uiteindelijk asiel aan in Nederland. Zijn asiel wordt toegekend. Yusef slaakt een zucht van opluchting, maar mist de berbers. Wie hij niet mist is zijn familie, tenzij dan zijn moeder, die hem altijd wist te beschermen tegen de al te brutale aanpak van zijn vader en grootvader. In Amsterdam gaat hij aan de slag bij een pakjesdienst. Ondertussen sluit hij zich aan bij een meditatie groep, leert hij de wonderlijke kracht van tai chi en leest hij onophoudelijk boeken van mensen die hem inspireren. Op een dag voelt hij precies wat hij wil doen met de rest van zijn leven: iemand worden die andere mannen inspireert, net zoals de berbers bij hem een onuitwisbare indruk hebben nagelaten. Het zijn vooral de mannen die de weg kwijt zijn, stelt hij vast. Daarover wil hij een boek schrijven en vervolgens lezingen gaan geven. Maar eerst zoekt hij naar een goede titel voor het boek. Hij schrijft zeker twintig mogelijk titels op een blad, zonder dat er een tussenuit springt. Op een dag valt het hem zomaar in de schoot. Hij zocht het veel te ver, beseft Yusef, want raken mannen vooral de weg niet kwijt omdat ze hun bestemming vergeten zijn? “De bestemming van de man” is geboren.

In het boek combineert hij autobiografische elementen met diepere, mystieke ervaringen en levenslessen. Vooral zijn periode bij de berbers in de woestijn komt veelvuldig aan bod. Toch kan hij om zijn vroege jeugd niet heen. Die heeft er immers voor gezorgd dat hij geworden is wie hij nu is. Hij eindigt hoofdstuk zes – hij zit dan al aan pagina drieënzeventig – met een passage die hem erg zint, alsof ze hem werd ingelepeld door iets dat hoger is dan hemzelf.

Hij schrijft: “Wanneer je een kleine jongen bent, is je hart vol en je hoofd nog leeg. Maar naarmate je opgroeit, zal men proberen je hoofd vol te lepelen, de ene keer met goede zaken, de andere keer met leugens die men zal voorstellen als waarheden. Omdat we onze opvoeders onvoorwaardelijk liefhebben, hebben we er vertrouwen in dat we altijd in goede handen zijn. We geloven dat alles we ze ons vertellen juist is en vol goede bedoelingen. Let dan hierop: als je op je twaalfde, dertiende of vijftiende voelt dat je hoofd vol is en je hart leeg, laat dan een alarmlichtje flikkeren. Om van een jongen te transformeren tot een man, moeten we op een dag veel van wat ons ooit verteld is overboord gooien. Alles wat ons niet meer dient, zelfs wanneer het komt van de mensen die ons het dierbaarst zijn. Je zal hen tegen de haren instrijken en wellicht meer overboord gooien dan nodig, maar dat is een deel van het proces: de vlinder kan niet tevoorschijn komen zonder uit de cocon te breken en daarbij brokken te maken.

Wel, als je voelt dat dat moment gekomen is, ga dan ’s nachts onder de sterrenhemel staan, leg een hand op je hart en voel wat het je wil vertellen. De berbers zeggen: “Alleen wanneer je niet langer verblindt wordt door de zon en je het duister van de nacht verwelkomt, zal je de waarheid kunnen aanschouwen. De weg naar je ware bestemming zal je niet gegeven worden door wie zich het best kan oriënteren op de sterren, maar door wie het best kan luisteren naar het gefluister van zijn hart. Niet je ouders, je opvoeders of de kamelen leiden je naar je ware bestemming. Dat kan alleen het kompas van je hart. Het zal je leiden op een avontuurlijke tocht met geen enkele garantie. Het zoeken naar je eigen waarheid vraagt vastberadenheid, nederigheid en gevoel voor verantwoordelijkheid. Je zal vaak twijfelen en op de proef gesteld worden. Het kan zelfs zijn dat je een verkeerde richting opgaat. Wanneer je dat doorhebt, keer dan zonder schroom op je stappen terug. Meet je successen af aan al je verloren kilometers, aan alles wat je hebt moeten opgeven om het te kunnen bereiken. Maar wanneer er weer eens hoge duinen voor je opdoemen, weet dan dat daarachter de vruchtbaarste oases te vinden zijn. Altijd zal de weg nu eens verraderlijk zijn, dan weer een dolle, vreugdevolle rit. Wie zich overgeeft aan dat avontuur, zal het mysterie van het leven kennen. Koester dit als je lijfmantra: wie elke dag de weg naar binnen gaat, vindt zijn ware bestemming.”

Het geheim van de tweelingziel

P1040697 - CopyNiemand zou het geheim van de tweelingziel beter leren begrijpen dan Aisha. Het was een vrijdag die zich nochtans wolkenloos en windstil had aangekondigd. De uitbundige lente vulde de blauwe lucht met bedrijvige insecten en de eerste ooievaars kwamen na een heroïsche tocht over de Middellandse zee eindelijk aan op het Spaanse vasteland. De eerste hitte zou geen weken meer op zich laten wachten.

Aisha was die dag goedgemutst opgestaan. Ze dartelde rond en imiteerde in de keuken een heupbeweging. Ze had die afgekeken van een buikdanseres uit het naburige dorp. Toen ze het wilde tonen aan haar moeder, versteende ze eensklaps bij het zien van de gelaatsuitdrukking op haar gelaat. Ze kende die blik. Het was dezelfde doffe blik dan toen haar vader was vertrokken met die handelskaravaan, een tocht die wel maanden kon duren. Ook al was er door de mislukte oogsten geen andere optie geweest, het vertrek was zowel haar moeder als Aisha bijzonder zwaar gevallen. Ja, het was die blik.

‘Wat is er aan de hand, ma?’ Aisha kreeg geen antwoord.

‘Verdomme ma, er is toch niets met…’

‘Je pa is oké.’ Ma draaide haar hoofd weg van Aisha en keek door het raam in de richting van de stallingen. Aisha repte zich tot bij haar, legde een hand op de rug van haar moeder en keek angstvallig door datzelfde raam naar buiten. Ze liet haar hand onmiddellijk vallen. Even leek het alsof ze zelf in zwijm zou vallen. Nu was het Aisha’s moeder die haar vastgreep en omhelsde.

‘Zeg dat het niet waar is!’ krijste Aisha. Ze wrong zich uit ma’s knuffel en spurtte naar buiten.

‘Blijf hier, meisje.’ Het was al te laat. Op de binnenkoer liet stalknecht Jamal alles vallen om Aisha de weg te versperren. Hij greep haar vast in zijn sterke armen, terwijl Aisha met haar vuisten op zijn borst trommelde.

‘Zeg dat het niet waar is,’ herhaalde ze snikkend. ‘Neen, niet Nabila.’

‘We konden niets meer voor haar doen,’ bracht Jamal de dramatische nieuwstijding. ‘Het paard had geen schijn van kans tegen die hongerige poema.’ Een paar meter achter hem lag het kadaver van de merrie op een kar.

‘We hadden haar op stal moeten laten. Ik had het je nog zo gezegd!’ schreeuwde ze tegen Jamal. Hij wist als geen ander hoe Aisha gehecht was aan haar lievelingspaard, bijna net zo fel als ze verbonden was met haar tweelingzusje Layla, die in tegenstelling tot Aisha de vroeggeboorte niet had overleefd.

‘Je wist net als ik dat er geen houden aan was,’ zuchtte Jamal. Dat wist ze. Nabila had hetzelfde temperament als Aisha: fijngevoelig, maar ook een woelwater. Minutenlang bleef ze huilen met haar hoofd begraven op de schouder van Jamal.

‘Wil je Mansour voor me zadelen?’ vroeg Aisha, nadat ze haar tranen met haar lange haren van haar gelaat had weggeveegd. In tegenstelling tot Nabila was de rustige hengst Mansour wel op stal gebleven. ‘Nu, alsjeblieft?’ Jamal wist wat ze van plan was. Hij liet Aisha langzaam los en nam haar bij de arm mee naar de stal van Mansour. Toen ze voorbij de kar passeerden waarop Nabila lag, rukte Aisha zich los. Ontzet keek ze naar de vreselijke wonden.

‘Nabila, meisje, wat heeft die poema je aangedaan?’ Ze omhelsde de merrie bij de hals, alsof het was dat ze nog leefde. Zo bleef ze enkele minuten Nabila strelen met betraande ogen, terwijl Jamal de hengst voor haar zadelde. Ma stond op de binnenkoer naar het tafereel te kijken en sloeg een hand voor haar mond. Ze stapte op Aisha af om haar te troosten, maar Aisha maakte een afwerend gebaar. Jamal kwam aangewandeld met Mansour aan zijn zijde.

‘Ik heb behoefte om alleen te zijn,’ zei Aisha tegen haar moeder.

‘Waar ga je naartoe?’

‘Moet je dat nog vragen?’ Aisha’s moeder besefte de overbodigheid van haar vraag en wist dat dit haar zou troosten. Ze gaf een goedkeurend knikje aan Jamal, die Aisha in het zadel hielp.

‘Zorg ervoor dat je terug bent voor het donker,’ prentte Jamal haar in. ‘De poema…’

‘Weet ik ook wel.’

‘Voor het donker,’ herhaalde haar ma. Aisha keek nog een laatste maal naar de dode merrie en verdween spoorslags door de toegangspoort van het erf. Met een paar stevige voetsporen vuurde ze Mansour aan tot een gestrekte galop. Aan dit tempo zou de rit naar de Koningsheuvel maar vijf minuten in beslag nemen. Mansour hijgde, maar versaagde niet. Zelfs tijdens de klim naar de top van de heuvel verzwakte zijn tred geenszins, alsof hij wist wat er zich afgespeeld had en Aisha zoveel mogelijk terwille wilde zijn.

Bovenop de heuvel stopte Mansour, daar waar de eeuwenoude eik als een eenzaat heerste over de Koningsheuvel. Het zicht was er weids en adembenemend. Op heldere dagen zoals deze kon je in de verte Tarifa zien en daarachter de blauwgroene zee, vanwaar avontuurlijke dromers vertrokken naar Afrika. Daar had Aisha nu geen oog voor. Ze steeg van de hengst en liet Mansour grazen van de graspartijtjes die goed gedijden rond de lommerrijke eik. Het was hier dat Layla’s tere lichaampje begraven lag. Ze had bij de geboorte geen schijn van kans gemaakt. Layla was zo mogelijk nog zwakker als Aisha ter wereld gekomen: een broos, bijna doorschijnend lichaampje dat in een handpalm had gepast. Maar ook bij Aisha had het aan zijden draadje gehangen. Toen ze zag dat haar tweelingzusje noodgedwongen moest afhaken voor dit nieuwe levensavontuur, had ze niets liever gewild dan haar te vervoegen.

‘Je moet doorzetten,’ had Layla na haar laatste, bijna niet waarneembare hartenklop gesproken tegen Aisha. ‘Het is echt de moeite waard.’ Het waren woorden die kwamen uit Layla’s ziel, die ongeschonden en zuiver uit de ervaring was gekomen.

‘Niet zonder jou!’ Aisha’s hartje, nauwelijke een vingerdop groot, klopte eveneens zwak en onregelmatig, maar gaf niet op. Aisha wist dat het slechts een intentie verwijderd was om ook haar lichaampje te laten uitdoven en zo weer herenigd te worden met Layla.

‘Je moet doorzetten, Aisha’, was Layla blijven aandringen. ‘Omdat het leven een godsgeschenk is. Ik zal altijd aan je zijde staan, wat je ook meemaakt. Wanneer je proeft van uitbundig geluk, zal ik me laven aan het levenselixir dat zo’n ervaring uitstraalt. Telkens mijn ziel een stukje meer oplicht, weet ik dat het te danken is aan de successen van jouw stoutmoedige dromen en aan de passie van jouw hunkerende hart. En wanneer er een moeilijke uitdaging of een tragedie op je pad komt, zal ik het zijn die aan je zijde staat. Dan zal ik je troosten met subtiele signalen en je de kracht te geven om zelfs de zwartste nacht te boven te komen. Wat jij in je leven doet, doe je ook voor mij. En wat ik aan de andere kant van het mystieke gordijn uitspook, doe ik altijd met jou in mijn gedachten. Zo zullen we samen groeien in liefde en in wijsheid, want gescheiden zijn onze zielen nooit.’

Die woorden was Aisha nooit vergeten. Ze waren in haar hart gegrift. Maar als er een dag zou komen waarop ze die woorden nodig had, dan was het wel vandaag. Ze zette zich neer aan de voet van de eik, bij de plek waar Layla lag begraven.

‘Nabila is dood,’ begon ze te vertellen tegen haar tweelingzusje. ‘Je wil niet weten hoe. Neen, je wil echt niet…’ Nieuwe tranen baanden zich een weg over Aisha’s gelaat. ‘Het was verschrikkelijk.’ Er kwam geen antwoord.

Hoe ouder Aisha was geworden, hoe moeilijker het leek om contact te maken met Layla. Alsof er tussen hun zielen langzaam een scherm was opgetrokken. Ze vreesde zelfs dat een djinn of andere boze geest de communicatielijn tussen hen gesaboteerd had. Dat frustreerde Aisha enorm en maakte dat ze zich met de jaren steeds meer alleen voelde. Haar moeder en haar vader konden zich daar hoogstens een voorstelling bij maken, maar het volledig begrijpen was voor hen simpelweg niet mogelijk. Dat kon enkel als je zelf een tweeling was.

‘Op een dag zoals vandaag zou ik zo graag terug naar je toekomen,’ snikte Aisha. ‘Soms kan ik niet meer, heb ik er zo genoeg van. Soms is het op.’ Er kwam nog steeds geen antwoord, tenzij het ruisen van de bladeren bij het opsteken van een lichte bries. De troostende woorden van Layla’s ziel bij de geboorte leken plots heel ver weg. Aisha liet haar hoofd hangen. De wind werd sterker en wuifde Aisha’s haar als een troosteloos gordijn voor haar gelaat.

‘Zal ik je wat vertellen, lieve Aisha?’ Ze schrok en rechtte eensklaps haar hoofd. Vanwaar kwam deze stem?

‘Layla, ben jij het?’ Neen, zo klonk het niet. Het was een diepe, ietwat mannelijke stem, ook heel anders dan de stem van Jamal. Aisha keek spichtig om zich heen. Buiten Mansour, die rustig voortgraasde, was er niemand te bespeuren.

‘Ik sta hier al vele eeuwen.’ Het was de eik! ‘Ik ben ondertussen de tel al kwijtgeraakt.’ Ja, het was de eik. Op de een of andere manier had de boom telepatisch contact met haar gemaakt. Aisha keek omhoog naar zijn forse, ruwe stam met de brede, stoere takken, die altijd voor welgekomen lommer zorgden. Vele dieren maakten er dankbaar gebruik van. De vogels gebruikten de boom dan weer graag als rustplek en als strategisch uitzichtpunt.

‘Het zal je misschien verbazen, maar ook ik heb een tweelingziel,’ vervolgde de eik. ‘Iedereen eigenlijk. Helaas staat mijn tweelingbroer een paar kilometer verderop. Ondanks de hoogte van de heuveltop kan ik hem van hier niet zien, zelfs niet als ik op mijn tenen sta.’ Bij dat grapje moest Aisha even glimlachen.

‘Mijn broer staat achter een rots bij een waterpoel, waarover hij graag zijn schaduw werpt. Het ontbreekt hem aan niets, terwijl ik elk jaar moet vechten voor mijn overleving. Voor water moest ik lange tijd mijn wortels doorheen de rotsige bodem wurmen, tot ik hier of daar eens op een bescheiden partijtje water botste. Wanneer in de zomer de hete winden vanuit Noord-Afrika het land bereikten en de heuvel overspoelden, verschroeide ik bijna tot een rode schorpioen. Om nog te zwijgen van de dieren die elk jaar mijn bast beschadigen. Onlangs weer die dekselse poema met zijn scherpe nagels. Het zal weer maanden duren voor ik die wonde gedicht krijg.’

‘Echt? Die poema heeft wel mijn merrie gedood. Nabila was haar naam.’

‘Weet ik, dat heb je net verteld.’ Aisha fronste de wenkbrauwen. Ze had liever gehad dat ze nu met Layla sprak in plaats van met die eik, al was hij wel vriendelijk. Maar voorlopig had ze niet veel aan zijn praatjes.

‘Hoe kunnen we de poema doden?’ testte ze de boom.

‘Er zit zoveel woede in je, meisje. Ik begrijp het wel,’ suste hij. ‘Maar ook de poema probeert te overleven. Ook hij heeft een tweelingziel.’

‘Twee poema’s. Nu nog beter. Is het dan nergens meer veilig?’ Mansour stopte met grazen en keek gehypnotiseerd in westelijke richting. Aisha kneep haar ogen tot spleetjes en tuurde met een hand boven haar ogen in de verte. Vals alarm.

‘Ik heb me lang beklaagd over mijn lot,’ vervolgde de eik onverstoorbaar zijn relaas. ‘Misschien wel mijn eerste honderd jaar. Hoe kon de eikel waaruit mijn tweelingbroer is voortgekomen nu vallen bij die poel, en mijn geboortekiem pal bovenop die verdoemde heuvel? Welke vogel heeft die hier uit zijn stomme bek laten vallen? Zo bekloeg ik me jarenlang. Ik voelde me alleen op de wereld. Elk jaar opnieuw vechten om te overleven in die barre omstandigheden, ik was het meer dan beu en wilde er de brui aan geven.’ Aisha schrok. Dat herkende ze. Ze ging dichter bij de eik zitten en legde zich ertegen, alsof ze de boom uitnodigde verder in haar oor te fluisteren, zodat niemand hun gesprek kon horen. Mansour had een eindje verder het grazen hervat.

‘Het was pas tijdens een eenzame nacht, toen ik moegepiekerd was, dat er plots een stilte rond me viel die ik niet eerder had ervaren. Ik ving signalen op van mijn broer, die dreven op de wind. Op andere keren brachten vogels boodschappen over en dankzij de poema kon ik ook signalen van zijn bastgeur detecteren. Zo werd hij zich bewust van mijn hachelijke situatie en schakelde alles in wat de aarde te bieden had om mijn bestaan te verlichten. Onzichtbaar voltrok zich onder de grond een mirakel, met de hulp van naburige bomen, een familie mollen, miljoenen termieten en een nog veel duizelingwekkender hoeveelheid micro-organismen. Zo ontstond er een ondergronds netwerk. Ik kon er niet alleen beter door communiceren met mijn tweelingbroer, ik kreeg ook toegang tot nieuwe, afgeleide wateraders afkomstig van de poel. Het leek alsof gans het universum samenspande om van de heuvel een groene oase te maken. En kijk nu, zie me hier staan in al mijn boompracht.’ “Waarom doe je dat allemaal voor me, broer?” vroeg ik, enigszins gegeneerd over zoveel steun.’ De eik stokte even in zijn relaas, alsof hij emotioneel werd.

‘En wat zei hij daarop?’ wilde Aisha nu wel graag alles weten.

‘Omdat ik van je hou. Omdat ik je moed bewonder waarmee je altijd hebt doorgezet, ook al stond het huilen je vaker na dan het lachen. Omdat je nu eenmaal op de Koningsheuvel stond en zo’n heuvel per definitie een koninklijke boom verdient. Omdat je dichter bij de hemel staat dan ons en daardoor de sterren beter kan zien, waardoor je informatie kan doorgeven over nakende, belangrijke gebeurtenissen in het heelal. Dan kunnen ik en mijn vrienden ons daarop afstemmen. Plots kwam het besef dat zowel mijn tweelingbroer als ik even gedreven waren om onze rol te spelen in dat grote universum. Hoe onbetekenend het voor ons ook leek, er was een hogere macht aan het werk die onze bijdrage aan de schepping oeverloos apprecieerde. We deden het niet enkel voor elkaar, maar voor iets dat veel groter was dan onszelf. In het grote orkest van het universum zijn wij niet meer dan een instrument, dat harmonieus probeert samen te spelen met alle andere instrumenten. Onder impuls van die grote, gulle Dirigent.’ Aisha was onder de indruk. Alleen, de tweelingbroer van de eik leefde nog tenminste, en Layla was dood.

‘Dood?’ had de eik haar gedachten geraden. ‘De dood bestaat niet. Zielen sterven niet. Net zoals ik geholpen werd op magische manieren, zo spant je tweelingziel Layla zich onafgebroken in om je te helpen.’

‘Waarom hoor ik haar dan niet?’

‘Is dat zo? Misschien luister je niet met de juiste antenne,’ sprak de boom. Er viel een stilte. Aisha wist niet goed wat hiervan te denken.

‘Weet je dat ik samen met mijn tweelingbroer een stoutmoedig plan heb opgevat om ons weer dichter bij elkaar te brengen?’

‘Hoe dan?’ vroeg Aisha. ‘En kan dat ook werken voor mij en Layla?’

‘Elk jaar vragen wij aan de vogels om een eikel mee te nemen en te laten vallen op een plek hier even verderop, waar zowel water als struikgewas te vinden zijn. Onder het struikgewas worden de eikels niet zo snel gevonden door eekhoorns en andere verzamelaars. Een eikel van hem, een eikel van mij. Een van hem, een van mij, en dat al jaren aan een stuk. Ooit zullen er twee van onze nakomelingen bij elkaar gedijen, daar ben ik zeker van. We hebben tijd.’

‘Jij hebt veel tijd, bedoel je. Mijn leven is een pak korter.’

‘… en staat bol van de mogelijkheden die ik als eik nooit zal kennen.’

‘Touché. Maar…’

‘Ha, daar is ze.’

‘Wie?’

‘Raad eens.’

‘Layla!’ Haar beeltenis verscheen als een soort hologram in de stam van de eik. Aisha sprong recht. ‘Waar zat je, Layla? Waar zat je?’

‘Ik ben de ziel van Nabila gaan begeleiden. Die was aardig overstuur en in de war, zoals je je wel kan inbeelden.’

‘Waarheen heb je haar gebracht? Ik mis haar enorm.’

‘Ze krijgt rust in de paardenhemel en wordt daar herenigd met haar tweelingziel, alvorens ze een nieuw avontuur zullen aangaan. Net zoals het ons zal vergaan.’

‘Ik kan niet wachten om…’

‘Weet ik. Maar onze taak zit er nog niet op.’

‘Mijn taak, bedoel je?’

‘Zeg zus, lieve Aisha, heb je niet goed geluisterd naar de eik?’ Aisha voelde schaamte opkomen. Ze had perfect begrepen wat de boom had proberen duidelijk te maken.

‘Wij doen alles samen, Aisha. Ik ben je goede djinn, die de stoutmoedige dromen van je hart zal helpen waarmaken. Ik zal je over alle gevaarlijke bergpassen loodsen en je brengen naar de oases waar het bruist van het leven, zoals jij ze uitstippelt met onverschrokken moed en koppige volharding. Ik zal je brengen bij een man die jou zal aanbidden als een godin en met wie je op een dag onder deze boom zal genieten in de schaduw met dadels en een glas rode wijn, als een koning en een koningin. Op die dag zal ik op de eerste rij staan om je te overladen met applaus voor de moeilijke weg die je hebt afgelegd. Ik zal je zegeningen tellen en er nog vele aan toevoegen. En als iemand je vraagt waarom je elke dag zo straalt, zeg dan niet: “Dat komt door het goede weer of door het laatste cadeau van die liefdevolle man.” Zeg dan: “Dat is het geheim van de tweelingziel.”’

Aisha moest glimlachen om die woorden. Ze omhelsde de eik op de plek waar Layla was verschenen en keek om zich heen. In de verte zag ze Tarifa en de glinstering van de zee. Misschien wilde ze later die zee wel eens oversteken, om dat mysterieuze en aanlokkelijke continent, dat Afrika heette, van dichtbij te ontdekken. Misschien ook niet. Misschien zou ze die fantastische man, waarover sprake, binnenkort al leren kennen. Misschien zou zo’n man, als die al bestond, nog een hele poos op zich laten wachten, omdat ze andere, belangrijker hartszaken te doen had. Dat was op dit moment niet langer belangrijk. Wat ertoe deed, was dat ze haar armen in de lucht gooide en het leven opnieuw omarmde, voor altijd gevoed door het zoete geheim van de tweelingziel.

Opgedragen aan Jolien, die Sofie erg mist en tegelijk heel veel steun aan haar tweelingzusje heeft.

IMG_6428

Vlak na het posten van dit verhaal botste ik tijdens een wandeling op twee wilde reeën. Ik had toevallig mijn fototoestel bij, maar het stak nog in mijn rugzak. Toch bleven ze nieuwsgierig kijken, zodat ik nog snel kon afdrukken alvorens ze het hazenpad kozen. Alsof ze bewust dit verhaal wilden onderschrijven. Een knipoog van het universum?

Stabat Maria Magdalena

Stabat Maria MagdalenaKan je lijden verdrijven met schoonheid? Het is al wat me nog rest, hier in dit kille Franciscanenklooster van Pozzuoli, waar mijn dagen zijn geteld. Zelfs mijn naam klinkt oneindig veel mooier dan de broze botten die ze draagt: Giovanni Battista Pergolesi. Je moet het zangerig uitspreken, zoals alle Italianen doen. Daar hou ik van.

Misschien ken je me nog niet, maar dat is niet zo vreemd. Ik zit al jaren vastgekluisterd in dit klooster en denk niet dat ik er ooit nog uit kom. Het gezegende jaar des Heren 1736 zal beslist mijn laatste worden. Het is nog maar de vraag of ik het einde van de lente haal. Stiekem hoop ik dat Hij me tot zich zal nemen op Paasdag of beter nog, op Goede Vrijdag, de dag van de kruisiging. Ik weet dat ik me moet hoeden voor dergelijke hoogmoed maar een ding is zeker: ik zal nog hard moeten doorwerken om mijn laatste muziekstuk afgewerkt te krijgen. Mijn krachten nemen elke dag een beetje af en ik hoest de longen uit mijn lijf. Elke dag bid ik ’s morgens en ook ’s avonds bij de vespers dat ik mijn laatste compositie mag voltooien. En welk thema is er passander in dit stadium van mijn geteisterde, jonge leven – op 4 januari werd ik 26 – dan het Stabat Mater?

Moeder Maria die bij het kruis staat van haar Zoon, het is een beeld dat me altijd blijft beroeren, nu meer dan ooit. Misschien is het omdat ik mijn moeder zaliger aan mijn zijde mis, nu mijn donkerste uren aangebroken zijn. Tegen tuberculose is geen kruid gewassen. Tuberculose, het is een naam die veel te mooi, veel te legato klinkt voor zo’n vreselijke ziekte. Ik noem ze liever de witte pest, zoals iedereen. Het is alsof een rivier van slijmen bezit neemt van je longen, tot je er langzaam maar zeker in verdrinkt. Soms voelt het aan als het proberen hozen van een lek geslagen schip. Maar dat is nog niets vergeleken bij wat Hij heeft moeten doorstaan op die veelbesproken dag.

Ik ben blij en opgelucht dat ik aan de twaalfde en laatste beweging van mijn Stabat Mater aanbeland ben. “Quando corpus morietur”, wanneer het lichaam zal sterven, zo begint het laatste vers van die wonderlijke hymne van Jacopone da Todi. Ik denk voor de muziek van dat laatste vers aan een Largo Assai in F mineur, net zoals bij de eerste beweging. Dat maakt de cirkel rond, dan kan ik mijn leven met verlicht gemoed overhandigen aan het mysterie.

Elke avond, wanneer het duister intreedt en in het klooster de fakkels zijn gedoofd, herhaal ik in mijn hoofd de muziek van de eerste elf bewegingen. Het is een ervaring die zo intens is, dat ik naar onvindbare adem moet happen in mijn reutelende longen. Dan wikkel ik het geitenharen deken om me heen en kronkel mijn lichaam in een foetushouding, tot ik zo week word als een pasgeboren baby en hengel naar de troost van een warme moederhand.

Stabat mater dolorosa. Maria, de moeder van Jezus, staande bij het kruis. Ook Magdalena staat er, verguisd door velen, in het hart gesloten door een. Elke nacht wordt het me duidelijker dat zij even belangrijk als Maria is. Naar deze man kijken deze vrouwen omhoog met een gebroken hart en een sluier van tranen, zij aan zij. Het is een onwrikbaar verbond van vrouwen, verenigd in een diepe smart.

In mijn hoofd hoor ik de intro. Wanneer je dacht dat ik daarvoor de eer zou opeisen, ben je aan het verkeerde adres. De Allerhoogste heeft ze me geschonken. Het is wellicht het mooiste dat ik ooit gecomponeerd heb. Ik voel de snaren van de viool over mijn frêle huid strijken en zet me schrap voor de eerste aanhef van de sopraan, die bij me naar binnen snijdt als een mes door boter, een gevoel dat de contratenor alleen maar zal versterken. Stabat mater dolorosa, ik zou eeuwig kunnen blijven luisteren naar die klaagtonalen, die stemvibratie waarin mijn lijden en dat van de hele wereld is vervat.

Juxta crucem lacrimosa, dum pendebat filius. Ik zie nu de scène bij het kruis, glashelder, en zoals steeds gaan er koude rillingen door me heen. Ik wriemel onrustig heen en weer op mijn brits, mijn pupillen draaien onder mijn oogleden alle richtingen op. Heb ik de deur gesloten? Ik wil niet dat de monniken me zo zien. Hoe kan ik ze in godsnaam uitleggen wat er door me heen gaat? Het is een kwelling, een loutering en een extase.

Soms fantaseer ik over een compositie die de kruisiging terug kan draaien. Stel je voor dat een paar uur eerder Jezus door Pilatus vrijgesproken wordt, hoogstens verbannen. Dat hij niet door de Via Dolorosa dat loodzware kruis moet torsen met die opgehitste, wraaklustige Joden in zijn kielzog. Dat die doornenkroon niet telkens als bloedige pennen in zijn gelaat krast, zodat rode druppels in grillige banen over zijn gelaat sijpelen. Hoeveel kan een man verdragen, zelfs met een goddelijke geest?

Wanneer die al gebruikte ijzernagels door zijn handpalmen worden gedreven, hoor ik de ijzingwekkende kreten doordringen tot in het kleinste steegje van Jeruzalem. De Romeinse soldaat, aangeduid voor dat lugubere karwei, lijkt daarbij onbewogen, alsof het een routineuze, alledaagse timmerklus betreft. In mijn hoofd hoor ik de echo van die verschroeiende pijn, mijn handen verkrampen tot gebalde vuisten. Ik wil de longen uit mijn lijf schreeuwen, maar meer dan een schrale, slijmerige hoest komt er niet uit.

Jezus’ moeder en (Maria) Magdalena staan niet alleen, daar bij het kruis, en toch zijn ze eenzamer dan de woestijnwind. Machteloos tegenover die gewapende soldaten en hun honderdman, die met een strenge haviksblik alles in goede banen probeert te leiden. Discipline is zijn fetisj. Het is duidelijk dat hij zo snel mogelijk deze ongewone klus wil klaren. In hun rug voelen ze de haat van die meute uitzinnige Joden, die onderaan Golgotha als ramptoeristen toekijken, als bosjes duivelsogen helemaal tot aan de Damascuspoort. Een tiental meter naast diezelfde poort tuurt hogepriester Kajafas, omringd door zijn opportunistische dienaars, met emotieloze ogen naar het macabere tafereel. Ik herken hem aan de fonkelende onyxstenen en de gouden ketting rond zijn hals, ik zie de schittering van de saffieren op de borstlap van zijn donkerblauwe priesterkleed. Zoveel uiterlijk vertoon, zoveel schraalheid van ziel. ‘God, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen,’ sprak Jezus dan nog tijdens zijn lijdensweg. Hij bedoelde daarmee niet dat het onnozelaars zijn, weet ik, maar dat ze de weg naar Liefde, zoals hij die jaren heeft verkondigd, nog niet hebben gevonden. Die vergevingsgezindheid tot op het kruis verbijstert mij nog steeds. Ik hoop dat Hij die ook voor mij zal hebben. Componist van mooie muziek of niet, polio in mijn linkerbeen of niet, of zelfs de witte pest, zondaars zijn we allemaal.

Terwijl ik de sopraan en de contratenor mijn Stabat Mater hoor vertolken, ontvouwen zich voor mijn ogen steeds meer details. Ik zie hoe groepjes Joden achter de rug van hun hand samenzweerderig commentaar geven op het dramatische verloop. Daarbij werpen ze af en toe een gretige, stiekeme blik naar de gekruisigden. Een aansteller uit zo’n kliek roept schamper: ‘Zie hem daar hangen, de Koning der Joden.’ Ze bespreken de exploten van deze zonderlinge, aanstootgevende profeet en speculeren over wie van de drie gekruisigden het eerst zal sterven. Diezelfde hitsige opruier stookt nog wat meer: ‘De afgang zou compleet zijn, mocht die zelfverklaarde zoon van God het niet eens halen van die twee braakballen.’ Mocht ik erbij geweest zijn en de kracht hebben gehad, dan zou ik die man een muilpeer hebben verkocht en hem met zijn duivelse tronie tegen de stadswallen hebben gekwakt.

Vlakbij het kruis zitten drie Romeinse soldaten verveeld te wachten tot de gekruisigden het loodje leggen. Hun honderdman Longinus staat toe dat ze dobbelen om Jezus’ kledingstukken. In een ultieme vernedering nemen ze alles van hem af, tot zijn bebloede onderkleed toe. Maar kijk, plots graaien ze de dobbelstenen bij elkaar en krabbelen pijlsnel recht. Ze fatsoeneren de halsdoek boven hun platenharnas en schikken de helmen op hun verraste hoofden. Onder de boog van de Damascuspoort is Pilatus verschenen, hun grote baas. Hij valt op in zijn hagelwitte toga met de paarse boorden. Hij ondersteunt zijn rechter ellenboog, terwijl hij een hand half voor zijn mond houdt, alsof hij iets wil bedisselen met zijn lijfwachten. Hij wisselt een onderkoelde blik uit met Kajafas, die niet meer dan tien meter van hem afstaat, en wendt dan snel terug het hoofd in de richting van de kruisen. Het staat hem niet aan dat hij de hogepriester zijn zin heeft moeten geven. Anderzijds, heeft hij bedacht, als die zelfverklaarde koning der Joden een kritische massa zou weten te bereiken, zou die profeet niet alleen voor de hogepriesters een bedreiging vormen, maar op termijn ook voor de Romeinse keizer. Dat risico kan hij niet nemen. Toch zit het hem niet lekker. Hij voelt zich gepasseerd in zijn stoere, Romeinse gezag en maakt zich misnoegd uit de voeten. Voor mij is er niets dat verder afstaat van het mysterie, van die grenzeloze liefde van de Allerhoogste, dan dat macabere, politieke spel. Het heeft iets zieligs of, liever gezegd, zielloos.

Johannes staat er ook, zij aan zij met Jezus’ moeder en Magdalena. Als er iemand is die de grootsheid van de ziel manifesteert tijdens dit dramatische gebeuren, dan is hij het wel. Als enige van de mannelijke getrouwen blijft hij Jezus in zijn laatste uren bijstaan. Voor mij is hij de waardigste van alle apostelen. Zoals de twee vrouwen heeft hij een band met de meester die de anderen hem altijd hebben benijd. Is het daarom dat Mattheus, Lucas, Marcus en de anderen uitblinken in afwezigheid? Of is het hun werkelijk enkel en alleen te doen om het redden van hun hachje?

Het ontroert me hoe Jezus aan Johannes vraagt zich na dit drama te ontfermen over zijn moeder. Dat hij zelfs daar nog oog voor heeft, terwijl hij langzaam doodbloedt. ‘O quam tristis et afflicta,’ zingt de sopraan geëmotioneerd. Het voor mij pijnlijkste moment is wanneer Jezus het hoofd omhoog richt, weg van alles en iedereen, en met de weinige kracht die hem nog rest ten hemel roept: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt ge mij verlaten?’ Magdalena is ontzet. Ze zit op haar knieën op de grond, haar hoofd hangt als een slappe vod op centimeters van  de rotsige bodem. Maria zit naast haar gebukt met een hand op haar schouder, terwijl ze hartstochtelijk huilt achter de sluier van haar lange, zwarte haren, die als een brede waaier over de stoffige grond liggen verspreid. Bij het horen van die woorden richt ze zich eensklaps op. Ze stapt gedecideerd op Jezus’ af en stut haar armen tegen het cederhouten kruis. Ze laat haar hoofd in haar nek vallen en staart pal omhoog: ‘Zeg dat niet, zeg dat toch niet, mijn grote Liefde. Zeg niet dat je dat meent. Hoor je me?’ Ik weet dat de Kerk niet teveel moet hebben van haar, maar telkens die beelden zich voor mijn geestesoog manifesteren wordt me duidelijk dat Magdalena… Hij is haar geliefde. Op deze manier van Hem gescheiden worden veroorzaakt een gapende wonde in haar ziel.

Jezus viseert nog steeds de grauwe lucht. Donkere wolken schuiven als een sinistere lappendeken over Jeruzalem. Magdalena klemt haar armen rond het kruis en zijgt door haar knieën neer. ‘Zeg dat toch niet,’ herhaalt ze. Ze weent niet langer en toont in dit donkerste moment haar vastberadenheid. Zowel in de muziek als de schilderkunst wemelt het van de Stabat Maters, maar niemand heeft er ooit aan gedacht een “Stabat Magdalena” in het leven te roepen. Alsof haar aanwezigheid bij het kruis een anekdote in de marge is. Ik heb er wel aan gedacht. Elke dag denk ik eraan, en toch durf ik de titel niet veranderen. Dat kan ik de Franciscanen van dit klooster, die zo goed voor me zorgen, niet aandoen. Voor de paus blijft Magdalena die overspelige hoer, een slinkse zondares die geen podium verdient. Het zou het klooster in diskrediet brengen en ik zou niet langer begraven worden op gewijde grond. Dat kan ik de monniken noch mijn familie aandoen. Maar niemand kan me beletten de werkelijke titel van mijn laatste compositie in mijn hart te schrijven: “Stabat Magdalena”.

Jezus laat zijn hoofd zakken en kijkt haar aan. Hij kucht, terwijl een straaltje bloed langs zijn lippen naar beneden sijpelt. ‘Ik heb dorst,’ prevelt hij. Op dat moment treffen de ogen van Jezus en Magdalena elkaar, een blik die mijn hart doet overslaan. Het is alsof ze woordenloos communiceren in de geheimtaal van de ziel. Het gaat over de Liefde, vang ik op, hun Liefde, waar zelfs de dood niet kan tussenkomen. Tussen hoop en vrees fronst Magdalena haar dunne wenkbrauwen, met haar gewaad wrijft ze haar tranen droog. Rond Jezus’ mondhoeken verschijnt een zachte glimlach die door haar wordt beantwoord met innige ontroering.

Hun intieme moment wordt brutaal doorbroken door een grijnzende soldaat. Hij duwt Magdalena opzij, prikt een spons op zijn lans en duwt die brutaal in Jezus’ aangezicht. De vrouwen hebben niet gezien dat hij ze gedrenkt heeft in een kruik met zure wijn. Zijn kompanen maken grappen: ‘Is het lekker? We hebben nog meer!’ Jezus sluit andermaal de ogen wanneer zijn droge, gebarsten lippen sippen aan de spons. De soldaat duwt hem nu vol in het gelaat. Hij schaterlacht, zijn makkers heulen mee: ‘Zie hem daar hangen, de koning der Joden, de Messias. Wanneer ga je jezelf redden?’ Nog meer gelach. Het is onverdraaglijk, ik begraaf mijn hoofd onder het kussen. De sopraan zingt: ‘Tui nati vulnerati, tam dignati pro me pati, poenas mecum divide!’ Ach, dat ik de pijn voelde, die uw lieve Zoon doorwoelde, toen Hij stervend voor mij streed. Die pijn, die voel ik nu in elke vezel van mijn lijf.

Een misselijkmakende, rotte geur hangt boven Golgotha en zijn drie gekruisigden. Hun bloed neemt bezit van de kale rots aan de rand van die desolate steengroeve. Het valt me op dat niemand aandacht heeft voor de mannen die Jezus flankeren, ook al is hun lijden er niet minder om. Misdadigers noemen ze hen. Ik ben aangedaan wanneer ze kibbelen en een van hen het onverwacht voor Jezus opneemt: ‘Wij hangen hier terecht,’ roept hij die andere boef toe, ‘maar Hij hier, Hij heeft niets misdaan.’ Het antwoord van zijn kompaan is een monkellachje. Waarop hij weer: ‘Heb jij dan geen ontzag voor God, nu ook jij deze straf ondergaat?’ Dat Jezus die man nog vergeving schenkt, op dat moment, je moet het gezien hebben om de barmhartigheid van die daad te kunnen inschatten. Als een film die zich voor mijn ogen afspeelt, zie ik alle vergevingen, alle genezingen, toespraken en wonderen van Jezus tijdens zijn abrupt gestopte, aardse leven. Ze flitsen aan me voorbij in een paar luttele seconden, even kostbaar als regendruppels in de woestijn. Sacrale momenten waarin de goddelijkheid van dat veel te korte leven zit samengebald.

Ik kijk naar Johannes, hoe hij bidt, bedroefd maar sereen. Waar zitten zijn gezellen? In welk schuildoord wachten ze verschrikt het einde af van deze nachtmerrie? Er treedt een duisternis in die niet door de nacht geschapen is. Iedereen kijkt spichtig om zich heen, de roddelpraatjes verstommen. Zelfs de soldaten en de honderdman doen er het zwijgen toe en kijken ontzet omhoog. Magdalena bidt onafgebroken met Maria en Johannes. Ze laat haar linkerhand rusten op haar borst, terwijl ze met de rechterhand naar het kruis reikt, naar haar geliefde. Ik zie wat ze aan het doen zijn: ze verbinden hun harten over de grenzen van de dood. Zelfs die kan hen niet langer scheiden. De ziel van Jezus komt langzaam los van dat moegetergde lichaam. Het is vreemd, maar misschien schittert zijn ziel in dit donkerste moment meer dan ooit tevoren. Het is een schouwspel dat bijna niemand opmerkt, omdat ze niet kijken met de juiste ogen.

‘Het is volbracht,’ zegt Jezus. ‘Het is volbracht,’ herhaalt Magdalena. Jezus kijkt een laatste maal naar haar, schenkt ook zijn moeder en Johannes een laatste liefdevolle blik, draait dan zijn ogen hemelwaarts. De duisternis is nu bijna compleet, ook al is het pas drie uur ’s namiddags.

‘Vader, in uw handen leg ik mijn geest,’ spreekt Hij zijn laatste woorden. Het ‘Amen’ van zijn trouwste volgelingen valt samen met een krachtige, onaardse doodsschreeuw, die als een onstuitbare echo weergalmt over de heuvels van Judea. Jezus’ aardse lichaam heeft zijn laatste adem uitgeblazen. Wat op dat moment gebeurt, is ongelooflijk.

Het begint met de tempel, amper enkele steenworpen van de plek des onheils verwijderd. Binnenin bevindt zich de heiligste der heilige plaatsen, daar waar Gods heerlijkheid op aarde verblijft. Het is beveiligd door een gordijn van wel twintig meter hoog en tien centimeter dik. Stel je voor, tien centimeter! Het is vervaardigd van blauw, paars en scharlaken wol, en dubbeldraads fijn linnen. Zelfs een stel paarden zou niet in staat zijn dit kapot te trekken. Een keer per jaar mag hogepriester Kajafas hier naar binnen. Een enkele keer per jaar, om te bidden voor verzoening van de zonden van het Israëlische volk. Maar deze zonde, het kruisigen van Hem, die door diezelfde God gezonden is, is te groot, te onvergeeflijk.

Wanneer Jezus zijn laatste adem heeft uitblazen scheurt het sterkste gordijn van Israël in twee stukken, van boven naar beneden, als betrof het perkament van de goedkoopste soort. Zo klinkt het ook een beetje, maar dan luider, veel luider, zodat het tot ver buiten de Damascuspoort gehoord wordt. Kajafas kijkt verschrikt om zich heen. Onder het volk ontstaat paniek. Men weet nog niet waar het vandaan komt, tot een dienaar komt berichten. Kajafas slaat een hand voor zijn mond en is nog niet van de verbazing bekomen wanneer ook de aarde aan het beven gaat. De kruisen schokken heen en weer, maar vallen niet. Alle toeschouwers maken zich als de bliksem uit de voeten. Een man wordt vertrappeld. Sommigen slaan zich op de borst: ‘Hoe konden we er zo naast zitten? Hij was waarlijk de zoon van God. Zal Hij dit ons ooit vergeven?’ Met de kopjes naar beneden drumt het gepeupel aan de smalle poort, waar nog meer mensen dreigen vertrappeld te worden. Ze wurmen zich onder de boog door als bange, anonieme zandkorrels door een zandloper. Dan verdwijnen ze kriskras in de steegjes van Jeruzalem. Sommigen wagen het erop langs de tempel te hollen om poolshoogte te nemen. Met ogen van ongeloof zien ze het gescheurde tempelgordijn en slaken ijselijke kreten.

‘Hij was waarlijk de zoon van God,’ zegt Longinus, de Romeinse honderdman. In devotie knielt hij voor het kruis. In de achtergrond zit Kajafas nog steeds op de grond met zijn gevolg. Hij is niet gevlucht, alsof hij door het gebeuren aan de grond genageld is. Over zijn hoofd heeft hij een inderhaast achtergelaten kaffiya geslagen. Maria, Johannes en Moeder zitten zij aan zij nog steeds te bidden bij het kruis.

‘We willen hier weg,’ panikeren de soldaten. ‘Nu!’

‘Zowaar de zoon van God,’ herhaalt Longinus met betraande ogen.

‘Zie je wel dat ik gelijk had,’ zegt de ene gekruisigde misdadiger tegen de andere. ‘Laat me met rust,’ zucht die. ‘Ik wil sterven.’

‘Zullen we hun botten breken?’ dringen de soldaten aan. ‘Longinus, luister je?’ Ik ben nog steeds verbaasd over de wreedheid waartoe de mens in staat is. Toen, en ook nu nog. Het is een methode om gekruisigden sneller te doen sterven, weet ik. Als hun benen gebroken zijn, kunnen ze niet meer steunen op het voetbalkje en bloeden ze sneller dood. Ik hoor een harde knak en draai mijn hoofd andermaal weg onder het kussen.

‘Aan hem raak je niet,’ wijst de honderdman naar Jezus. Hij buigt het hoofd. ‘Ja, van hem blijven jullie af,’ treedt Magdalena bij als een leeuwin. Ze heeft zich opgericht en staat met haar rug tegen het kruis geplant. Haar hoofd raakt de voeten van Jezus, waardoor een straaltje bloed op haar witte sluier sijpelt.

‘Verman je, Longinus,’ praten zijn soldaten op hem in. ‘We moeten hier weg.’ Ze kijken naar de wolken die zo donker als de nacht zijn en wijzen naar de Damascuspoort, waaronder Kajafas als een van de laatsten de aftocht heeft geblazen. Zonder een antwoord van Longinus af te wachten pakken de soldaten de andere misdadiger aan. Hij schreeuwt het uit, nog voor ze aan hem raken.

‘Stop ermee!’ Longinus neemt een lans. Magdalena kan niet verhinderen dat hij Jezus in de zij steekt. Ze schuddebolt met haar hoofd.

‘Kijk, hij is al dood,’ snauwt Longinus tegen zijn soldaten. ‘Van hem blijven jullie af. Begrepen?’ Johannes en Maria zien hoe Magdalena Longinus wegduwt van het kruis. Hij biedt geen weerstand meer. Ze vormen nu alle drie rond het kruis een beschermende haag. Zonder dat ze er aandacht voor heeft, komt het witte gewaad van Magdalena helemaal onder het bloed te zitten. Het deert haar niet. Ze probeert vertrouwen te houden in het laatste, woordenloze hartscontact met Jezus. Ik voel haar twijfel en haar lijden. Ze zijn een deel van mij geworden.

De sopraan heeft de tiende beweging ingezet: ‘Fac me cruce custodiri, Morte Christi praemuniri, Confoveri gratia.’ Laat het kruis over mij waken, laat zijn dood mij sterker maken, zodat hij me begeleidt. Het klinkt als een gebed dat past bij die niet aflatende beeldenstroom. Zo zie ik nog hoe Jozef van Arimathea van Pilatus toestemming verkrijgt om het lichaam te begraven in zijn tuin. Zorgzaam wikkelt hij het lichaam in linnen doeken en legt het met de hulp van Johannes, Magdalena en moeder Maria in het graf, waarna Nicodemus het bedekt met honderd pond mirre en aloë.

Nog is de lijdensweg niet voorbij. Door toedoen van Kajafas wordt hun vreedzame wake bij Jezus’ lichaam brutaal verstoord. Als wilde honden worden ze weggejaagd door een nieuw kwartet Romeinse soldaten. Het graf wordt verzegeld en vanaf nu door hen bewaakt. Dat hij op de derde dag zal verrijzen lijkt voor Kajafas een slechte grap, die perfect past bij deze charismatische charlatan. En toch, na deze spectaculaire tekens is hij door twijfel overmand. Hij is naar de tempel geweest en heeft net als iedereen gezien hoe dat heilige gordijn erbij ligt als een slappe vod, onherstelbaar. Dit kan hij niet laten gebeuren. Een Kajafas breng je niet zo snel van de wijs. Hij heeft geen idee.

Ik zie hoe Judas Iskariot bleek wegtrekt en helemaal van slag naar diezelfde tempel trekt. ‘Ik heb gezondigd,’ beklaagt hij zichzelf tegen de priesters. ‘Ik heb onschuldig bloed verraden. Hier hebben jullie de beloning terug voor mijn verraad.’ De priesters kijken elkaar aan en draaien hun rug naar Judas. ‘Ik moet jullie bloedgeld niet,’ probeert hij tevergeefs. Hij keert het zakje ondersteboven en schudt de dertig zilverlingen uit over de tempelvloer, maakt zich daarna uit de voeten. Incognito haast hij zich door de smalle steegjes van Jeruzalem tot hij buiten de stad is, steeds verder, tot hij helemaal buiten adem de smeulende velden van Hakeldama heeft bereikt. Zijn wanhoop bestaat uit de onoplosbare vraag welke boete zijn daden ooit zal kunnen vergeven. Een schrale, droge wind heerst over de donkerrode aarde van deze vlakte, waar de geur hangt van rottende kadavers. Op een heuvelkam staat een schaapsherder toe te kijken naar deze eenzame man, die het ondenkbare doet aan een kale, verschroeide boom.

‘Fac ut animae donetur,’ vatten de sopraan en de contratenor het laatste vers aan. Eindelijk hoor ik de muziek die erbij hoort en vervolledig de partituur. Het is een vreemd doch bevrijdend gevoel om mijn laatste noten neer te pennen. ‘Paradisi gloria, Amen’. De laatste beelden voeren me terug naar het graf van Jezus, waar een schitterende, witte aura rond zijn lichaam hangt. Het is de voorbode van het mysterie dat zich op Paasdag zal voltrekken: de verrijzenis. Is het een toeval dat Magdalena Jezus als eerste zal herkennen op die bewuste dag, die nu al 1736 jaar lang gevierd wordt als het moment van de Grote Verlossing?

Volgende week is het zover, ik kan niet wachten tot het Goede Vrijdag wordt, tot de Paasdag aanbreekt. Ik leg het perkament met de partituur neer naast mijn brits, doof de kaars en sluit de ogen. Het is volbracht. Ook al is mijn Stabat Mater gecomponeerd in opdracht van de Confraternità dei Cavalieri di San Luigi di Palazzo, het is niet voor hen dat ik het gemaakt heb. Ik heb het enkel gecreëerd voor de allerhoogste, alleen aan Hem draag ik het op. De première zal ik niet meer meemaken, maar dat deert me niet. Het applaus van het publiek, als dat er al komt, zal me worst wezen. Het belangrijkste is dat Hij het hoort.

De cirkel is rond. Ik hoest steeds erger en zie de nacht met grote deernis tegemoet. Laat me alsjeblieft nog Pasen halen. Ik denk aan moeder Maria en mijn eigen moeder, die ik al zeven lange jaren mis. Zullen ze op me wachten? Moederliefde is met niets te vergelijken, een zalf die alle wonden heelt. In mijn Stabat Mater heb ik dat gevoel proberen te vangen, ook al is dat een onmogelijke opdracht. Ik denk ook aan Kajafas, Pilatus en Judas. Schuilt niet in ieder van ons een drift naar macht en aanzien, een opportunist of een verrader? In de duisternis van de nacht snak ik naar vrede met mijn demonen. Daarvoor zoek ik steun bij Johannes, de meest integere en wijze der apostelen. Sta me bij, Johannes, wijze man, omring me met je onnoembare geest. En voor ik mijn geest aan de allerhoogste toevertrouw wil ik niet in het minst mijn dank betuigen aan Magdalena, die mysterieuze, sensuele en onderschatte vrouw. Ze moeten stoppen met haar een hoer te noemen. Haar liefde voor Jezus was groots en oprecht, dat voel ik in elke noot van mijn laatste compositie. Zo’n liefde heb ik jammer genoeg zelf nooit mogen kennen – mijn enige grote verliefdheid bleef onbeantwoord. Het is goed zo.

Het is alsof ik Magdalena langs de ene zijde van mijn bed zie zitten, en moeder Maria met Johannes aan de andere zijde. Ik stel me voor dat ze mijn koude polsen in de palm van hun warme handen leggen, terwijl ik kijk naar een schitterend licht dat oprijst aan mijn voeteneinde. Mijn kleine leven is bijna ten einde. Ik heb geleerd dat je lijden niet kan verdrijven met schoonheid, maar ze wel elkaar de hand kan doen reiken. Beiden plaveien ze de weg naar iets dat vele malen hoger dan onszelf is. Ik geef me over aan de clementie van de moedertroost, aan de zoetheid van de Liefde der geliefden, aan de wijsheid van onuitgesproken woorden. Nog een stap, een enkele, en ik ben dra voorbij dat lange lijden. In het donker strek ik een laatste maal mijn hand, zoals Magdalena naar de geliefde aan het kruis. Ik hoor hemelse muziek en leg mijn ziel neer in de schoot van het grootste der mysteries.

De afbeelding bovenaan is een fragment uit een schilderij van de Franse schilder Jacques Joseph Tissot (1836 – 1902). Opvallend is het perspectief – vanachter het kruis – waardoor de focus ligt op de ervaring van zij die voor het kruis staan. Rechts staat Maria, links de apostel Johannes en de vrouw die het kruis omhelst is Maria Magdalena. Dit schilderij was mede de inspiratie voor dit verhaal.

De componist Giovanni Battista Pergolesi stierf op 26 maart 1736, een paar dagen voor Goede Vrijdag. Hij werd 26. Zijn Stabat Mater werd in 2016 door de luisteraars van Klara verkozen tot beste klassieke muziekstuk in de jaarlijkse Top 100. Luister hieronder waarom.

 

 

Niemand gaat verloren

niemand-gaat-verlorenOp 18 september 2015 wordt Laura twaalf. Ze is een goedlachs, behulpzaam en energiek meisje. De liefde die ze uitstraalt is grenzeloos. Laura is uniek en fijngevoelig, ze heeft antennes waarmee ze feilloos mensen en situaties aanvoelt. Toegewijd helpt ze iedereen waar kan. Op die achttiende september lacht iedereen uitbundig. Het is feest en de eerste stap naar een volwassen leven lonkt veelbelovend. Toch weegt een schaduw op haar jonge leven. Nauwelijks enkele maanden later wordt ze gepest op een manier die haar diep raakt. Zo diep, dat ze begin december besluit uit het leven te stappen. Niet alleen de familie is in shock, de hele gemeenschap van Durbuy is zwaar getroffen door het tragische nieuws. Niemand kan het begrijpen, ook de chauffeur van de schoolbus, die zijn betraande ogen laat glijden over de zitplek die vanaf nu voor altijd leeg zal blijven.

Het gezin zoekt troost bij elkaar, raapt al haar moed samen en besluit er het beste van te maken. Er is geen andere keuze. Ze trekken zich op aan het idee om ook iets positiefs uit het gebeuren te halen. Laura’s moeder is een sterke vrouw. Onvermoeibaar zet ze zich in om maatregelen tegen pesten in een stroomversnelling te krijgen, tot bij de bevoegde parlementen en minister toe. Ze gaat spreken in scholen. ‘Als er ook maar één kind mee kan gered worden, is het al de moeite geweest,’ is ze strijdvaardig en gedecideerd. Wat nog het meeste opvalt, is de golf van liefde die ontstaan is in Durbuy. Het gezin wordt omringd door de warme deken van een gemeenschap die hen koestert. De steun is minstens even groot als het verdriet.

Wanneer ik het trieste verhaal van Laura oppik in de media, ben ook ik geraakt. Mijn moeder is twaalf jaar geleden uit het leven gestapt, een paar maanden voor Laura haar eerste kaarsje uitblies. Ik ben een verhalenschrijver, en die dag gebeurt er iets ongewoons. Zonder een enkele aarzeling vloeit er een delicaat en hoopgevend verhaal uit mijn pen, over Laura. Na de laatste zin is het precies goed. Het is de periode van kerstmis en speelt zich af in die sfeer. Het lijkt alsof Laura tijdens het schrijven aanwezig was, alsof ze me de woorden influisterde. Wanneer ik Een heel klein beetje Jezus op mijn blog zet, raakt het duizenden mensen. Nu, een jaar later, vindt het verhaal nog steeds quasi dagelijks lezers.

Een half jaar later bereikt het verhaal via de sociale media ook Laura’s moeder. Het is voor de familie letterlijk en figuurlijk een geschenk uit de hemel, het brengt nieuwe hoop in moeilijke tijden. We krijgen contact en samen met mijn partner Annick komt het in het najaar van 2016 tot een ontmoeting. Daarvoor rijden we van Leuven naar Durbuy, via Huy aan de boorden van de Maas. In Huy heeft mijn moeder de laatste twintig jaar van haar leven doorgebracht. Ze verbleef in het Tibetaanse instituut, verscholen op de flanken van de Maasvallei. Het is een oase van rust in een pittoreske omgeving. Wanneer we voorbijrijden aan de afslag naar het instituut komen mijn herinneringen bovendrijven aan die fatale dag, toen mijn moeder uit het leven stapte.

31 mei 2004 is een grijze, miezerige dag, die je eerder in de herfst verwacht. Die dag ben ik net als vandaag op weg naar Huy. Het telefoontje dat eraan voorafging was een donderslag bij heldere hemel. ‘We vrezen dat we te laat waren,’ klinkt het. Tijdens het ongemakkelijke telefoontje wordt duidelijk dat moeder er zelf een einde aan gemaakt heeft. Hoe juist is nog niet duidelijk, het waarom misschien wel. Moeder vocht al enkele jaren tegen depressie, afgewisseld met manische periodes. Ze had bijna twintig jaar in de keuken van het instituut gewerkt. Quasi in haar eentje had ze elke dag maaltijden verzorgd, voor de residenten van het instituut en voor haar talrijke bezoekers. Toen haar gezondheid en vooral haar geteisterde rug het niet meer toelieten, voelde ze zich van de ene dag op de andere nutteloos en verloren. Ze vereenzaamde, ook al was ze dagelijks omringd door warme mensen. Het contact met haar familie en ook mezelf verwaterde door de afstand en door haar keuze voor dit speciale leven in het Tibetaanse instituut.

Wanneer we op die laatste meidag de statige kastanjedreef naar het instituut oprijden, kijk ik verdwaasd naar de ritmische beweging van de ruitenwissers. Het regent onophoudelijk. We worden opgewacht door een klein ontvangstcomité op de binnenkoer van het kasteel, ooit nog een bisschoppelijk paleis. Lama Karta, de belangrijkste boeddhistische geestelijke van het instituut, is gekleed in zijn typische, bordeauxkleurige gewaad. Hij klemt zijn handen in een kommetje om mijn rechterhand en herhaalt enkele keren op gedempte toon: “I’m so sorry”. Zijn eeuwig glimlach is ingeruild voor een doffe, neerwaartse blik. In de achtergrond draait een lijkwagen de parking op.

Er komt nog familie toe. We laten ons meevoeren naar moeders studio in een bijgebouw achter het kasteel. Haar lichaam is al weggehaald. De buurvrouw legt schoorvoetend uit wat er is gebeurd. ‘Ik klopte verschillende keren op de deur. Normaal gezien doet ze altijd direct open. Ik vond het raar dat ze niet antwoordde.’ In het badkamertje zien we hoe de metalen baar van het douchegordijn, nochtans stevig ingemetseld, een neerwaartse knik vertoont. In de hoek staat een plastieken tabouretje als een stille getuige. Nergens een afscheidsbrief, we zullen er nooit een vinden. Ik vraag me af of het ontbreken van afscheidswoorden een laatste opgestoken middelvinger naar een lijdend leven is, of dat het haar simpelweg te zwaar viel om ze neer te pennen. Haar vertrek is een verhaalloze exit, stiekem in de eenzame nacht.

Lama Karta dringt aan om in de tempelruimte op het gelijkvloers nog een korte ceremonie te houden, alvorens het lichaam zal weggevoerd worden met de lijkwagen. De ruimte stroomt vol met alle mensen van het instituut. De drie Lama’s zitten in lotushouding verweesd bij het altaar, waar zilveren waterschoteltjes en flakkerende kaarslichtjes inderhaast neergezet zijn. Ik neem voorzichtig plaats ergens in het midden. Vooraan is me te direct, ik heb angst voor wat komen gaat. Dan wordt moeder binnengedragen op een draagberrie. Over haar lichaam is een wit laken gedrapeerd. Grijze maatpakken van de begrafenisonderneming laten de draagberrie voor het altaar voorzichtig zakken naar de grond. Sommigen durven kijken, anderen slaan de ogen neer. De contouren van het geteisterde lichaam maken van het laken een morbide, grillige sculptuur. De ruimte is zo stil, dat het geblader in de gebedenboekjes klinkt als het verkreuken van de tijd. Er volgt een geïmproviseerde gebedsdienst, waarna Lama Karta zich rechtstreeks tot mijn moeder richt, alsof ze er nog is. Dat is ze wellicht ook, of toch haar ziel, die voor de laatste reis allerlei spirituele raadgevingen meekrijgt. Het is het moment om alles toe te passen wat ze geleerd heeft in het Tibetaanse boeddhisme, begrijp ik. Ik begrijp helemaal niets.

Na de gebedsdienst tillen de begrafenisondernemers, al die tijd discreet op de achtergrond gebleven, de draagberrie weer op. Moeder wordt buitengedragen en in de laadruimte van de lijkwagen geschoven. We nemen plaats in onze auto, sluiten aan. Twee uur eerder was er nog geen vuiltje aan de lucht, nu sta ik op het punt om de begrafenis van mijn moeder te bespreken. Wanneer de stoet zich in beweging zet, zie ik in de achteruitkijkspiegel hoe de gemeenschap van het Tibetaanse instituut ons als een verweesd stilleven blijft nakijken, tot we uit het zicht verdwijnen. Tijdens de rit achter de lijkwagen blijft het rode tabouretje voor mijn netvlies dansen. Hoeveel moed is er nodig om je leven zo te beëindigen? Hoeveel wanhoop? Wat zou er in die laatste momenten door haar heengegaan zijn? Had ze dit al langer gepland? Hoe moeten we hiermee omgaan? Zoveel vragen, zo weinig antwoorden.

De herinneringen aan die fatale meidag spoken door mijn hoofd wanneer we Huy voorbijrijden. We zetten koers naar Durbuy, waar het drama met Laura zich nog geen jaar geleden heeft voltrokken. Ik ben verbijsterd dat een meisje van twaalf zich in zo’n wanhoop heeft verloren, dat ze gekozen heeft voor eenzelfde soort verlossing uit dit leven. Laura was niet depressief. Ze was levenslustig en alles wat je van een goedlachse, twaalfjarige meid mag verwachten. Maar twaalf is ook een linke leeftijd, waarbij emoties messcherp kunnen worden ervaren. Zoals een eerste verliefdheid op een jongen. De kans om je eerste hemelse gevoelens te beleven is even groot als de kans om zwaar gekwetst of beschaamd te worden, zeker als je intiemste geheimen dreigen verraden te worden. De impact van pesten onder jonge mensen wordt nog steeds zwaar onderschat. Het geworstel van opgroeiende jongens en meisjes, op zoek naar een identiteit en een plek binnen de sociale groepen waarin ze opgroeien, behoort tot de kwetsbaarste periode uit hun jonge leven.

Wanneer we in Durby de ouders van Laura begroeten zien we twee mensen die ondanks hun grote verdriet moedig blijven. Ze zijn authentiek, kwetsbaar, Ardeens krachtig. Hun wankelen wordt gestut door de nabijheid van de imposante rotspartijen, zo komt het me voor. Ze zoeken naar zingeving voor het grootste verlies dat je als ouder kan meemaken. Wat hen drijft is de hoop dat uit het ergste verlies misschien ook iets goeds kan voortkomen: een nog hechter gezin, een betere bescherming van jongeren tegen pestgedrag, het koesteren van de vele mooie en dankbare herinneringen aan Laura zelf. En last but not least: de golf van solidariteit, empathie en liefde die in Durbuy tot ver daarbuiten is teweeg gebracht. Het is een balsem voor de wonde, voor de ziel.

We praten over signalen. Tekens waarin de aanwezigheid van Laura wordt herkend. Taferelen aan de appelboom, een tekening die plots opduikt, een speciale vogel. Ook tijdens het gesprek voelt Laura’s moeder de aanwezigheid van haar kind. Wanneer ze het rouwprentje met Laura’s foto op tafel legt, voel ik het ook. Ik kijk naar het breed lachende meisje en houd het niet droog. Waarom raakt het me zo?

Na de onfortuinlijke dood van mijn moeder volgt een kleine week later de begrafenis. Ik heb gepast voor een laatste groet in het mortuarium. Moeder is nochtans toonbaar gemaakt, vredig zelfs. Ik heb angst dat het beeld van mijn dode moeder jarenlang op mijn netvlies zal blijven kleven. Daarom ruil ik het liever in voor het beeld van ons laatste afscheid, waarbij ze nog de innemende moederlach lachte. Op de dag van de begrafenis kan ik niet huilen, in tegenstelling tot vele anderen, alsof ik mijn tranen heb uitbesteed aan anderen. Een deel in mij lijkt zelfs blij dat er verlossing voor haar lijden is gekomen. Het is taboe om die gedachte toe te laten, laat staan ze uit te spreken op de koffietafel, waar over alles wordt gesproken behalve moeder, tenzij op samenzweerderige fluistertoon. Zelfs de vrolijke herinneringen blijven op stal. Lama Karta, die in de kerk veel bekijks had met zijn lange, boeddhistische gewaad, weet voor een keer niet goed hoe zijn medeleven in praktijk te brengen. ‘Ze was ten prooi gevallen aan demonen,’ weet hij. Ik moet denken aan de vele schilderingen in het Tibetaanse Instituut, opgetooid met felle kleuren. Een ervan toont de bestaansrijken uit de boeddhistische leefwereld, die bevolkt wordt door verlichte meesters en evenzeer door draken en demonen, en alles daartussenin. Helemaal onderaan heffen kleine gestaltes paniekerig de armen, beschaduwd door drakenkoppen en veelarmige onheilsfiguren. In welk rijk is moeder verzeild geraakt?

‘Bardo,’ zegt de Lama. Moeder zit nu in de fase van het bardo, een tussenstaat tussen twee levens in. Boeddhisten geloven in reïncarnatie. Hun draaiboek vanaf het moment van overlijden tot aan een nieuw leven is indrukwekkend precies. Het Tibetaanse Dodenboek is duizenden jaren oud. De periode tussen het overlijden en ma’s wedergeboorte duurt zeven weken, leer ik. Het komt erop aan om zoveel mogelijk voor haar te mediteren en ceremonies uit te voeren, stelt de Lama, zodat haar volgende incarnatie gunstig wordt beïnvloed. Een van de punten op de reïncarnatie opsmuklijst zijn meditaties op de leegte. Leeg, zo voel ik me al wekenlang. Dat zelfdoding niet helpt om hogerop de ladder naar Verlichting te klimmen, baart de Lama’s immense kopzorgen. Dit hebben ze nog nooit van dichtbij meegemaakt. Ik ook niet.

Ik besef hoezeer onze werelden zijn uiteengelopen, maar ik doe schoorvoetend mee met de rituelen, zij het lang niet elke van de zeven weken. En als het me teveel wordt ga ik naar ma’s studio en blader door haar nota’s van de boeddhistische leringen, die ze jarenlang gevolgd heeft. Het begint met het onderkennen van de oorzaak van het lijden, gaat verder met onthechting, toevlucht zoeken tot de Dharma en allerlei praktijken voor specifieke doeleinden. Ik kijk naar haar ijverige kribbels, haar doorhalingen en opmerkingen in de marge, sluit dan de blauwe map en kijk door het raam naar de tempel, waarop een buizerd nietsvermoedend neerstrijkt. Voor moeder heeft het kennelijk niet gewerkt. Ontbrak het haar simpelweg niet aan liefde? De liefde, die ik haar de laatste twintig jaar maar mondjesmaat gegeven heb, na alles wat er voorheen was gebeurd?

Exact zeven weken na moeders dood zijn er in het Tibetaanse instituut drie dagen lang rituelen voor de doden, met als orgelpunt een grote ceremonie voor mijn moeder. Speciaal voor de gelegenheid is er een indrukwekkende tent opgesteld. Boeddhistische geestelijken zijn uit heel Europa afgezakt en zitten als gedisciplineerde schooljongens naast elkaar opgelijnd in lotushouding, sommige met muziekinstrumenten. Dubbelzijdige trommeltjes worden door aan touwtjes slingerende kogeltjes afwisselend geroffeld. Een breedkakige monnik produceert met een lang, trompetachtig instrument een schelle, doordringende klank, die zich voortplant doorheen de vallei tot aan de boorden van Maas. De lage bassen van de Lama’s kneden de gezangen tot een monotoon, hypnotiserend gedreun. De talrijke aanwezigen zingen naadloos mee, met of zonder boekjes. Moeder was in deze wereld door velen heel geliefd. Iemand wijst me in het zangboekje aan waar we zitten. Ik probeer mee te zingen met de fonetische versie van wat op een sanskrietachtig geschrift lijkt. Een Lama richt zich op en loopt naar een bakje zand, waarin een lolly met schreeuwerige kleuren staat geplant. Het doorschijnend papiertje is er nog omheen gewikkeld. Hij klemt het in zijn hand, gaat ermee op wandel tot achter het altaar, waar hij een zeilflap van de tent openklapt en het snoepgoed gedecideerd naar buiten mikt. Later kom ik te weten dat het een praktijk is om alle negativiteit naar een bepaald voorwerp te dirigeren en het nadien af te voeren, als betrof het radioactief afval. De kansen van ma’s wedergeboorte zijn gevrijwaard door een bereidwillige lekstok.

In de periode na het ritueel zie ik vaak tekens, duikt moeder op in dromen. Wanneer ik met een griepje in de zetel lig, tikt een pimpelmees herhaaldelijk op de ruit boven me. Op het moment dat ik aan ma denk, strijkt een reiger neer in de tuin. Dat heeft nog nooit een reiger geriskeerd: ze moet zich bijna laten vallen om in de tuin te kunnen landen. Ze kijkt me secondenlang aan, staat op een poot te staren. Bij haar vertrek heeft ze alle moeite van de wereld om snelheid bijeen te harken, bij het opstijgen blijft ze bijna met beide poten aan de coniferen haperen. Op een andere keer verschijnt een dubbele regenboog, ook dan denk ik aan haar. In een droom doen we samen de afwas, zoals vroeger toen ik jong was. Zij plonzend in de vaatbak, ik met de handdoek in paraatheid, wachtend om het aangereikte servies te grijpen zonder dat er nattigheid op de grond lekt. Het is alsof ma nog iets goed wil maken, nog troostend wil aanwezig zijn. Een dolende ziel, die het leed van haar nabestaanden wil verzachten. Dat voel ik, dat weet ik, op een manier die nooit iemand zal begrijpen. Daarom praat ik vaak in stilte tegen haar, dat ze verder mag, dat ze voor zichzelf mag zorgen en laten zorgen, door welke lichtwezens dan ook.

In de lente, drie jaar na moeders dood, span ik de Boliviaanse hangmat op tussen twee houten steunpilaren van het terras. Ik hijs me er schrijlings in. Het touw knarst terwijl het zich onder mijn gewicht strak trekt rond de pijlers. Ik zak weg als een baby die weer in de baarmoeder verdwijnt, de rug genoegzaam gekromd in foetushouding. Tussen de spleet van de zich sluitende hangmat drijft gezapig een eenzame stapelwolk voorbij. Ik vraag me af vanwaar ze komt, en waar ze naartoe gaat. In haar reis houdt ze de witte dampen rond zich gekluisterd als een kloekhen, en wanneer ze de volle blauwheid van de meihemel aan me terugschenkt lijkt ze te zeggen: alles gaat voorbij.

Mijn ogen sluiten zich, langzaam, een laatste sparteling en dan het dommelrijk. Uitdeinend gezoem van ijverige bijen. Slaapdronken droomflarden die geheime deuren opentrekken, eerst op een kier, een streep licht waarachter vreemde decors en acteurs zich opdringen, en zelfs de doden terug tot leven komen. Nieuwsgierig tuur ik door de spleet, tot de deur vanzelf openzwaait en er geen weg terug meer is. Het geneurie van een wiegeliedje komt me tegemoet. Ma, ben je daar? Ik zie haar in de verte op een strand. Ze wuift. Ik antwoord met geheven armen, stap instinctmatig op haar af, kom geen meter dichterbij. Moeder lijkt voor me uit te zweven, als een bevallige sirene die dartelt met de wetten van de zwaartekracht .

Wacht! Met elke vezel van mijn lijf ploeg ik door het mulle zand. Het is een ongelijke strijd, moeder dwarst de zeelijn met de sierlijkheid van een gazelle. Op het moment dat het zuigende zand me alle kracht ontneemt, zie ik hoe ze een houten pier betreedt. Met puffende ademstoten ploeg ik haar achterna. Als ik bovenaan de trap uithijg, is ze al een eindje zeewaarts. Ze glijdt over de houten kepers naar de pierkop, waar de branding te pletter stort en hengelaars hopen op een tongschar of makreel. Niemand lijkt haar op te merken, de wandelaars negeren haar of verliezen hun blik aan het einder van de zee. De geluiden zijn verstomd, alsof de golfslag is gestold tegen de staketsels. De balken vibreren onder het gedruis van mijn versnelde pas. Ik kruis twee strompelende oudjes die elkander ondersteunen. Een eindje verder passeer ik een rijzige vrouwengestalte, omhuld met een citroengeel gewaad dat wappert in de wind. Haar blik is verscholen achter een zijden voile. Ze duwt een kinderwagen voort. Met een zijsprong ontwijk ik haar. Ik ontwikkel een laatste looppas, tevergeefs.

Vijftig meter, meer is het niet. Moeder staat op de balustrade tussen de vissers. Een patrones van de zee, zo lijkt het wel. Ik zet een laatste stap vooruit. Ze spreidt haar armen zijwaarts als een reiger, laat haar lijf naar achter vallen en buigt als een riethalm naar de zee. Haar val is een beweging waar geen eind aan lijkt te komen. Ik spurt naar de wering, kijk omlaag. Hoe ze gedragen wordt door de golven, een ballerina die danst over de schuimkoppen, de zee betovert tot haar zwanenmeer. Met een sierlijke vleugelslag als laatste groet draait ze zich om en verdwijnt langzaam in de roze tinten van de horizon. Ik wuif haar uit, ook al ziet ze me niet meer. Wanneer ik terugslenter over de pier, kruis ik weer de mysterieuze dame met de kinderwagen. Ze kijkt me aan en zegt: ‘Ik ben Tara, hoedster van de ongeboren doden.’

Tara is een Tibetaanse moedergodin. Letterlijk betekent Tara redster. Ze komt net op tijd. Of nu Tara of een schare gevleugelde engelen of andere lichtwezens, waarvan we het bestaan nooit kunnen vermoeden, moeder hebben geholpen, weet ik niet. Feit is dat de afwasdroom nog enkele keren terugkeert en ma er elke keer een pak jonger en mooier uitziet, alsof de film van haar leven doorheen de jaren wordt teruggespoeld. Voor mij is het een teken van zielsgenezing, gestaag en nooit zonder liefdevolle begeleiding. In de laatste afwasdroom straalt ze. De gebochelde en getormenteerde oude vrouw is getransformeerd van een lijdend voorwerp in een goedlachse, rimpelloze jonge vrouw. Ik weet: het is volbracht. Ma kan verder naar het Licht, en ooit zien we mekaar weer. In de wereld der zielen is niets voor altijd.

De dromen leren me nog iets anders. Als er een les is die bij zelfdoding door de ziel wil geleerd worden, dan lijkt het de les van zelfliefde. Hou van de ander zoals van jezelf is meer dan een bijbels cliché, het is een heilige opdracht. Ma geloofde dat je oeverloos moest geven aan anderen, alvorens je zelf bestaansrecht kon hebben, je zelf aandacht en liefde mocht ontvangen. Het Tibetaanse instituut trok niet alleen spirituelen en meerwaardezoekers aan als een magneet, ook een treurige stoet van getormenteerde zielen. Na haar lange kookbeurten luisterde ma geduldig naar hun donkere verhalen, zich vereenzelvigend met elk lijden dat haar pad kruiste. ‘Weet je wat die heeft meegemaakt?’ zuchtte ze bewonderend voor elke drager van tragiek. Of ‘Amai, die heeft afgezien!’ Haar eigen rugzak droeg ze in stilte en alleen, tot op het tabouretje. Tot het moment dat haar liefde was opgebruikt, voor anderen en voor zichzelf. Een ultieme revolte voor een leven dat haar niet beloonde.

Bij het opruimen van moeders spullen bots ik op een aantal vinylplaten uit betere tijden. James Last spant de kroon. Van Rusland tot Mexico hoor ik moeder mee neuriën, van schuiftrompet tot andaloesische gitaar. Ik vind ook een paar 45 toeren singletjes, zoals van Séverine uit 1971, met haar liedje waarmee de Franse zangeres dat jaar het Eurovisie songfestival won. Ik zie moeder terug het luik van het oude stereomeubel openklappen en goedgemutst de pick-up naald op het randje mikken, waarna een paar luidsprekerkraakjes de nakende komst van het liedje aankondigen.

On a tous un banc, un arbre ou une rue
Où l’on a bercé nos rêves
On a tous un banc, un arbre ou une rue
Une enfance trop brève

Het liedje gaat over het afsluiten van de kindertijd en het moeilijke proces van opgroeien, van je weg zoeken in de grote wereld. Het is 3 december 2016 en ik denk bij dit liedje aan hoe Laura net een jaar geleden zichzelf en anderen verbijsterde. Uit de verhalen begrijp ik hoe sensitief en liefdevol ze was. Niet elk kind blijft elke dag tegen haar moeder herhalen dat ze de beste mama van de wereld is, Laura wel. Niet elk kind vergeet op de ijspiste het eigen schaatsplezier om de nog wankele beginnertjes te leren schaatsen, Laura wel. Zo’n overvloed aan liefde kan enkel met een wijdopen hart, waardoor het tegelijk heel kwetsbaar wordt en verbijsterd achterblijft wanneer er een figuurlijk mes in wordt geplant.

Laura bezat ook haar geheel eigen vorm van spiritualiteit, die ze in de kerk deed openbloeien. Misschien was ze wel een Indigo of nieuwetijdskind, zullen sommigen beweren, een speciale ziel met een speciale opdracht in dit leven. En toch is er ook die ene ongeschreven opdracht – geldig voor ieder van ons, een opdracht die voor onzekere, opgroeiende jongeren een anker zou kunnen zijn. Ik stel me voor dat Laura, na de dagelijkse ode aan haar ouders, voor de spiegel was gaan staan en met evenveel overtuiging had gezegd: ‘Jij bent het beste meisje van de hele wereld.’ Zou dat geholpen hebben om pesters de baas te kunnen? Misschien, misschien ook niet, en dus willen we graag de jongeren behoeden vanuit een beschermend moederinstinct. Omdat het levens kan redden. Ja, daar denk ik aan, op deze dag.

Ik droom ook dat het onderwijs opgroeiende jongeren, met hun puberale, soms alles overheersende onzekerheden, niet enkel talen, wiskunde of chemie leren, maar dat ze ook lessen krijgen in de persoonlijke ontwikkeling van hun identiteit, in het uiten van hun emoties en hun beslommeringen. ‘Hoe gaat het vandaag? Zit je met iets? Ik zit met iets.’ Een kort rondje om te weten hoe iedereen erbij zit alvorens de lessen te beginnen. Misschien zelfs rollenspellen, groepsdiscussies en overgangsrituelen, zoals in veel culturen werd gedaan, en nog steeds. Niet alleen om de gevolgen van pesten en gepest worden te leren ervaren, ook om hun plek te leren vinden in de klas, in de maatschappij, in de wereld. Om anderen en vooral de zwakkeren te ondersteunen, in plaats van naar beneden te halen. Om kleine en grote conflicten te leren oplossen. Om het hart tot een spier van liefde te leren maken, in een wereld waarin alles steeds maar scherper wordt. Om verbinding altijd te leren verkiezen boven verdeeldheid.

Net als bij mijn moeder stel ik me voor dat Laura na haar afscheid aan deze wereld werd omringd met liefdevolle zorgen van lichtwezens, zoals ik in het verhaal ‘Een heel klein beetje Jezus’ heb naar voor gebracht. Voor mij was dat verhaal geen poging tot literaire troost, maar een hoopgevende realiteit die me werd ingefluisterd. Straks is het weer kerstmis. Dan zal ik denken aan moeder en aan Laura, en aan vele anderen. En in de week na kerstmis zal Studio Brussel weer een nieuwe editie van de Tijdloze 100 op gang trekken, waarin Gorky met Mia onverwijld in de top 10 staan, indien niet numero uno. ‘Sterren komen, sterren gaan,’ zal Luc Devos weer zingen. En met gesloten ogen zal ik luisteren wanneer hij zingt van Mia, die het licht gezien heeft en zegt: ‘Niemand gaat verloren.’

 Hendrik Duron schrijft op zijn unieke manier verhalen en blogs over levensthema’s en actuele onderwerpen. In oktober verscheen zijn eerste roman: De roekeloze redding van de wereld door Jonas Joplin.

De zeldzaamste Pokémon

mysticesoteric_archangel_metratonVoor Marjorie leek het vangen van Pikachu even moeilijk als het opsommen van de momenten waarin ze al gelukkig was. ‘Dit wordt een echt ongelukskind,’ had haar moeder gezucht bij haar geboorte. Een keizersnede had ternauwernood redding gebracht, toen de navelstreng zich als een boa constrictor rond haar nek gewikkeld had. Dat ze het uiteindelijk haalde, was enkel te danken geweest aan haar beschermengel Metatron. De engel was erin geslaagd om voor Marjorie een krediet van drie savers op te bouwen. Een saver was een joker waarmee je op bovennatuurlijke wijze kon ingrijpen, als het leven van je beschermeling op het spel stond. Metatron had niet getwijfeld en bij Marjorie’s geboorte meteen een eerste saver aangesproken. Met zijn onzichtbare vingers, tweemaal zo lang en een stuk verfijnder dan menselijke exemplaren, had hij verhinderd dat de navelstreng zich rond haar nek had aangespannen. Metatron hield van Marjorie.

De tweede saver had Metatron moeten inzetten tijdens een vakantie in Bretagne. Marjorie was intussen opgegroeid tot een zevenjarig, levenslustig huppelmeisje. ‘Jij mag niet meer meespelen,’ hadden de gelegenheidsvriendinnetjes op de camping haar toegeroepen. Ze had de rode, plastieken petanquebal van Lydia door een mislukte worp in de beek doen belanden, waarna hij ongenadig met de stroom was meegevoerd. Huilend was ze weggerend naar de kust. Ze was gestruikeld en was ondanks haar paniekerig grabbelen van een verraderlijke klif gedonderd. Vijf meter lager had ze het uitgeschreeuwd van de pijn. Dat het bij een gebroken arm en een paar kneuzingen was gebleven, vond iedereen miraculeus. ‘Jij moet een goede bewaarengel hebben,’ had ma zelfs gezegd, wat Metatron bijna had doen glimlachen.

De wonderjaren van Marjorie bleven weliswaar gespaard van nieuwe bijna-ongevallen, bepaald gelukkig werd ze niet. Vaak werd er gespot met haar bijzondere naam. Veerle van 3B was de eerste die er Majorette van maakte, gretig overgenomen door de pestkliek onder leiding van Ellen. Toen Marjorie’s boezem zich ontwikkelde tot meer dan gemiddelde proporties, was het Ellen zelf die enthousiast haar nieuwste vondst in de kliek gooide: “Majorette met de dikke tetten,” een bijnaam die haar voor de rest van haar schooltijd zou blijven achtervolgen. Alleen Anne, Marjorie’s beste en enige vriendin, noemde haar liefkozend Rie. Dat was het leven van Marjorie: zwevend in het niemandsland tussen een donkere schaduw, die zich als een olievlek over haar leven uitdeinde, en een zeldzaam streepje licht. “Je wordt een ongelukskind.”

Marjorie voelde zich op haar eenentwintigste eenzamer dan ooit. Ze was verkoopster geworden in een bloemenzaak. Hoezeer ze ook een glimlach toverde bij het overhandigen van rozen, tulpen, aronskelken, hyacinten of orchideeën, zo leeg waren de avonden tussen de vier muren van haar studio. Vrienden had ze nauwelijks. Haar beste vriendin Anne was in een andere stad gaan wonen en liet sinds haar relatie met Joris nog maar mondjesmaat van zich horen.

Het was toen dat Pokémon Go in haar leven kwam. Ze raakte helemaal in de ban van het spel, dweilde Pokéstops af en ving al gauw Charmander, Bulbasaur en Squirtle. Ze liep kilometers om eieren uit te broeden en grossierde in candy voor haar nieuwe, virtuele vrienden. Vaak kwam ze na middernacht thuis, uitgeput, zodat ze onmiddellijk in slaap viel en niet meer hoefde te piekeren over haar ongelukkige leven. Maar zelfs ’s nachts bleef ze niet gespaard. “Dit wordt een ongelukskind,” bleef het in nachtmerries weerklinken, als een kille mantra. Een slagschaduw, die niet alleen over haar wiegje maar ook over de rest van haar leven was geschoven.

Pokémon Go had best een sociale functie, had ze gelezen. Toch maakte Marjorie op Pokéstops maar moeilijk contact met medespelers. Ze durfde niet, omdat ze het gevoel had te klungelen en zich onmiddellijk klein en onbetekenend voelde, wanneer anderen pochten na het vangen van een meer gereputeerde of zeldzame Pokémon. Op een avond bepaalde ze een nieuwe strategie om erbij te kunnen horen. Ze zou eerst buiten het zicht van andere medespelers proberen om interessantere Pokémon te vangen en, wanneer dat niet lukte, op zijn minst haar huidige Pokémon laten evolueren tot betere versies, ook al moest ze daar ettelijke kilometers voor afmalen. Zo gebeurde het dat ze op een avond voor de eerste maal Pikachu spotte. Haar hart bonkte in haar keel, toen ze hem op het display van haar smartphone zag opduiken. Daar zat hij, schuin aan de overkant van de Vaartstraat. Ontegensprekelijk Pikachu. Door het lawaai in de straat – uit een openstaand venster weerklonk Deep Purple – had Marjorie de BMX X5 niet horen aankomen. Ze dwarste zonder kijken de weg, haar blik hypnotisch gericht op Pikachu.

De derde en laatste saver van Metatron zou een Sprong worden. De Sprong was het laatste middel van beschermengelen om een fataal ongeval te voorkomen. Alleen de engelen met het nodige krediet beschikten erover. Savers werden verdiend door de mate van toewijding en liefde, waarmee ze hun beschermelingen in het verleden hadden omringd. Het was niet onopgemerkt voorbijgegaan dat Metatron zich altijd van zijn nobele taak had gekweten met tomeloze inzet en onvoorwaardelijke liefde. Mettertijd had hem dat drie savers opgeleverd. Geen ervan had hij bij de vorige beschermelingen hoeven te gebruiken. Dat hij zijn laatste saver nu al voor Marjorie diende op te souperen, stemde hem weliswaar droef, maar zijn grote liefde voor haar deed hem geen fractie van een seconde twijfelen.

Een tijdssprong, die onder beschermengelen kortweg bekend stond als “De Sprong”, bestond erin dat de tijd voor de beschermeling eventjes werd stilgezet, terwijl ze voor de rest van de wereld bleef lopen. Dat was maar moeilijk te begrijpen voor stervelingen. Meestal merkten ze het niet eens op. Ook Marjorie keek hooguit geschrokken en vreemd op, toen de X5 vlak voor haar neus voorbijreed, terwijl ze zelf tijdens het lopen een moment ter plaatse leek te trappelen. Even was ze in de war, haalde toen haar schouders op en liep verder de straat over. Ze ving Pikachu nog makkelijker dan ze had gedacht.

Marjorie genoot van dit moment. Stiekem droomde ze ervan level 5 te bereiken. Dan kon ze naar een Pokémon Gym, zich aansluiten bij een team. Het Mystic team genoot veruit haar voorkeur. Een poster van hun blauwe mascotte Articuno hing al twee weken boven haar bed. Ze was voldaan en wilde naar huis toe gaan – het was al na elven, toen op het display van haar smartphone een nieuwe Pokémon zich in de onmiddellijke buurt manifesteerde. Deze kende ze niet. Ze keek op het lijstje dat ze altijd bij zich had. Hij stond er niet tussen. Nieuwe opwinding maakte zich van haar meester. Was ze op een mythische Pokémon gestoten, een die nog voor niemand bekend was en voor de eerste maal werd geïntroduceerd, hier en nu? Marjorie voelde het bloed in haar aders kloppen.

Het besluit van Metatron om zich te tonen als een Pokémon was impulsief. Nu zijn laatste saver was opgebruikt, voelde hij zich ontredderd. Hij besefte dat beschermengel zijn meer inhield dan het voorkomen van ongelukken. Dat was hem recent nog duidelijk geworden door het weliswaar goedbedoelde grapje van een collega bewaarengel, die hem had geplaagd met het nabootsen van iemand die kromgebogen staarde naar een speeltje in een vooruitgestoken handpalm. ‘Pokémon rijmt bovendien op Metatron,’ had hij er nog met een schalkse glimlach aan toegevoegd.

Metatron zag hoe Marjorie vanonder de stenen rondboog kwam aangerend, in de binnentuin van de voormalige abdij. Ze keek verbaasd op het display, keek zijn richting uit en probeerde hem onmiddellijk te vangen, net zoals bij Pikachu. Het lukte niet, hoe hard ze ook probeerde. ‘Logisch,’ dacht ze hardop. ‘Ik heb veel te weinig punten om zo’n zeldzame Pokémon te vangen.’ Het was toen pas dat ze besefte dat de bloedmooie, vreemdsoortige Pokémon niet alleen op haar smartphone te zien was, maar ook in het echt, op een zitbank onder de laurierboom. ‘Kom dichter,’ hoorde ze, ook al leek er niemand hardop te spreken. Ze twijfelde een paar seconden en dacht dat ze het zich ingebeeld had, deed toen toch een paar stappen in de richting van de zitbank.

‘Kom dichter.’ Dit keer was ze zeker. Vanwaar kwam die stem? Was ze gek aan het worden? Ze naderde tot op drie meter van de bank en vergaapte zich aan de verschijning, even blauwig als Articuno van het Mystic team.

‘Ik ben een Pokémon uit het mystieke,’ glimlachte Metatron.

‘Yes, het is me gelukt! Mystic team, here I come,’ juichte Marjorie.

‘Ik heb een boodschap voor je.’

‘Wat je maar wil.’ Het was nu al het gelukkigste moment uit Marjorie’s leven.

‘Ik wil je er attent op maken dat je mooi bent.’

‘Dankjewel.’

‘Ik bedoel: echt mooi. Mooi in je hart.’ Marjorie werd stil. Ze bloosde.

‘Jij bent geen ongelukskind.’ Nu schrok ze, voelde vervolgens tranen opkomen. ‘Jij bent een goddelijk kind. Je hoeft geen punten te verzamelen om ergens bij te kunnen horen. Je hoeft niet te presteren om liefde te ontvangen. Elk kind is geboren met unieke talenten. Jouw liefde stroomt via je vingers in ravissante bloemboeketjes. Je geeft mensen meer dan bloemen, je geeft hen liefde. Evenzeer heb je het recht om liefde te ontvangen. Je moet je enkel openstellen, omdat je het waard bent. Omdat je daarvoor niets hoeft te bewijzen.’ Op het ruisen van bladeren na, was het muisstil in de abdijtuin. De blauwe verschijning van Metatron lichtte traag en ritmisch op, een bijzonder schouwspel. Marjorie greep naar haar zakdoek.

‘Dat je jezelf niet graag gezien hebt, komt enkel omdat je het oordeel van anderen hebt overgenomen. Neem die oordelen nu in je hand en gooi ze in het vuilbakje naast de zitbank. Ik zorg er wel voor dat ze opgehaald en vernietigd worden.’ Marjorie was in de war.

‘Hoe kan ik nu…?’

‘Laat dat maar aan mij over. Beeld je gewoon in dat je alle pesttirades, elk woord dat jou ooit naar beneden heeft gehaald, tot een prop papier kan samenballen in je hand. Doe het nu gewoon.’ Marjorie kneedde een denkbeeldige prop stevig in haar hand en hief hem als een basketbal in de lucht. Metatron knikte goedkeurend. Ze mikte de prop precies in het midden van het vuilnisbakje. Het maakte even een sissend geluid en leek toen uiteen te vallen in lichtgevende sterretjes, alsbij  een vuurwerkstokje op een verjaardagsfeestje. Marjorie lachte door haar tranen heen.

‘Zie je wel,’ lachte Metatron terug. ‘Laat niemand je ooit nog minder dan mooi noemen. Laat niemand ooit nog een rem op je wervelende wezen zetten. Laat niemand ooit nog een schaduw over je liefde werpen. Hou van jezelf zoals ik hou van jou. Omarm jezelf en de wereld, die jij elk moment een stukje mooier maakt, gewoon omdat je bent wie je bent: een goddelijke vrouw.’ De tranen stroomden over Marjorie’s wangen. Zoveel geluk was moeilijk te bevatten. Ze voelde zich niet alleen lichter, het was alsof haar hart zozeer expandeerde, dat het de grenzen van haar lichaam ver overschreed.

Vanonder de stenen boog, die toegang tot de abdijtuin gaf, kwam een groepje van een twintigtal Pokémon Go spelers aangelopen, van tieners tot kwieke zestigers.

‘Daar zit ie! What the fuck is dit?’ Ze staarden allemaal met grote ogen naar het display op hun smartphone.

‘Wow, dit moet de zeldzaamste Pokémon zijn die ik ooit gezien heb,’ riep een ongeschoren veertiger in een leren vestje uit. Op een jongen na stormden ze allemaal in de richting van de zitbank, zonder acht te slaan op Marjorie. Ze nog steeds drie meter voor de bank met gesloten ogen in een soort van trance. Haar ganse wezen gloeide, niet in staat om te reageren op de aanstormende meute. Nauwelijks twintig meter van de bank hielden ze plots allemaal in, stopten zelfs.

‘Waar is hij nu? Zie jij hem nog?’ Hoezeer ze ook rondkeken met hun smartphone, zoals wichelroedelopers die zoeken naar een waterader of een zoekgeraakt object, er was geen spoor meer van de zeldzaamste Pokémon. De Pokémonjagers dropen teleurgesteld af en verdwenen door de poort. Enkel de jongen, die was blijven staan, veroerde niet. Hij keek gebiologeerd naar Marjorie en stapte langzaam naar haar toe. Ze opende haar ogen en zag de jongen, twintig en een beetje, op haar afkomen.

‘Alles oké met je?’ vroeg hij.

‘Nooit beter geweest,’ glimlachte ze, terwijl ze de gummiring uit haar ponytail haalde en haar lange haren koninklijk in haar nek liet vallen.

‘Ik ben David. Aangenaam,’ reikte hij haar de hand, die stevig en warm aanvoelde.

‘Marjorie. Je mag ook Rie zeggen.’

Sherpa

IMG_4826Sofie had geen flauw benul dat de herdershond haar leven voorgoed zou veranderen. De beslissing om hem te volgen was gevaarlijk, net zoals het verraderlijke pad, dat steeds hoger de heilige berg opkronkelde.

‘Zijn naam is Sherpa. Hij kent de weg,’ had een oud vrouwtje haar niet onvriendelijk toegeroepen. De vrouw had haar grijze, klitterige lokken opzij gestreken en met haar stramme hand een paar voorwaartse hakbewegingen gemaakt. Sofie wilde haar nog extra uitleg vragen, maar toen ze zich omdraaide was de vrouw al verdwenen in haar krakkemikkige huisje tegen de helling, boven het terras van een schrale moestuin. Vanaf nu wachtten Sofie enkel nog beboste flanken, onregelmatige rotspartijen en een pad dat slag om slinger van richting veranderde. Niets zou haar kunnen afbrengen van haar streven om de berg te bedwingen, net zoals ze met de grinta van een toreador in het farmawereldje was opgeklommen van een huppelkont van marketing assistente tot General Sales Manager voor Asia Pacific. Dat het rendez-vous met de heer Sakumori in laatste instantie was geannuleerd – zijn vrouw was onwel geworden, had haar onverwacht een vrije dag bezorgd, en een nieuwe uitdaging.

Sherpa draaide af en toe zijn glimmende hondenogen om naar Sofie, om zich ervan te vergewissen dat ze nog volgde. Af en toe hield de hond halt, zodat ze de tijd kreeg om hem bij te benen, zoals bij een imposante rotspartij halverwege de beklimming, vanwaar het zicht over de vallei adembenemend was. Sofie was aanvankelijk geschrokken, toen de herdershond bij de aanvang van de klim plots en mysterieus was opgedaagd. Hij had een lichtbruine, glanzende vacht en een zwarte snuit, die de minste geur leek op te vangen. Zijn oren waren deels opgericht, deels afhangend, alsof hij zo sneller meende te kunnen omschakelen van een relaxte gemoedstoestand naar een staat van verhoogde alertheid, mocht dat nodig zijn. Blaffen deed hij niet, zelfs niet toen een lynx vanachter een rots was opgedoken en hen beurtelings met indringende blik had aangestaard. Sherpa was pal blijven staan en had de lynx secondenlang recht in de ogen gekeken, tot het roofdier onverrichterzake was afgedropen. Sofie was bang geweest, maar was evenzeer in haar nopjes. Met de handigheid die haar eigen was had ze snel een selfie kunnen nemen, met de lynx duidelijk zichtbaar op de achtergrond. Dat zou klikvoer worden op sociale media, en ook in het bedrijf zou ze er ongetwijfeld mee scoren.

Voorbij een nauwe doorgang, tussen twee huizenhoge rotsblokken door, sloeg Sherpa rechtsaf. Het pad klom niet langer, evolueerde eerder lateraal over de bergflank. Ze waren nog een heel eind van de top verwijderd. Sofie aarzelde. Ze keek hunkerend omhoog naar de berg, die door een tikje sneeuw glinsterde in de zon. Ze droomde van een ultieme selfie op die magische plek. Ze zou eerst haar golvende, halfblonde haren kammen, haar make-up nog even bijwerken. Dan zou ze trachten de hond naast haar te laten poseren. Of misschien ook niet, wat er nog een stuk heroïscher zou uitzien. Zij, Sofie Fleerackers, General Sales Manager van Asia Pacific, die helemaal op haar eentje de heilige berg had beklommen. Ook op haar Japanse zakenpartners zou dit indruk maken en een goede deal beslist vergemakkelijken.

Sofie keek naar Sherpa. De hond wachtte geduldig tot ze hem op het zijpad zou volgen. Misschien is het slechts een stukje, bedacht ze zich, en zal de klim nadien hervatten, zelfs een stuk makkelijker zijn. Ze zette zich terug in beweging. Sherpa kwispelde en hernam zijn gezapige hondentred, zich schijnbaar vergenoegend in zijn gidsentaak. Twintig minuten lang liep Sofie over de flank zo achter Sherpa aan, zonder nog een meter te stijgen. Ze werd ongeduldig, bestudeerde of ze niet op eigen houtje ergens een opwaarts pad zou kunnen nemen. Ze waren een kruising gepasseerd, waarbij die mogelijkheid zich had aangediend. Nog vijf minuten, hield ze zich voor, en dan zou ze naar die plek terugkeren, tenzij Sherpa haar alsnog de berg zou opleiden. Maar de hond had iets anders in gedachten.

Net op het einde van de vijf minuten – Sofie had het minutieus getimed – bleef Sherpa staan voor de ingang van een grot. Hij keek haar uitnodigend aan en drentelde de grot binnen. Dit was allerminst was ze in gedachten had. Tegelijk was Sofie gefascineerd over wat ze er zou ontdekken. Misschien was het een geheime doorgang of zou ze op iets kostbaars stuiten. Sofie betrad de grot. Het was er kil en onaangenaam. Hier en daar vielen waterdruppels met een resonerend plofje in een diepe plas. Het kon Sherpa niet deren. Onverstoorbaar leidde hij haar verder de grot in. Zijn gehijg was duidelijk hoorbaar. Het werd wel erg duister en het was niets te laat toen Sofie een duidelijke lichtstreep in de grot zag binnenvallen, een twintigtal meter voor haar uit. Dat was precies waar de hond Sofie naartoe bracht. Het leek een plek die ooit bewoond was. Tegen de grotwanden werden door de lichtinval afgebladderde schilderingen zichtbaar van natuurtaferelen, vooral van wilde dieren en vogels. Centraal in de ruimte, precies op de plek waar het licht zich een weg naar binnen baande, stond een laag stenen altaar. Sherpa was voor het eerst sinds het begin van de wandeling gaan zitten, pal achter het altaar. Zijn oren waren gespitst, zijn blik verwachtingsvol op haar gericht. Sofie’s aandacht werd getrokken naar een grote kei in het midden van het altaar. Die lag bovenop een briefje. Geen oud perkament, maar een vers stukje papier dat van een blocnote leek gescheurd. Sofie hief de kei op, nam het briefje en las de zin, die er met een bevende hand op geschreven leek. Haar mond viel helemaal open, ze liet het briefje uit haar handen vallen. Ze raapte het terug op en las het opnieuw. Ja, het stond er werkelijk: “Je mag de controle meer loslaten, Sofie.”

Hoe kon dit? Was dit een slechte grap van collega’s, die achter haar rug sowieso roddelden over haar perfectionisme – “Sofietje precies” noemden ze haar soms. Of zaten haar Japanse contacten hierachter? Het moest van iemand komen die haar kende, dat leed niet de minste twijfel. Het handschrift kwam haar allerminst bekend voor. Ze kende niemand die zo beverig schreef. Ze besloot om het briefje mee te nemen voor verder onderzoek en rende de grot uit. Ze moest zich herpakken, geen aandacht schenken aan deze wansmakelijke grap en alsnog de berg bedwingen. Dat was haar oorspronkelijke plan en niets zou haar van dat voornemen kunnen afbrengen. Maar toen Sherpa uit de grot tevoorschijn kwam, draafde hij in de richting vanwaar ze gekomen waren. Op geen enkel moment gaf hij de indruk Sofie alsnog hoger te willen leiden. Alsof de grot de eindbestemming was. ‘Rothond,’ riep ze hem toe. Sofie besefte dat ze het zonder Sherpa niet zou redden. De weg naar boven niet, en ook niet naar het dal. Ze had geen keuze. Tegen heug en meug daalde ze met Sherpa het kronkelende pad af. Dit zou nog een staartje krijgen.

Na een halfuur kwamen ze weer voorbij het huisje van de oude vrouw. Zij was het, die haar had aangezet om dat beest te volgen. Ze klopte met haar vingerknokkels verschillende keren op de krakende, houten deur. De vrouw kwam op haar pantoffels aangeschuifeld. Daar stond ze dan, met haar gelaat vol diepe groeven en een kamerbrede glimlach. Ze mompelde iets in het Japans en stak om onduidelijke redenen haar duim op.

‘Speak English?’ probeerde Sofie. Ze knikte overtuigend neen en prevelde nog een andere zin in het Japans, zonder de glimlach een moment van haar mond te laten wijken.

‘Is this your dog?’ Nog meer Japans. Hier zou Sofie niet wijzer uit worden. Ze nam met ophalende schouders afscheid. Ze zocht de hond. Sherpa was verdwenen, even plots als hij in haar leven was gekomen.

In het dal stevende Sofie recht op de eerste herberg af. Ze had veel te weinig water meegenomen voor de beklimming, een fout die ze nooit een tweede keer zou maken. Er zaten maar weinig gasten. Aan de toog zette een rugzaktoerist een flesje Asahi pils tegen zijn lippen.

‘Where are you from?’ vroeg hij, terwijl Sofie twee limonades tegelijk bestelde.

‘The Netherlands,’ antwoordde ze zakelijk, niet in de stemming om een gesprekje te beginnen.

‘Ik kom uit de Jordaan,’ lachte de niet onknappe man. Veertig en een beetje, schatte ze hem. Sofie keek hem voor het eerst aan, verrast om een landgenoot te treffen.

‘Echt? Mijn ma heeft daar haar jeugd gesleten,’ deed ze een poging tot sociaal. De ober zette een eerste limonade op de toog, die ze meteen half opdronk. ‘Hoe heet je?’

‘Frits is de naam. Ik heb alles verkocht om een wereldreis te kunnen maken. Ik zat in Finance. Niet zonder succes overigens, al zeg ik het zelf. Tot ik me afvroeg: is dit het nu?’

‘En: is dit het nu?’ Sofie zei het met een zweem van ironie.

‘Nu leef ik pas echt,’ lachte Frits zijn kaken breed. Hij wreef over zijn ruwe baardstoppels. ‘Morgen ga ik de berg op.’

‘Kom ik net van. Niets speciaals,’ zuchtte Sofie. Ze leegde haar eerste glas en nam meteen het tweede ter hand, zonder ervan te drinken.

‘En toch wil ik het zien,’ plantte Frits zijn pilsje op de toog. Het gesprekje draaide al gauw op niets uit. Er was geen vibe, zoals Sofie vaak zelf de term hanteerde om aan te geven of een deal zou doorgaan of niet. Haar smartphone piepte. Ongevraagd kreeg ze nog een extra vrije dag voorgeschoteld: de vrouw van Sakumori was gehospitaliseerd, een kleine beroerte. In haar hoofd nam een nieuw plan bliksemsnel vorm.

’s Anderendaags was Sofie al voor zonsopgang op pad. De eerste stralen vielen pas op haar gelaat bij de aanvang van de beklimming. Ze zette er flink de pas in en op ongeveer dezelfde plek, een paar honderd meter voor het huisje van de oude vrouw, verscheen Sherpa terug op het toneel.

‘Ik heb je niet meer nodig, ik ken de weg nu,’ snauwde ze hem toe. Toch liep hij nog een heel eind voor haar uit, zoals de eerste maal. Hij wachtte haar op bij een kruising en maakte, nadat hij haar in de juiste richting had geloodst en ze hem nog een laatste keer had bedacht met “stomme rothond”, nog eerder onverwacht rechtsomkeer. Sofie snelde over het laterale pad in de richting van de grot, zonder een blik te werpen over het landschap, dat er door de lichtinval zo mogelijk nog majestueuzer uitzag dan een dag eerder. In de grot heerste dezelfde contrasterende koelte. Sofie voelde het niet. Het enige wat haar interesseerde was het lage altaar waarop een nieuw briefje lag, onder dezelfde steen. Ze griste het vanonder de kei en las met verbazing: “Je mag wat meer vertrouwen hebben in de waarheid, Sofie.” Weer in vlekkeloos Nederlands, weer met haar naam onder.

Zat Frits hier voor iets tussen? Was de rugzaktoerist, die ze in de herberg had leren kennen, een zieke geest met een slecht gevoel voor humor? Deel twee van haar plan had als doel deze wansmakelijke grap te ontmaskeren. Ze nam het nieuwe briefje mee en posteerde zich achter een rots voor de ingang van de grot en wachtte af wat er zou gebeuren. Een uur ging voorbij, en dan nog een. Sofie tokkelde wat op haar Smartphone. Er was geen bereik. Stomme heilige berg. Stomme grot. Stomme alles.

Net op het moment dat ze zich afvroeg waar ze mee bezig was en het ganse gebeuren wou laten voor wat het was, hoorde ze voetstappen. Vanuit haar schuilplek zag ze een in lompen gehulde oude man de grot binnengaan. Hij hijgde als een rund en mompelde in zichzelf. Twee minuten later kwam hij al terug buiten. Sofie aarzelde. Ze had niets meer te verliezen.

‘Hallo,’ riep ze als een onbeholpen meisje. De ietwat gebochelde man schrok en draaide zich om. ‘Wat bent u daar gaan doen?’ vroeg ze in het Engels. De man trok diepe groeven in zijn gebruinde gelaat. Zijn Engels was moeilijk verstaanbaar, maar dat het haar zaken niet waren had ze wel begrepen.

‘No, no, not you,’ had de man tevergeefs Sofie proberen tegen te houden. Ze trok het papiertje met een ruk vanonder de gepolijste kei. Dit is toch niet te geloven, dacht ze. Ze klemde het briefje terug onder de steen en snelde naar de ingang van de grot. De man stond er nog.

‘Jij legt die briefjes dus,’ probeerde ze vriendelijk te blijven. ‘Vanwaar haal je die in godsnaam? Schrijf je ze zelf? En hoe ken je mijn naam?’

‘Ga even zitten,’ zei de man, die zich voorstelde als Nobu. ‘Op deze berg, in deze grot, woonde lang geleden een wijze kluizenaar. Jarenlang mediteerde hij op niet veel meer dan water en brood. Van heinde en verre kwamen mensen hem om raad vragen. Hij bad voor goede oogsten. In het bijzonder bad hij dat mensen hun leven zouden benutten voor spirituele groei, en zich niet enkel zouden kapotwerken op de theeplantages. Zijn naam was Nobu, net als ik. Dat betekent waarheid, en dat was precies wat hij mensen voorschotelde, zodat hun levenspad meer glans kreeg. Meer… zin.’

‘En die briefjes dan?’ werd Sofie ongeduldig.

‘De geest van Nobu is nog steeds aanwezig op de berg. Hij stuurt de hond Sherpa naar ieder wie de berg beklimt en leidt ze naar zijn grot.’

‘Ja, ja, dat heb ik wel gemerkt. De briefjes, dat wil ik weten.’

‘Die dicteert hij aan mijn vrouw. Letter per letter, dikwijls in talen die wij niet begrijpen. Ik ga ze dan in de grot leggen. Heel frustrerend, maar we vereren en dienen de Grote Nobu. Om eerlijk te zijn, niet altijd met evenveel plezier, alsof ik niets anders te doen heb. Vroeger kwam hier één iemand per maand, dan één per week en kijk, alleen vandaag al zijn het er twee. Ik ben ook niet meer van de jongste, ik kan dit niet blijven doen.’

‘Ja, dat begrijp ik,’ reageerde Sofie, enigszins begripvoller. Nu ze het mysterie had ontrafeld, was ze tot bedaren gekomen. Ze was best blij dat het zaakje had opgelost. Niets ergerde haar meer dan iets waar ze geen vat op kreeg. Ze nam afscheid van de man en draafde de berg af. Bij de aanvang van de beklimming kwam ze Frits tegen, in gezelschap van Sherpa. Hij was rood aangelopen van het klimmen.

‘Jij hier?’ keek Frits haar verwonderd aan.

‘Ik was iets verloren. Hier ergens dacht ik. Niets bijzonders. En jij, aan het klimmen?’

‘Yep, ik ga ervoor. Deze hond loopt nu al een tijdje voor me uit,’ lachte hij kuiltjes in zijn wangen. ‘Misschien moet ik hem maar volgen.’

‘Hoe bijzonder,’ antwoordde Sofie met gespeeld enthousiasme. Ze kende de voor hem bestemde boodschap al: “Beste Frits, meet je succes af aan wat je hebt moeten loslaten om het te bereiken.” Daar zou hij beslist mee uitpakken, mocht ze hem later tegenkomen in de herberg. Dat risico wilde ze niet lopen. Ze zou nog een nacht in hetzelfde pension logeren en dan zo snel mogelijk haar biezen nemen, recht naar haar Amsterdamse loft.

‘s Nachts werd ze wakker. De briefjes spookten door haar hoofd. Minder controle? Wat was er mis met controle? Dat bracht je ergens in je leven. Ze was fier op wat ze bereikt had, zonder dingen te hoeven loslaten. Meer vertrouwen hebben in de waarheid? Poeh, ze had vertrouwen in zichzelf. Ik, Sofie, ben een zelfbewuste vrouw, zei ze als een mantra tegen zichzelf, even overtuigend als bij de empowerment workshops die ze gaf aan haar stafleden. Ze sliep terug in.

Het was aan de ontbijttafel, dat de twijfel had toegeslagen. Sofie stond al op het punt om een taxi te bestellen, maar iets weerhield haar. Een ontembare nieuwsgierigheid, of was het een drang naar overwinning? Ze stelde de taxi uit tot na de middag, zodat ze nog een laatste keer naar de grot kon gaan. Nu onmiddellijk. Zou die kluizenaarsgeest zo snel kunnen anticiperen op haar plotselinge besluit, laat staan dat het oude koppel het nog voor elkaar zou krijgen op die korte tijdspanne een briefje te schrijven en in de grot te deponeren? Dat wou ze nog wel eens zien.

De passen van Sofie leken op olympisch snelwandelen. Aan het huisje van het oude koppel was de vrouw druk bezig in de moestuin. Van haar man geen spoor. Ze zou hem beslist inhalen als ze dat strakke tempo bleef volhouden. Sofie versnelde nog haar pas, ook al joeg ze daarmee haar hartslag flink de hoogte in. Sherpa was eerst nergens te bespeuren en daagde dan alsnog op, schijnbaar vanuit het niets. Sofie joeg de hond voor zich uit en herhaalde een paar keer dat ze hem niet meer nodig had. Sherpa dacht er duidelijk anders over. Hij leidde haar op een kruising een pad op, anders dan bij de voorgaande keren. Hij zag dat Sofie aarzelde. ‘Het is die richting op, domkop,’ snauwde ze hem toe. Sherpa versaagde niet. Voor de eerste maal sinds Sofie met de hond kennis had gemaakt, blafte hij. ‘Nou, je bent fout hoor,’ zei ze, en ze liep onverstoorbaar verder rechtdoor, achterom kijkend of de hond op zijn besluit zou terugkeren. Het was tijdens dat maneuver dat Sofie haar evenwicht verloor.

De helling naast het pad was steil en vol steengruis. Sofie probeerde haar val te breken, haar ledematen naar alle kanten tegelijk uitstrekkend. Ze bleef naar beneden glijden, steeds sneller, recht op een beekje af. De klap was ongemeen hard. Ze stond vol blauwe plekken, overal deed het pijn. Van haar ellenboog sijpelde een straaltje bloed. Idem dito op haar linkerknie. De scherpe pijn in haar schouderblad was nog het ergste. Boven aan de helling stond Sherpa als een Napoleon het slagveld te overschouwen. Hij blafte een paar keren. Sofie probeerde recht te krabbelen. Hoe was dit kunnen gebeuren? Het was de schuld van die stomme hond. Ze wilde naar hem toe klimmen, hem een lesje leren, maar ze zag al snel het onmogelijke daarvan in. Toen pas viel haar blik erop. Onder een dikke kei, vlakbij de plek waar ze pijnlijk tot stilstand was gekomen, zat een briefje geklemd. Terwijl Sherpa nu zelf van de helling naar haar toe kwam, meer glijdend dan lopend, rukte ze het vanonder de steen: “Beste Sofie, als je een levensles moeilijk geleerd krijgt, helpt het universum graag een handje.” Ze vloekte, frommelde het briefje bijeen en mikte het in de beek, waar het wegdreef met de stroming. Met haar zakdoek depte ze het bloed. Ze wilde een trap uitdelen aan Sherpa, maar alleen al de intentie tot die beweging veroorzaakte nog meer pijn. Over haar wangen gleden tranen. Sherpa liep voor haar uit langs de bedding van de beek, stroomafwaarts in de richting van het dal. Ze had geen andere keuze dan hem te volgen. Elke stap deed pijn. Ze droogde haar tranen. Honderd meter verder kruiste de beek een pad, precies op de plek waar Nobu een handvol bosbessen aan het verorberen was.

‘Wat is er gebeurd?’ vroeg hij bezorgd.

‘Als die mooie geest van je verteld heeft dat ik een doodsmak zou maken, waarom heb je dat dan verdomme niet belet?’ Sofie snoof een wolk boosheid door haar neusgaten.

‘Dat wist ik helemaal niet. Alleen dat ik het briefje daar moest leggen. Ik was ook verbaasd, geloof me. Eerlijk gezegd, ik was al blij dat ik deze keer niet tot aan de grot moest.’ Nobu nodigde haar uit bij hem thuis, zodat zijn vrouw haar wonden kon verzorgen. Meer uit noodzaak dan uit plezier ging Sofie op zijn voorstel in. De oude vrouw legde twee verbanden aan, een voor haar ellenboog en een voor haar knie. Ze bood een kopje thee aan. Sofie bedaarde en sloot de ogen. Ze vroeg zich af waarom het universum geen lessen kon verzorgen zonder bloed, zweet en tranen. Ze dronk van haar kopje. Voor haar ogen rolde haar leven in een film voorbij. Wat probeerde ze te bewijzen? Waarom had ze nooit tijd gehad voor een relatie, hooguit occasionele flirts? Waarom had ze haar jeugdvriend Joost Westgeest ooit afgewezen, toen hij haar met sexy verlegenheid een onhandige, maar allercharmantste aanzoek had gedaan? Wat hadden haar verkoopcijfers, dikwijls bedrijfsrecords, haar opgebracht, behalve een tijdelijk moment van glorie tijdens de jaarlijkse awards? Waarom belde ze nooit naar haar moeder, zelfs niet nadat haar vader twee jaar geleden was gestorven aan leverkanker? Hoe gek kon ze geweest zijn, om zelfs tijdens haar vakanties aan het zwembad door haar vloedgolf aan mails te blijven zwemmen? Waarom werd de oorverdovende stilte in haar loft enkel doorbroken door de ringtunes van haar smartphone? Hoe kwam het dat ze meer dan duizend facebook vrienden had, maar er quasi geen enkele echt van kende? Als haar zorgvuldig opgebouwde netwerk stilviel, viel ook haar leven stil. Was dit het nu?

Nadat ze nog een stukje kersentaart gegeten had, nam ze afscheid. Hartelijk, deze keer. Ze omhelsde de vrouw langdurig, daarna ook de man. Buiten liep Sherpa nog een paar tientallen meter met haar mee, trippelde toen naar haar toe en bood haar een poot aan. Ze probeerde een high five met hem uit en aaide bij het afscheid nog een laatste maal over zijn bol. In het dal botste ze op Frits.

‘Je raadt nooit wat ik op de berg heb meegemaakt,’ begroette hij haar.

‘Kan ik met je mee op wereldreis?’

 

Het klaproos eskader

IMG_4791De schemering liet op zich wachten, maar toen ze kwam duwde ze de zon in geen tijd kopje onder, zoals kwajongens in het zwembad een nietsvermoedend slachtoffer te grazen nemen. De Bierbeekpleindreef oogde griezelig verlaten en de stilte van het aanpalende Heverleebos werd enkel doorbroken door een ritmisch, metalen knakgeluid. Het was afkomstig van de pedaalslag van Antony’s BMX fiets, een zwarte Mongoose met een coole, rode strip op de banden. Hij had geen idee dat die knak op het punt stond zijn leven te veranderen.

Antony had bij pa aangedrongen op een onmiddellijk herstel. ‘Het zit ‘m in de trapas,’ dacht pa. ‘Hij moet dus naar Willy.’ Net nu kleefde er op het etalageraam van “Willy’s bikes” een A4 met de boodschap dat hij twee weken in vakantie was. Er zat dus niets anders op dan geduld te oefenen. Willy was nu eenmaal een kennis die altijd een vriendenprijsje maakte, ook al wuifde ma de kortingen voor de vorm altijd eerst weg. Antony’s maats van de Vier Musketiers, zoals hij en zijn 3 BMX vrienden hun stuntclubje hadden gedoopt, hadden hem eerst nog uitgelachen met de pedaalknak. Twaalfjarigen jenden elkaar nu eenmaal graag, maar het lachen was snel omgeslagen in gapende monden, toen Antony als eerste van de Musketiers in een lip trick was geslaagd. Hij had in het skatepark een langere en snellere aanloop genomen dan gewoonlijk en was resoluut tegen de kwartpijp omhoog gepeddeld, tot hij haast verticaal in de lucht had gebalanceerd. Tijdens de korte zweefvlucht was hij behendig een kwartslag gedraaid en met zijn achterwiel precies op de betonnen rand geland, zodat hij zich, zonder een voet aan grond te zetten, had kunnen draaien en weer triomfantelijk naar beneden was gesjeesd. ‘Heb je me zien airen?’ had hij gesnoefd. ‘En nu gijlie!’

Aan dat moment van glorie moest Antony denken toen hij de kruising van de dreef met de Kerspelstraat naderde. Hij moest haast maken. Pa zou hem beslist een standje geven wanneer hij niet voor donker thuis was. De grootste kick was het moment geweest dat hij airborn was, ook al duurde dat hooguit een seconde. Antony dwarste het kruispunt en draaide zijn hoofd naar rechts, dwangmatig zelfs, in de richting van de 977 graven van Heverlee War Cemetery. Ze leken op grote, massieve dominostenen, met Engelse discipline keurig geschikt in statige rijen. Door het opkomende maanlicht zagen ze er nog witter uit dan ze al waren. Hier lagen de helden van het luchtruim. Hij had het verleden jaar gegoogeld op zijn iPad: hier rusten piloten en bemanningen van de R.A.F. hun eeuwige rust, de helden die tijdens de tweede wereldoorlog stoer bommen waren gaan droppen boven Nazi Duitsland. Eensklaps voelde hij zich beschaamd dat zijn vlucht van een seconde sowieso iets had voorgesteld. Van sommigen had hij opgezocht hoe ze aan hun einde waren gekomen. Veelal waren ze boven Belgisch grondgebied door Duitse jachtvliegtuigen neergehaald en hadden ze na de oorlog hier hun definitieve rustplaats gekregen. Op Heverlee War Cemetery lagen ook een paar soldaten uit WOI. Zij leken er niet echt bij te horen en waren al zeker geen piloten: ze waren er bijgelegd bij gebrek aan een beter alternatief.

Het soldatenkerkhof had de vorm van een omgekeerde trechter, zodat je de indruk kreeg dat indien je de eerste steen kon omduwen, alle andere snel zouden volgen, alsof de bewoners in hun gesneuvelde lot een geheime, onbreekbare band met elkaar hadden gesmeed. Antony liet zijn blik zwerven over het zwijgende marmerveld, terwijl een bosuil oehoeënd het meesterschap over de nakende nacht opeiste. Hij vond het best akelig, verhoogde zelfs even het ritme van de pedaalknak. Maar de begraafplaats had ook iets aantrekkelijk, als de lokroep van een deur die in een donkere ruimte snerpend open scharniert en een geheimzinnige streep licht laat naar binnen vallen. Dat licht, onheilspellend en onweerstaanbaar, openbaarde zich als een soort bliksembol boven een grafsteen rechts achteraan, waar de trechter bijna zijn volle spanwijdte bereikte. Antony kneep zijn remmen dicht en bleef gefascineerd staren. Niet omdat hij het wilde. Omdat iets in hem dwong om ernaar te kijken. Het overstemde zelfs zijn reflex om met volle gewicht de trappers aan te duwen en zich uit de voeten te maken en. De metalen tik zou de geesten zeker verjagen, als die er waren. Geesten moesten er zijn, daar bij het licht, dat boven het graf voortdurend van vorm en helderheid veranderde en Antony hypnotiseerde. Hij sprong van de fiets en dropte de BMX tegen de haag van het kerkhof.

Niet zonder moeite lichtte Antony het hengsel van het metalen toegangshekje. Hij betrad de centrale laan, zonder de lichtbol een seconde uit het oog te verliezen. Hij bleef een moment staan om te zien wat er zou gebeuren, of het licht hem tegemoet zou komen. Maar het bleef waar het was, alsof het zich niets aantrok van zijn aanwezigheid. In plaats van te stappen over het keurig gemaaide gras van de centrale laan, recht naar het metershoge Cross of Sacrifice zoals de meeste bezoekers deden, bukte hij zich en glipte kriskras tussen de grafstenen door, van rij naar rij, in de richting van het geheimzinnige licht. Ter hoogte van rij J van blok 2 kwam hij even op adem en verschanste zich achter de grafsteen van Flight Lieutenant Angus Dalrymple. Antony voelde zijn halsslagader kloppen. Hij aarzelde. Als er nog een geschikt moment was om op zijn stappen terug te keren, een moment om het voorval simpelweg te vergeten en thuis gewoon een spelletje iFighter 2 op zijn iPad te spelen alsof er niets gebeurd was, dan was het dit wel. Antony schatte dat hij nog een vijftal rijen verwijderd was, niet meer dan dat. Het graf met het licht bevond zich in blok 4, dat was nu duidelijk. Met half dichtgeknepen oogleden tuurde hij boven Dalrymple’s steen en ontwaarde zo meer details van het mysterieuze, witgele licht. Bij momenten neigde het naar een blauwig groen, wat hem deed denken aan een uitzending op Discovery Channel over noorderlicht: even aantrekkelijk, even ondoorgrondelijk.

Antony zoog een diepe ademteug naar binnen en glipte zonder nadenken naar de volgende rij. En dan nog een, en nog een, tot hij slechts een enkele rij van rij 4E verwijderd was. Zijn hartslag ging nu snel de hoogte in, zoals bij het optrekken met zijn BMX voor een spurtje onder de Vier Musketiers. Lateraal aan rij 4E sloop hij verder, nog steeds gebukt, tot hij het graf met de lichtbol van dichtbij in de gaten kreeg, en het licht hem. Het was het graf van sergeant Arthur Aylard, omgekomen met zijn volledige bemanning na een raid op Keulen. Ze hadden in de logge Lancaster geen schijn van kans gehad tegenover Hauptman Werner Baake, die met zijn nachtjager, een Heinkel 219 Uhu, om 0h59 een fataal salvo had afgevuurd op de Engelse bommenwerper.

‘Je hoeft geen angst te hebben, boy,’ klonk een stem vanop dezelfde plek als waar de lichtbol zich bevond. Nou, dat had hij wel, angst, en nog geen klein beetje. ‘Kom maar dichterbij, er zal je niets gebeuren. De naam is Arthur trouwens. Sergeant Arthur Aylard van Squadron 12, piloot van een Lancaster, gestationeerd te Wickenby.’ Antony verstopte zich achter de steen van James Smith van Squadron 166, nauwelijks een paar meter verwijderd van sergeant Aylard.

‘Ik heb je wel gezien. Als je niet durft dichterbij te komen, dan kan ik je ook niet de Lancaster tonen.’ Antony verroerde geen vin. ‘Of de Spitfire. Of de…’ Hoe kan hij nu vliegtuigen tonen, vroeg hij zich af. Hoe kan hij om het even wat tonen, zichzelf? Hij keek vanachter zijn schuiloord naar het licht boven het graf van sergeant Aylard. Het veranderde nog steeds van vorm en kleur, met dat verschil dat er af en toe flarden te zien waren van een onduidelijk gelaat. Hij zag een leren helm en een grote stofbril, die hem aan zijn snorkelmasker deed denken. Ter hoogte van de oren zaten uitstulpingen, een ingebouwde hoofdtelefoon. Dat viel hem op, samen met de vage contouren van een lachgrijns, plagerig maar niet onvriendelijk.

‘Jij bent dood,’ riep Antony.

‘Dood? Ja, ik was neergeschoten. Ja, ze hebben me hier begraven. En nu heb ik een andere taak.’

‘Dat kan niet.’ Antony sprong tevoorschijn en ging pal voor het licht staan. Zijn angst was omgeslagen in woede: ‘Doden hebben geen taak! Ze moeten blijven liggen waar ze liggen. Ze mogen geen kik meer geven.’ In het wazige gelaat van sergeant Aylard won de glimlach aan breedte.

‘Is dat zo, boy? Dan ben je hier wel aan het verkeerde adres.’ Er weerklonk een harde vingerknip, die zelfs de nachtuil opschrikte. Wat toen gebeurde deed Antony’s ogen uitpuilen en zijn kortgeknipte haartjes ten hemel rijzen. Het volledige kerkhof veranderde op een seconde tijd in een zee van licht. Het was alsof door de vingerknip boven elk graf een lampion ontstoken was, opgehangen aan onzichtbare touwtjes.

‘Welkom bij het Klaproos eskader,’ declameerde Arthur theatraal. ‘We’re the Poppy Squad, isn’t it lads?’ De introductie werd hier en daar beantwoord met ‘Yeah’, ‘Cheers’ en ‘Party time!’ En ook met ‘Welcome, boy.’ Antony wilde andermaal wegrennen, maar hij was zo verbijsterd dat hij even onbeweeglijk bleef staan als de 977 grafstenen.

‘Klaproos eskader? Wat is dit? Wie de fuck zijn jullie?’ stamelde hij stoer.

‘Je taaltje maakt je geschikt voor de dienst,’ lachte Arthur, wat door nog meer yeah’s van zijn kameraden werd bekrachtigd. ‘Zoals je weet zijn wij tijdens WOII de moffen gaan bombarderen.’

‘Cool,’ zei Antony, nog steeds niet helemaal op zijn gemak. ‘Jullie hebben ons bevrijd. Jullie zijn helden. Mijn helden,’ benadrukte hij, in een poging het Klaproos eskader gunstig te stemmen.

‘Dat was helemaal niet zo cool. Bommen gooien is niet cool. Zal ik je wat vertellen? Tijdens onze fatale nacht hadden wij eerst nog een lading bommen op Keulen gedropt, door de bewolking meer op goed geluk dan met kundige precisie. Wist je dat Keulen de eerste stad in de geschiedenis was met de twijfelachtige eer om door meer dan duizend vliegtuigen op een nacht gebombardeerd te worden. Op anderhalf uur. Dat gebeurde op 31 mei 1942.’

‘Meer dan duizend? Dat is awesome,’ zei Antony, met hetzelfde buzzwoord waarmee de Vier Musketiers elkaar feliciteerden bij een geslaagde stunt.

‘Awesome? Dertienduizend huizen werden vernietigd. Boooemm. En wat dacht je van negen hospitalen, zeventien kerken en zestien scholen: allemaal met de grond gelijk. Eén enkel militair doel werd er geraakt. Meer dan 400 burgers vonden de dood, 5000 andere raakten gewond. Awesome?’ Antony zweeg.

‘Wij hadden geen idee, en als we dat al hadden, verdrongen we het. Wij openden het bommenluik voor de goede zaak, en dat was het op de knieën krijgen van Duitsland, van de Nazi’s. Daarom dropten we tijdens de nacht van 16 juni 1943 nog eens een nieuwe lading: nog eens 400 huizen plat, 150 burgerdoden erbij. En toen werden wij zelf ook neergeschoten, door die dekselse Duitse aas Werner Baake.’ Antony wist niet wat hij daarop kon zeggen, als hij dat al had gewild.

‘Weet je wat het is met dood zijn?’ ging Arthur verder op zijn elan. ‘Als je dood bent, zie je plots alles in een ander perspectief. Dat is de verdienste van je ziel. Wist ik veel. Nadat we neergestort waren kwam ik al snel de ziel van een Duitse jongen tegen. Twaalf jaar was hij, geloof ik, net als jij. Hij was gedood door een van onze bommen, terwijl zijn moeder en zijn zusje van zes levend verbrandden in hun huis en hij in paniek op zijn fiets wegvluchtte. Ver is hij niet geraakt. Er zat al meer dan een jaar een knak in de trapas – zijn pa, nochtans een mekanieker, zat al twee jaar aan het front. Zijn trappers blokkeerden op het moment dat hij de bom naar beneden hoorde suizen. Daarom, toen jij eraan kwam met je BMX, dacht ik even dat hij het was.’ Antony stelde zich de Duitse jongen voor, even hard trappend als hij tegen de Musketiers. Hij voor een mini-Mars, de jongen voor zijn leven.

‘Hoe heette die jongen?’ vroeg Antony.

‘Max. Max Schneider. Ik ken ze allemaal bij naam, de slachtoffers van onze bommen. Toen we zelf dood waren hebben we ze allemaal ontmoet, van de eerste tot de laatste. Allemaal hebben we hebben hun pijn gevoeld. “Waarom?” vroegen ze ons. “Waarom?” zuchtte ik. “Omdat jullie de vijand waren, omdat …” We kwamen er al snel achter wat bommen werkelijk aanrichten, zowel met het lichaam als de ziel. En dat was niet fraai, om een understatement te gebruiken.’

‘Ja, maar had Duitsland anders de oorlog niet gewonnen?’

‘Niemand wint met wapens. In een oorlog zijn er alleen maar verliezers, boy. Neem het van mij aan. In de grond zijn we allemaal gelijk, wij mensen. We willen allemaal liefde, respect, vreugde, vrede, medeleven, verdraagzaamheid, en vooral: broederschap. Kijk mekaar een minuut in de ogen en je komt achter deze universele waarheid. Maar met je bommen zo hoog in de lucht… Ho maar, no way.’

‘Zo simpel is het toch niet, Arthur? Tegenwoordig hebben we hier een oorlog in Syrië. Het is daar zo ingewikkeld dat ik er niks van snap, alleen dat het er wemelt van de slechteriken.’ Antony voelde zich groeien, dra zou hij een echte man worden.

‘Je bent aardig bij de pinken, boy. Syrië, dat is exact waar wij op het punt staan van naartoe te trekken. Nog deze nacht.’ Arthur wierp een lichtstreep in zuidelijke richting.

‘Hoe bedoel je? Jullie kunnen toch geen bommen meer gooien? Jullie moeten hier blijven, netjes onder jullie steen. Jullie zijn dood.’

‘Hij heeft het nog niet door, guys,’ grapte Arthur. ‘Dit hier is mijn bemanning van weleer overigens: Joseph, Thomas, Maurice, Henry, John en Rex.’

‘Nice to meet you, boy,’ antwoordden ze haast unisono.

‘Overal waar er bommen vallen gaan wij de zielen van onschuldige slachtoffers opvangen, met alle zorgen en liefde die we in huis hebben. Dat is de nobele missie die we het Klaproos eskader aangemeten hebben.’

‘Het Klaproos eskader?’

‘Het idee kwam van Thomas Burgess, een van onze veteranen van WOI. Hij kan het beter zelf uitleggen.’ De lampionnen van zielslicht, die eerst nog boven de graven hadden gezweefd, waren rond Antony komen samendrummen. Een ervan kwam uit de kring naar voren. Het bleek Thomas.

‘Ik zal het je uitleggen, boy. Luister maar niet teveel naar die mietjes van WOII.’ Er steeg gemompel op onder de zielen, hier en daar een monkellachje. ‘Jarenlang in die smerige loopgraven zitten, dat was pas een vuile oorlog. Wat rondbrommen met die zeepkisten, dat had mijn grootmoeder ook gekund.’ Antony vreesde even dat hier hommeles van ging komen, maar dat gebeurde niet. Iedereen lachte, alsof het stand up comedy betrof.

‘Nu even serieus. Toen wij in dat slijk ploeterden en we de tel van de lijken waren kwijtgeraakt, was er nog één iets dat ons overeind hield in jullie verdomde Flanders fields. En dat waren de klaprozen. Soms rees er voor ons een enkele bloem uit de modder op, ergens in het midden van het niemandsland. Dan vochten we met elkaar om de verrekijker. Iedereen wilde een glimp van deze rode fata morgana opvangen, even rood als de hartjes die onze vriendinnen onderaan hun liefdesbrieven tekenden. We laafden ons aan de schoonheid van de klaproos, probeerden vanop afstand haar bedwelmend parfum te ruiken. Het was beter dan seks.’

‘Hou je wat in, Thomas. De jongen is nog maar twaalf.’ Arthur wenkte zijn maats.

‘Jij bent erover begonnen.’

‘Genoeg,’ zei Arthur. ‘We hebben werk te doen. Laat het eerste vliegtuig komen!’ De zielen ruimden plaats. Op de centrale laan, schijnbaar uit het niets, kwam een luchtschip tevoorschijn, al even lichtgevend dan de zielen zelf.

‘We hebben onze oude Lancasters omgebouwd voor zielstransport. We noemen ze nu Poppy Express. Naar het embleem van ons eskader, de klaproos. Zal ik je een rondleiding geven?’ Antony keek gefascineerd naar het gigantische vehikel. Rond de toegangsdeuren en elk raampje was een snoer van kerstlampjes aangebracht. De vleugels glansden een zacht, okergelig licht en waren opgebouwd uit duizenden zachte veren, zodat het vliegtuig leek op een gigantische adelaar. Op het staartroer was een klaproos geschilderd. Arthur wenkte Antony naar binnen. Omdat er onder het vliegtuig geen wielen leken te zitten kon hij simpelweg binnenstappen zonder trap.

‘Dit hier is de soul class,’ legde Arthur uit. ‘Hier vangen we de meeste slachtoffers op. Het is belangrijk dat een ziel, die door een bom is vrijgemaakt, niet begint rond te dolen. Daarom rukt de bemanning na elke bominslag meteen uit om de zielen te begeleiden naar een Poppy Express. Hier worden meteen de eerste zorgen toegediend. Bij dood door een bom is de ziel heel erg gedesoriënteerd en onthutst. Soms beseft ze nog niet eens dat dit leven werkelijk gedaan is.’

‘Wat doen jullie dan?’ vroeg Antony.

‘In het ergste geval, wanneer ze willen terugkeren omdat hun geliefden achtergebleven zijn, brengen we ze onder in de angel class. We mogen altijd een aantal engelen onder onze bemanning verwelkomen. Zij stralen zoveel licht en liefde uit dat het moeilijk is om niet door hen getroost te worden. Onmogelijk eigenlijk. Kijk daar maar eens.’ Arthur wees in de richting van het sterrenbeeld Orion. Een twintigtal engelen kwam in een lange sliert aangevlogen en nam sjofel plaats aan boord. Ze leken zich niet te storen aan Antony’s aanwezigheid, glimlachten zelfs vriendelijk naar hem, op een manier die zijn hart deed smelten. Angst had hij al lang niet meer. Eigenlijk wilde hij best wel eens zo’n vluchtje meemaken.

‘Jij kan helaas niet mee,’ leek Arthur zijn gedachten gelezen te hebben.

‘Waarom niet?’

‘Jij behoort nog tot de levenden. Jij hebt je taak hier. Wij vliegen met de zielen naar de Grote Lichtpoort en zetten ze daar af. Dat is een plek waar jij nog niet behoort te komen.’

‘Ik wil ook piloot worden.’

‘Zorg er dan voor dat je je vliegkunsten inzet voor het goede doel. Ga voeding en hulpgoederen droppen bij mensen die het nodig hebben. Repatrieer gewonden met een hospitaalvliegtuig. Breng medicatie naar afgelegen gebieden.’

‘Yes, captain.’ Antony was in de wolken. Hij wilde nog meer zien.

‘We moeten stilaan afscheid nemen, boy. Er is een groot bombardement op til in Aleppo, dat betekent weer heel wat onschuldige slachtoffers. We kunnen ons niet permitteren om te laat te komen.’ Antony voelde zich ontgoocheld, hij had nog meer willen zien. Dit was de plek waar hij zich thuis voelde, tussen de piloten zoals hij er later een wilde worden. Arthur begeleidde Antony uit het vliegtuig en nam afscheid.

‘Je weet wat je te doen staat, boy,’ sprak hij Antony vaderlijk toe. Uit de lichtbol stulpte een arm en een hand tevoorschijn voor een high five. Antony hief op zijn beurt zijn hand in de lucht. Toen hun handen elkaar raakten volgde er geen fysieke klap, eerder een subtiele en aangename tinteling, die Antony als awesome zou omschrijven. Arthur keerde terug naar de Poppy Express en ging aan boord, met de zielen van zijn vroegere bemanning in zijn kielzog. Er volgden nog andere zielen, met elk hun specialisatie, gaande van sterrennavigatie tot geavanceerde zielenzorg. Het vliegtuig steeg niet op zoals Antony verwachtte. Geen zware, ronkende motoren, al had hij dat dolgraag eens gehoord. Ook geen langzaam optrekken om na een paar honderd meter moeizaam van de grond los te komen. De Poppy Express bewoog simpelweg een paar meter naar voor en steeg toen simpelweg verticaal omhoog, waarna het met fenomenale snelheid uit het gezichtsveld verdween. Awesome, dacht Antony. Misschien is dat wel wat mensen UFO’s noemen.

Het ritueel herhaalde zich nog een aantal keer. In totaal stegen er exact zeven Poppy Expressen op. Dat had Antony geteld. Toen het laatste vliegtuig, als je het wonderlijke luchtschip zo kon noemen, met dezelfde schicht uit het zicht verdwenen was, waren alle vreemde lichten boven het kerkhof eensklaps verdwenen. De schemering zou weldra door de nacht worden opgeslokt. Antony besefte dat hij maar beter met zijn BMX een spurtje huiswaarts kon trekken. Een standje was sowieso onafwendbaar.

‘Ha, daar ben je eindelijk,’ zei ma, meer opgelucht dan kwaad, toen hij eindelijk op kousenvoeten binnensloop.

‘Ben je niet boos dan, ma?’

‘Waarom zou ik? Het is flink dat je Maarten naar huis hebt geholpen met zijn pijnlijke knie. Jullie moeten maar eens wat beter uitkijken met die stunts in dat skatepark. Ik hoop dat jij zo geen gevaarlijke toeren met je BMX uithaalt. Je ziet wat er van komt.’ Antony was verbaasd, maar zei niets. Hij kon niet herinneren dat Maarten, een van de Vier Musketiers, was gevallen, of het moest gebeurd zijn na zijn vertrek van de oefenpiste, laat staan dat hij Maarten naar huis geholpen had.

‘Die pa van Maarten heeft wel een sterk Engels accent, wist jij dat?’ Wat Antony wist was dat de papa van Maarten helemaal geen Engels accent had. Hij glimlachte, beseffend wat er aan de hand was.

‘Zijn pa is van Engelse afkomst,’ kon Antony een luide kinderlach nog net onderdrukken. ‘En ma, ik ga later vliegen bij Piloten zonder Grenzen.’

‘Kijk eens aan. Eerst wou je Tom Boonen worden, daarna Justin Timberlake, F16-piloot en je laatste, geloof ik, was Eden Hazard. Of was het wereldkampioen BMX?’

‘Neen ma, Piloten zonder Grenzen zal het worden. Humanitaire vluchten.’ Antony’s smartphone produceerde de tune van een binnengelopen berichtje: “Aangekomen in Aleppo, klaar voor onze opdracht. We zijn fier op je, buddy. Je gaat het later fantastisch doen. Vanaf nu noemen we je niet langer boy. In jou is vandaag een man met een missie opgestaan, gedreven door de goddelijke verlangens van de ziel. Awesome!”