Don’t kill my vibe

20190308_194723“Untallented losers.” Met dat opschrift op de deur word ik verwelkomd in een Leuvens mannentoilet. Grappig? De spelfout misschien. Had een vrouw nog een eitje te pellen met een etter? En zat het zo diep dat ze maar meteen het volledige mannelijk geslacht op de schop wou? Of is het de benevelde pennenvrucht van een nachtbrakende grappenmaker? Ik kom er niet uit.

Waarom het dan toch blijft hangen? Omdat ik het gehad heb met etiketten. Het typeren van mensen met catchy oneliners of zelfs een enkel woord zit in de lift, meestal in een pejoratieve betekenis. Het gebeurt in de media. Het gebeurt in ons persoonlijk leven. Klimaatdrammer. Haakneusjood. Gelukszoekende migrant. Geitenwollensokkentype. Nerd. Ijskoningin. Nietsnut. Macho. Loser. Het gaat hierbij niet om een occasionele belediging, het gaat om stempels die je op je voorhoofd gedrukt krijgt, vaak een level lang. Het gaat om een etiket.

Zo’n lekker bekkende typering is makkelijk zat. En laf. Als je de definitie van iemand reduceert tot dat ene etiket, sla je twee vliegen in een klap. Het komt in de eerste plaats je gevoel van eigenwaarde ten goede. Wanneer je iemand naar beneden haalt, stijgt je eigendunk zonder dat je er zelf iets voor moet doen. Als iemand afgaat als een gieter in The Voice, genieten we misschien ook wel eens stiekem mee van die neerwaartse duim, van de kandidaat die met de staart tussen de benen moet afdruipen. Psychologisch onderzoek heeft uitgewezen dat het ons een beter gevoel geeft over onszelf als we iemand anders zien mislukken. Dat is niet fraai, maar meestal ook niet overdreven kwaadaardig.

Veel erger is dat je met het toebedelen van een etiket jezelf ontslaat van de taak om de persoon in kwestie beter te leren kennen. Je doet niet langer de moeite om nog maar een glimp op te vangen van al het goede waar die persoon (ook) voor kan staan, naast dat ene aspect. Als je goed zoekt, vind je bij iedereen wel iets waar je hem of haar op kan pakken. Als je alleen maar dat in het vizier houdt, versterkt die ene definitie tot dat eeuwige etiket. Een sticker die er met geen oplosmiddel meer af te trekken valt. Met die mindset houd je het niet voor mogelijk dat mensen veelzijdige persoonlijkheden zijn met meerdere facetten. Je gelooft evenmin dat ze evolueren in de tijd, dat de persoon van nu niet meer degene is van tien of vijfentwintig jaar geleden. Dat hij of zij geleerd heeft uit tegenslagen, mislukkingen of fouten, zodat er vandaag een heel ander iemand voor je staat. Een etiket blijven handhaven is niet veel minder dan karaktermoord. Het gebeurt op de werkvloer, in sociale milieus, op het wereldtoneel. Migranten zijn terroristen en verkrachters. Politici zijn zakkenvullers. Chinezen zijn kopiisten. Langdurig werklozen zijn luiaards en profiteurs. Vrouwelijke managers zijn ambiteuze manwijven. Klimaatspijbelaars zijn marionetten van extreemlinks. Het is voldoende om een enkele persoon te vinden die in de buurt van die omschrijving komt om een hele groep te stigmatiseren. Dat is de truc. Etiketten zijn de brandstof van wij en zij.

Maar misschien is “jij kan dit niet” nog het ergste etiket van allemaal. Je hebt een idee of droom waar je enthousiast over bent, maar het wordt meteen afgeschoten. “Dit is niets voor jou.” “Je moet je grenzen kennen.” “Jij gaan zingen? Je zingt zo vals als een kat.” Het kan ook schrijven zijn, een zaak openen, een studie aanvatten, een cursus volgen, een recept koken, een avontuurlijke reis maken. Wanneer je hart dat sprongetje maakt maar je omgeving meteen brandhout maakt van je droom, ga je twijfelen. Misschien hebben ze gelijk? Kan best, en toch wil je hart dat je het probeert. Omdat het toevallig wel de weg is die je misschien niet de realisatie van die bepaalde droom oplevert, maar wel die van een andere. Omdat het universum nu eenmaal zo werkt. Omdat we geloven in die synchroniciteit. Het toeval dat geen toeval is. In de wijsheid van de ziel, die ons op de achtergrond onvermoeibaar een geweldig leven blijft influisteren.

Daarom moeten we etiketten van ons afgooien alsof ons leven ervan afhangt. Het hangt er ook vanaf. Als we die droom of dat geweldige ideetje niet volgen, gaan we nu al een beetje dood. We mogen zelfs stoppen met tegen dat etiket te vechten. Het houdt het alleen maar in stand, versterkt het nog. We moeten onze eigen weg volgen. Het etiket is een test voor de krijger in onszelf, die ons doorheen het opwindende leven loodst dat we willen leiden.

Toen de jonge Noorse tiener Sigrid naar een workshop songschrijven ging, vonden de cursusgevers haar ideetjes maar niets. “Je moet het zo doen. Niet zo.” Sigrid verliet de cursus en bleef koppig haar eigen ding doen. Ze vond zichzelf allesbehalve een “untallented loser”. Vandaag treedt ze op in heel Europa met haar aanstekelijke electropop. Ze heeft net haar eerste CD uit, allemaal dankzij die “foute” ideetjes van haar. Op de CD staat een nummer dat gaat over de ervaring in de songschrijfcursus. De titel is toepasselijk “Don’t kill my vibe.” Het werd een hit. De song straalt iets universeels uit. Kwaadheid om het etiket. De kracht van de droom. Het geloof in jezelf. Het ware misschien nog net iets beter geweest indien de titel “Can’t kill my vibe” was. Omdat het dan niet langer refereert naar de strijd, naar die ander die zwaait met dat etiket. En toch. Het is goed zoals het is. Net zoals wij.

Make the world GRETA again

Make the world GRETA again 2“Make the world GRETA again.” De nieuwste klimaatslogan is meer dan een vette knipoog naar de man die zijn land great again wil maken. De voornaam van het kleine Zweedse meisje met de strijdersogen is op minder dan een half jaar voldoende voor wereldwijde herkenning. Geen Pipi Langkous om zonder handschoenen aan te pakken, ondervond ook EU-commissievoorzitter Juncker. In antwoord op de speech van Greta Thunberg kwam hij niet veel verder dan een warrig betoog over ondermeer toiletspoelsystemen. Zijn minachting was minstens even groot als zijn stugheid. Het contrast met Greta’s speech kon niet groter zijn. Ik word telkens weer getroffen door de meerlagige inzichten in haar heldere en krachtige taal, waarmee ze de politici en hun communicatiemanagers het nakijken geeft. Dat was deze keer niet anders. Of wat dacht je van deze zeven zinnen uit het betoog van Greta?

“We hebben een nieuwe manier van denken nodig. Het politieke systeem dat jullie gecreëerd hebben, gaat over competitie. Dat moet stoppen. We moeten samenwerken en de middelen van de planeet op een eerlijke manier delen. We moeten binnen de planetaire grenzen leven in het belang van al het leven. Dit klinkt misschien naïef, maar als jullie je huiswerk hebben gedaan, dan weten jullie dat we geen andere keuze hebben. We vechten niet voor onze toekomst, maar voor iedereen zijn toekomst.”

Vanuit mijn beroepservaring weet ik dat het oplossen van (IT) problemen faliekant afloopt wanneer je niet precies weet welk probleem je aan het oplossen bent. Root cause analysis heet zoiets in het jargon. Voor oplossingen die niet de wortel van het probleem aanpakken hanteren we namen als “plakkers” of “carpet dressing”. Het eerste doelt op een niet duurzame oplossing waarvan je weet dat ze op termijn niet zal voldoen, het tweede gaat over het tijdelijk of permanent onder de mat vegen van het probleem, door camouflage of simpelweg door te hopen dat niemand het zal opmerken, zoals bij de sjoemeldiesels. Ook een klassieker is het snel maken van een ontwerp dat wel voldoet voor een aantal initiële, minimale vereisten, maar niet geschikt is om op te bouwen voor wat je daarna zal nodig hebben, met het risico dat je later vanaf nul zal moet herbeginnen. Gek genoeg is dat exact wat er met veel van de huidige klimaatoplossingen aan de hand is. Omdat we windmolens zetten, electrisch gaan fietsen en de politici in Parijs wat hoopvol klinkende doelstellingen afsluiten, denken we al snel dat we er wel gaan komen. Nog steeds durven we onze levensstijl niet al te veel in vraag stellen en geloven we dat de technologie en de politiek het wel zullen oplossen. Maar is dat ook zo?

Misschien heeft Greta Thunberg nog nooit van root cause analysis gehoord, en toch is het exact wat ze in zeven eenvoudige zinnen voor elkaar krijgt, voor wat momenteel het moeilijkste probleem is dat de mensheid voorgeschoteld krijgt.

  1. “We hebben een nieuwe manier van denken nodig”: met deze zin doelt ze op een nieuw bewustzijn, dat radicaal breekt met oude, materialistische denkbeelden en dito gedragspatronen die naar onze ondergang kunnen leiden. Dit gaat een stuk verder dan de klimaatkwestie. Het gaat over het herstel van evenwicht, het in balans brengen van yin en yang. Traditionele culteren begrijpen al duizenden jaren het belang hiervan. Verbranding is een energie die erg yang is en de planeet uitput zonder kans op herstel. Daarbij gaat het over veel meer dan hoeveelheden CO2. Het gaat over een nieuw bewustzijn dat weer aansluiting vindt met de oude wijsheden en dat gevoed wordt door liefde in plaats van angst, hebzucht en haat.
  2. “Het politieke systeem dat jullie gecreëerd hebben, gaat over competitie”: we hebben een maatschappij gecreëerd waarbij we altijd meer willen hebben. Niet omdat we per se zo hebberig zijn, het zit gewoon zo in onze cultuur en we surfen er niets vermoedend op mee. En als we al veel hebben, willen we dat vooral zo houden en zijn we op onze hoede voor anderen die onze welvaart in gevaar kunnen brengen. Denk maar aan de migratiestromen of de handelsoorlogen. Bovendien is onze westerse levensstijl erg schadelijk voor de planeet. Daarom hebben we een andere niet-competitieve levensstijl en een nieuwe manier van denken nodig.
  3. “Dat moet stoppen”: duidelijker kan het niet zijn. Het is niet voldoende om dezelfde recepten wat bij te sturen, er is gewoonweg een volledig nieuw menu nodig. Maar welk dan?
  4. “We moeten samenwerken en de middelen van de planeet op een eerlijke manier delen”: het nieuwe denken van Greta behelst dat we niet langer de nationalistische of tribale trom slaan. Het vraagt dat we geen muren meer bouwen of emissierechten afkopen in Afrika, of dat we nog maar geloven dat we het klimaatprobleem buiten onze grenzen kunnen houden. Alleen samenwerking kan ons redden, gekoppeld aan een eerlijke verdeling van de middelen. Dat laatste gaat niet alleen over de strijd om olie en ook steeds meer om water, het gaat ook over de ongelijkheid waarbij een handvol mensen evenveel bezit dan de halve wereld, waarbij enkele landen uitpuilen van de welvaart en andere steeds dieper wegzinken in armoede.
  5. “We moeten binnen de planetaire grenzen leven in het belang van al het leven”: wat zijn de planetaire grenzen? Simpelweg, wat de planeet aankan. Als we iets nemen van de planeet, moet het de tijd krijgen om dat weer aan te vullen. Dat heet duurzaamheid, of het nu om visgronden, bomen of grondstoffen gaat. Met grondstoffen bedoel ik dan niet fossiele brandstoffen – die worden sowieso niet aangevuld door de planeet – maar wat er in de grond zit aan mineralen en andere levensnoodzakelijke elementen. Intensieve landbouw put de grond uit, zodat die op niet al te lange termijn dode grond wordt. “In het belang van al het leven” duidt op een houding die niet alleen om de mens draait, maar ook om de dieren, de zeeën, de planten, de bodem en al wat leeft. Greta doelt op de samenhang tussen alle leven, waarbij alles veel meer met elkaar verbonden is dan we aannemen. Ze denkt holistisch en spiritueel, zonder dat ze dat misschien bewust doet of dat zo zou benoemen.
  6. “Dit klinkt misschien naïef, maar als jullie je huiswerk hebben gedaan, dan weten jullie dat we geen andere keuze hebben”: hier spreekt ze vanuit de derde chakra, waarbij ze de zaak op scherp stelt. Dat is nodig, omdat de waarheid maar niet doordringt. En die waarheid is dat we geen tijd te verliezen hebben om dat nieuwe bewustzijn en de daaraan gekoppelde aanpak op de mat te brengen. Daarom zal ze dit blijven herhalen, zoals ze zelf aangeeft.
  7. “We vechten niet voor onze toekomst, maar voor iedereen zijn toekomst”: dat is niet zomaar een respons op het feit dat enkel de jeugd een probleem zou hebben, je voelt dat ze dat meent. Ze wil zich echt inzetten voor het voortbestaan van de planeet zodat iedereen er wel bij vaart, als een soort van onbedoelde nieuwe messias. Mocht iedereen dat zo zien, dan leefden we vandaag in een totaal verschillende wereld.

Misschien klinkt wat Greta vertelt ons niet prettig in de oren. Misschien zouden we liever hebben dat ze haar mond houdt. Misschien geloven we in complottheorieën die van haar een pion of marionet maken in een vuil achterkamerspelletje. Misschien willen we haar op een zwak moment gewoon de les spellen. Maar als we eerlijk zijn, weten we dat Greta in alle eerlijkheid streeft naar de liefdevolle maar harde waarheid en ons simpelweg daarmee confronteert. We zouden blij moeten zijn dat iemand de noodzaak van een nieuw bewustzijn zo expliciet en krachtig op ons bord serveert. Aan ons om die uitnodiging op te pakken, voor de spiegel te gaan staan en diep in onszelf te voelen wat we in dit verhaal te doen hebben. Als het die soul search is die Greta mondiaal teweeg brengt, dan is “Make the world GRETA again” nu al het beste wat de wereld in 2019 overkomen is.

Een heldendaad voor het klimaat

P1040586

“De planeet wordt heet, de regering doet geen reet.” Op het moment dat ik wil gaan lunchen in hartje Leuven, bots ik op een legioen klimaatspijbelaars. Ik laveer tussen de spandoeken door terwijl er ernstige of prettig gestoorde leuzes worden gescandeerd. De sfeer houdt het midden tussen een scoutsvuur en Tomorrowland vibes.

Dat ik tegen de stroom in moet roeien om mijn lunchtent te bereiken, geeft me het idee van een generatieconflict. Nu eens loop ik over van sympathie – als adolescent zou ik in de voorste rijen lopen – dan weer spin ik kritische bedenkingen. Om iets in de wereld te veranderen moet je op straat een keer durven roepen gaan, soms een revolutie op gang trappen. Dat is nooit anders geweest. Naargelang de uitkomst word je een volksheld of een tragikomische schlemiel. De klimaatacties door jongeren zijn voor de toekomstige generaties nu al een heldendaad. Hun leidster is nog net geen Jeanne d’Arc.

‘Zijn jullie bereid zijn om minder te gaan vliegen?’ vraagt een reporter aan een groepje jongeren in het gewoel, wetende dat de jeugd een reputatie toegedicht wordt als cityhoppend feestvolkje. ‘Jazeker,’ klinkt het zonder aarzeling. Het antwoord van het meisje met het beschilderde strijdersgelaat klinkt oprecht. Eenzelfde soort vragen is als een olifant in elke huiskamer beland, alsof de micro van een journalist plots voor ieders geduwd wordt: wat doen u en ik voor de planeet?

De verleiding is groot om die vervelende klimaatklus onmiddellijk naar iemand anders door te schuiven. Naar de politici, de dieselrijders, de energieleveranciers, naar elkaar. Of we kunnen gemakkelijkheidshalve schieten op de pianist. Spelen op de man in plaats van op de bal. Het moet evenwel gezegd, we leven boven onze stand. Of toch wanneer je kijkt naar de duurzaamheid van de gemiddelde westerse levensstijl. Dat er meerdere planeten Aarde nodig zijn om die Bourgondische lifestyle te kunnen bestendigen, zoemt als een stalkende mug almaar penetranter rond ons hoofd. Wat niet helpt, is om als klimaatactivist een groothandel op te starten in schuldgevoelens. Met een partijtje culpabiliseren schiet niemand iets op. Wel is het ieders verantwoordelijkheid om deel te worden van de oplossing. En dat lukt beter als de remedies haalbaar, zelfs sexy zijn.

Jammer genoeg is mijn naam niet pakweg Carl De Wever. Dan had je naast A. en B. nu ook een C. De Wever-stem gehad. Een modale volwassene die andere volwassenen over de streep probeert te trekken. Neem nu de auto. Ook ik vond het de normaalste zaak van de wereld dat we ons dagelijks verplaatsen mits een stevig vuurtjestook onder een motorkap. Mijn vehikel, mijn vrijheid, weet u wel. Voor mijn part mag iedereen die bolide gerust houden, mits zich bewust te worden van de kost voor de planeet en vooral van hoe dolgelukkig de alternatieven je kunnen maken.

Zes jaar geleden beslisten we hier om ons wagenpark te reduceren van twee exemplaren naar een. Oké, niet voor iedereen is een en ander praktisch haalbaar, maar ook hier moeten agenda’s naast elkaar geschoven worden. De herontdekking van de fiets was awesome, om het in jeugdjargon te stellen. Ritten per tweewieler deden me die landschappen en vergezichten herwaarderen, lieten me die Hagelandse heuvels bedwingen en mijn fysieke conditie en passant naar onvermoede hoogtes stuwen. Een griepje, zelfs een verkoudheid werd een herinnering uit een steeds verder verleden. Alleen zijn temidden van de vier elementen, met je kwieke ademhaling als enige metgezel, is een intieme ervaring waarin je die levensbruis voelt opwellen. Elke fietstocht is een herbronning en een overwinning, vooral wanneer je die westenwind of plensbui getrotseerd hebt, of toen je dampwolkjes blies in de ijzige ochtendlucht. Wanneer ik in de Heidebergstraat aan de voet sta van de klim naar Boven-Lo, een paar honderd meter aan meer dan 10%, voel ik me een moedige avonturier. De modale fietsers stappen af en duwen hun strijdros te voet naar boven. Ook voor mij leek het aanvankelijk ondoenbaar, tot ik erin begon te geloven. Eerst peddelde ik tot halverwege en dan telkens ietsje hoger, tot de eerste keer dat ik weliswaar buiten adem boven kwam, met de kerk bovenop de heuvel als mijn denkbeeldige eindstreep. Tegenwoordig klim ik en danseuse routineus naar boven, houd aan de meet zelfs nog wat overschot. Een kwestie van training en dosering, waarvan ik nooit vermoed had dat die in me zat. Elke overschrijding van de meet geeft me niet alleen die gelukzaligheid, ook de verbijstering hoe makkelijk het is om datzelfde stuk per auto op te klauteren. Dan dringt het besef door dat de grote inspanning die ik net geleverd heb, in indrukwekkend veelvoud benodigd is om die SUV met zijn inzittenden naar boven te hijsen. Dat gevoel bekruipt me nog meer wanneer ik in de ochtendspits al fietsend de Tiensesteenweg kruis en die eindeloze stoet wagens zie bumperen, die achthonderd kilo verwarmde woonkamer op vier wielen. Dan kijk ik naar de bedrukte gezichten achter het stuur en denk ik: wat een waanzin. De hele planeet opstoken om elke ochtend, elk in zijn kleine verbrandingscentrale, wat kilometers af te malen, elke dag opnieuw, zolang de voorraad strekt en zolang de planeet het niet definief welletjes vindt.

We hoeven niet onmiddellijk veganistische holbewoners te worden om iets voor het klimaat te ondernemen. De auto wat meer laten staan, een investering in een goede (electrische) fiets, het bezigen van openbaar vervoer (en de ontdekking dat je in bus of trein een boek kan lezen), een vakantie korter bij, op plaatsen waar je nooit zoveel schoonheid, rust of gezelligheid vermoed had. Van minder vlees is ook nog niemand slecht geworden, evenmin als het eten van seizoensgroenten uit eigen land  of streek. De thermostaat kan makkelijk een graadje (of twee) lager. Recyclage kan voor iedereen een leuke discpline worden, met het zoveel mogelijk vermijden van plastiek als absolute bonus. En waarom dat potje spaar- of beleggingsgeld, voor wie dat heeft, niet investeren in duurzame projecten in plaats van in die winstgeile korven waar banken mee blijven zwaaien? Ik lees deze week dat de pensioenfondsen in Nederland, Denemarken en Noorwegen al volop inzetten op de plaatselijke, groene economie, terwijl de Belgische blijven zweren bij pakweg Aziatische obligaties. Toch hebben we de mogelijkheid om de banken en fondsen eruit te pikken die wel voor duurzaamheid en een groene toekomst kiezen.

Iedereen heeft voor het klimaat zijn eigen Heidebergstraat, een eigen drempel om te overwinnen, een grens om te verleggen. Dat hoeft niet meteen de Everest te zijn. Er zijn vele mogelijkheden om iets voor het klimaat te doen. Less is more, althans in eerste instantie. Maar als we het houden bij die ene anecdotische inspanning, schiet het ook niet op. Het is een illusie dat het opgeven van wat rij- en ander comfort minder gelukkig zal maken. Het tegendeel is waar. Het zal je een goed gevoel geven over jezelf, je stimuleren dat extra stapje te blijven zetten, steeds meer deelachtig te worden aan die groenere, duurzame toekomst, waarvoor door zoveel verontruste jongeren en volwassenen actie ondernomen wordt.

“Red de plantjes” droeg een meisje op een stuk karton, verleden donderdag in Leuven. Die banale slogan had iets naïefs en aandoenlijks, maar is de planeet niet zo’n kwetsbaar plantje, waar we meticuleus zorg voor moeten dragen? En kunnen we niet allemaal zelf dat zaadje planten? Een volgende keer stap ik mee op voor het klimaat. Dan zal ik uit de papierdoos voor het containerpark een stuk karton opdiepen en er met dikke stift mijn slogan oppennen: “Elk een kleine heldendaad voor het klimaat!”

De man na #MeToo

Crown

Het gaat niet goed met de man. Toen hij koud gepakt werd door de neerwaartse spiraal van enkele illustere seksegenoten, dacht hij nog even: dit kan er nog wel bij. Dat was nadat The Donald al een jaar lang een nieuwe norm had geïnstalleerd voor mannelijke grofbekkerij.

Mannen voor de spiegel krijgen is doorgaans moeilijker dan de koning te laten opdraven in The Voice, en toch gaat het om precies dat. Kan de man alsjeblieft het archetype van de koning in zichzelf weer opdiepen, en met die stem de wereld heroveren? Of laten we de definitie van de mannelijke identiteit ongestoord kapen door zij, die ze zwaar in diskrediet brengen?

De mannelijke airplay behoort deze dagen toe aan een bende outcasts. De koppositie wordt daarbij ingenomen door de pussyjagers. Het begon allemaal met iemand die beweerde dat je vrouwen daar makkelijk kon grabben. Daarna volgde een hitsig clubje mannen, dat vanuit een machtspositie allerlei oneerbare jachttechnieken uitprobeerde, soms jarenlang en met succes, afhankelijk van hoe je dat definieert. Hun val in ondertussen ingezet, en met hen de reputatie van mannen in het algemeen.

In de hitparade van de anti-rolmodellen worden de pussyjagers op de hielen gezeten door de projectielengooiers. Wanneer een groep mannen zich verzamelt voor baldadigheden, zijn ze verzekerd van prime time in het journaal. Dat weten ze. Een schlemiel mikt een steen in een etalage tijdens een betoging: uitvoerig op de buis. De geplande speech krijgt de kruimels. Dat werd nog eens bewezen met de Brusselse rellen, die dagenlang journaals, voorpagina’s en duidingprogramma’s monopoliseerden. Nog beter kan er in de media gescoord worden met een terreuraanslag. Eenzame of samenzwerende wolven maaien niet alleen onschuldige mensen omver, deze psychopaten overtuigen ons ook van het idee dat de mannenwereld doorspekt is van hufterige macho’s en gevaarlijke mensenhaters.

Na de eerste grote terreuraanslagen in Europa werd openlijk afgevraagd waarom de gematigde Islam zich niet massaal en met luide stem distantieerde. Net zo vragen vrouwen zich op dit moment af waar de gematigde mannen blijven om orde op zaken te stellen. Wat ons natuurlijk bij de vraag brengt: wat is een gematigd man? Is het een soort grijze muis, die goed gedijt in de veilige anonimiteit van een stilzwijgende meerderheid? Of is het een man, die zijn anders gezonde dosis assertiviteit inruilt voor laffe terughoudendheid, wanneer hij vreest op elk woord getaxeerd te zullen worden? En durft hij überhaupt nog zonder angst met vrouwen om te gaan?

Dat mannen op zoek zijn naar hun identiteit in dit mijnenveld, wordt pijnlijk onderstreept door het ontbreken van een charismatische mannenambassadeur in de media. Een spreekbuis met een vlotte en inspirerende tong, zoals vrouwen zich kunnen beroepen op Goedele Liekens, Heleen Debruyne of een andere sterke persoonlijkheid. Als er al eens zo’n man een micro wordt aangeboden, is het gewoonlijk een intellectueel. We raken dan makkelijk verstrikt in het ingewikkelde bos van zijn grote gelijk, maar voelen zelden ons hart van inspiratie overslaan.

Mannen zijn toe aan hun veertig dagen in de woestijn. Hun tijd is aangebroken om zich te bezinnen over wat er binnen in hen broedt. Een wake-up call om zich te begeven in hun emotionele labyrint en zich af te vragen welke van hun gedragingen en overtuigingen de houdsbaarheiddatum al lang overschreden hebben. Het leitmotiv daarbij moet zijn: hoe authentieker en eerlijker, hoe beter. De beste plek voor de mannelijke vooruitgang bevindt zich momenteel voor de spiegel.

Kan de man zijn koningschap terugclaimen? Ik heb het dan niet over een koning die zich verheven boven het volk laat rondrijden in een gepantserde limo, maar eentje die oog heeft voor de noden van de wereld, te beginnen met zijn onmiddellijke omgeving. Deze koning laat zich niet in met stoere geopolitiek, zet de toekomst van de planeet niet op het spel, creëert geen wij-zij polemieken. Dat is niet louter een gegeven voor de wereldleiders en politici. Het maken door mannen van ethische, sociale en duurzame keuzes speelt zich af in elk huis, in elke buurt. Nog meer blijft deze koning weg van patriarchale borstklopperij, waarbij vrouwen de pineut, en vooral onder de duim blijven. Hij weigert ook over te slaan naar de andere kant, naar een besluiteloos grijs, waar hij zich verstopt achter de wonden van MeToo en andere zware averij, door seksegenoten aangericht.

De koning staat op en neemt zijn verantwoordelijkheid. Hij respecteert grenzen en ziet erop toe dat anderen dat ook doen. De koning verbindt en creëert, hij luistert en voelt in, beschermt en motiveert, beklijft en inspireert. De man is dood, leve de koning.

Van Las Vegas tot Life After Hate

LasVegasShooting

Waarom Las Vegas killer Stephen Paddock minder aandacht verdient? Simpelweg omdat mensen als Michael Kent en Angela King die veel meer verdienen. Nooit van gehoord? Dan breng ik daar graag verandering in.

“Gebouwd om te weerstaan aan de wispelturige en ongenadig harde condities op slagvelden overal ter wereld”: hiermee promoot de fabrikant in zijn catalogus de FN-15, waarvan er enkele in het bezit van Paddock waren. Ook over al zijn andere wapens komen we in de pers alles te weten. Op een paar etmalen tijd is Paddocks leven door journalisten van naaldje tot draadje uitgeplozen. Eerst vullen dagenlange scoops over de schietpartij journaals en kranten, daarna volgen de duidingsprogramma’s en de weekendkaterns. Iedereen wil de aalgladde motieven van Paddock als eerste ontrafelen, de geniale inspecteur worden in een aflevering van Midsomer Murders. Wat Paddocks motieven ook waren, er is minder moed nodig om vanop de drieëntwintigste verdieping met een machinegeweer mensen neer te maaien dan om van een mensenhatende neonazi te transformeren tot vooraanstaand vredesactivist. Toch is het exact dat wat een aantal mensen hebben klaargespeeld, er zelfs een beweging voor hebben opgericht: Life After Hate. Hun marketing klinkt enigszins anders: “Wij leggen ons toe op het inspireren van mensen tot een plek van mededogen en vergeving, voor henzelf en voor iedereen ter wereld.”

Michael Kent uit Colorado maakte deel uit van een skinheadgroep. Stoere jongens die zweerden bij blanke suprematie en daarbij grossierden in haatmisdrijven. Op zijn borst was een grote swastika getatoeëerd. Dat hij daarmee in de gevangenis belandde, was niet zo opmerkelijk, wel dat een zwarte vrouw hem daar in zijn hart zou weten te raken. Tiffany Whittier was Michaels Afro-Amerikaanse reclasseringsambtenaar. ‘Ik ben hier niet om over hem te oordelen,’ zegt ze. ‘Dat is niet mijn job. Mijn job is om die positieve persoon in iemands leven te zijn.’ Die oordeelloze attitude verbijsterde Michael van in het begin en deed hem ontwaken uit zijn nachtmerrie vol haat. Tiffany werd een soort dierbare familie voor hem, waardoor hij zijn gewelddadige verleden definitief van zich wist af te schudden. Zijn tattoo liet hij verwijderen bij Redemption Ink, een non-profit organisatie die gratis haatgerelateerde tattoo’s verwijdert. Tegenwoordig werkt hij op een kippenboerderij, samen met Hispanics. ‘Ik wil niet dat mijn kinderen eenzelfde leven leiden, gevuld met haat. Ik wil dat ze me kennen voor wie ik nu ben en hen zo inspireren.’

Voor Angela King is mensen inspireren een levensmissie geworden. Haar verhalen lijkt een kopie van dat van Michael. Op haar borst prijkte een tattoo van vikingsymbolen, haar middelvinger was getooid met een swastika. Een vernederende ervaring uit haar jeugd vulde haar met haat. Ook zij belandde bij gewelddadige skinheads, en uiteindelijk in een gevangenis bij Miami. De meerderheid van gedetineerden in die instelling waren kleurlingen, die haar omwille van haar verhaal meden als de pest. Tot een Jamaicaanse vrouw haar uitnodigde voor een spelletje kaart, het begin van wat een diepe vriendschap zou worden. Ook hier was het mededogen van de Jamaïcaanse de game changer. Eens uit de gevangenis ging ze terug studeren. Ze haalde een diploma sociologie en psychologie en startte met lezingen. Zo kwam ze in contact met Life After Hate, een blog waar extremisten die eruit waren gestapt hun verhalen deelden. Mede door haar groeide Life After Hate in de V.S. uit tot een nationale non-profit organisatie. De oprichters en medewerkers zetten hun krachtige transformatieverhalen overal te lande in om jongeren en volwassenen weg te houden van racisme en gewelddadig extremisme. Daarbij stopt het niet: ze faciliteren processen van deradicalisatie, doen research naar alle wegen die leiden naar extremisme en formuleren hiervoor oplossingen aan de bron.

In tegenstelling tot Stephen Paddock zijn Michael Kent en Angela King helden zonder noemenswaardige airplay. Nochtans: waar je de aandacht op vestigt, daar stroomt de energie. Dat wordt altijd groter. Dus is het bijzonder vreemd dat redacties overal ter wereld mass shooters en terroristen telkens weer een podium geven waar deze nooit van hadden durven dromen, terwijl ze de Michael Kents en Angela Kings van deze wereld links laten liggen. Hoe meer aandacht er besteed wordt aan gewelddaden, hoe meer een aantal met haat gevulde mensen geïnspireerd raken tot hun eigen versie van een waanzinnige daad. En niet minder erg: hoe meer iedereen ervan overtuigd geraakt dat geweld de wereld regeert. Stel je voor dat de journaals en kranten continu verhalen zouden brengen zoals dat van de mensen achter Life After Hate. Dat ze elke dag zouden berichten over mensen en daden die inspireren in plaats van weerzin opwekken. Dat de journalisten, net zoals Tiffany Whittier, zouden intekenen om die positieve kracht te worden, die de wereld kan veranderen. Die van de camera of de pen een wapen maken om te ontwapenen. Journalisten hoeven niets te verhullen, enkel een klein beetje meer strijders van het licht worden. Een transformatie van Las Vegas tot Life After Hate. Omdat wij dat nu eenmaal kunnen.

https://www.lifeafterhate.org/

Het hart van Harvey

Harvey

Eerst zie je de verwoestende kracht van de natuur, dan de heroïsche kracht van de mens. Wat kunnen we leren van Harvey, behalve dat er een aantal doden te betreuren vielen, de schade enorm is en explosies in een chemische fabriek onrust baarden? Wat kunnen we nog meer opsteken, behalve dat de klimaatverandering dit soort rampen met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid in de hand werkt? Haalde ook de media: de president, die voor verzamelde media verkondigde dat hij 1 miljoen van zijn persoonlijk fortuin zou doneren, weliswaar nadat hij forse kritiek ving voor het links laten liggen van het zwaarst getroffen Houston tijdens zijn eerste bezoek aan het rampgebied: “Ik zou er toch maar in de weg lopen van de reddingsacties.”

Het antwoord op deze vragen is een nieuw wereldrecord in lokale solidariteit. Niet het soort solidariteit waarbij mensen doneren op een inderhaast aangemaakte ramprekening, een stars-and-stripes achtergrond op hun FB-profielfoto installeren of in een pop-up straatkoor “Imagine” meezingen. Neen, de inwoners van Houston op de foto zijn niet aan het aanschuiven voor onderdak, een warme maaltijd of een sixpack drinkwater. Ze wachten urenlang om zich op te geven als vrijwiller. Ze willen allemaal helpen waar kan. Deze gewone mensen hebben een nuttig talent, een paar helpende handen en vooral: een onbaatzuchtig hart.

Terwijl de verzekeringsmaatschappijen tijdens crisivergaderingen becijferden hoeveel het zaakje hen zal gaan kosten, evacueerden studenten dakloze rolstoelresidenten dwars doorheen Hermann Park. Onmiddellijk na de doortocht van Harvey zette iedereen met een plezierbootje koers naar het rampgebied. De Cajun Navy, zoals de verzamelde booteigenaars betiteld worden, vaarde af en aan in de ondergelopen buurten om families en ouderen naar veiliger oorden te brengen. Het Chinese Community Center verschafte onderdak aan zoveel mogelijk slachtoffers, tot ook zij onder water kwam te staan. Een verpleegster ontfermde zich over een groep geëvacueerde geesteszieken, haar manier om iets terug te doen nadat ze zelf gered werd. Een groepje Mexicaanse bakkers werkte de klok rond om alle gestranden van brood te voorzien. Een Texaanse supermarktketen rolde een mobiele keuken uit met drie maal per dag gratis maaltijden. Lokale centra werden overstelpt met hulpgoederen. Nooit eerder hielpen zoveel mensen zoveel andere, voor hen totaal onbekende, slachtoffers.

Misschien resoneerden de inwoners van Houston wel met de vuurmieren, die massaal in de streek voorkomen en Harvey op een opzienbarende manier weten te overleven. Doorheen de ondergelopen straten drijven bruine vlotten van miljoenen vuurmieren. Wanneer ze ten prooi vallen aan wateroverlast, bestaat hun strategie erin om met de hele kolonie als een veerboot in elkaar te klitten en zo hun eigen versie van de ark van Noah te bouwen. De lucht tussen de mieren zorgt ervoor dat het gevaarte blijft drijven. De mieren onderaan hebben het zwaar te verduren en balanceren vaak op het randje van verdrinking, omdat de luchttoevoer op die plek precair is. Daarom wordt er voortdurend van plaats gewisseld, net zoals bij een waaier in een wielerkoers. De mieren in de bovenste lagen blijven droog en kunnen even op adem komen, in afwachting van een nieuwe beurt onderaan. De koningin blijft altijd bovenaan, tezamen met haar larven. Over de belangrijkste en meest kwetsbare mier van de kolonie wordt met tomeloze inzet gewaakt.

In Houston zetten geëvacueerden zich op hun beurt in om anderen te redden of te helpen, aangevuld met een ongezien leger van onbaatzuchtige vrijwilligers. Harvey zal minder herinnerd worden om de kracht van de natuur dan om de kracht van het hart. De inwoners van Houston houden het hart als een kostbare koningin hoog boven het water, als betrof het de processie van een heilig relikwie. Harvey zal een spoor van vernieling nalaten, en een triomf van het hart.

De grootsheid van kleine daden

Barcelona
Zoek niet langer: de persoonlijkheid van het jaar is nu al gekend. De Nobelprijs voor de vrede zou ook niet misstaan. Een gedeelde prijs: er zijn wel meer personen die hetzelfde exploot hebben verwezenlijkt. Iconische momenten die voor altijd in het collectieve geheugen gegrift mogen worden. Momenten waar deze gewone mensen een instant heldenstatus mee verwerven, elke politicus het nakijken mee geven, zelfs Obama met zijn recordtweet na Charlottesville.

Terwijl de terreuraanslagen dagenlang bovenaan de nieuwssites prijken, krijgen deze unieke momenten teleurstellend minder airplay, hoogstens een vermelding in de marge. De vage camerabeelden van de raid op Las Ramblas werden tot in den treure toe op ons losgelaten, vaker dan de herhaling van een wereldgoal door Messi. Idem dito voor de dolle rit van een blanke extremist in Charlottesville. De sensatie was minstens even groot als een crash in de Daytona 500. Klikvoer en kijkcijfers.

Bij elke terreuraanslag worden getuigen voor de camera gesleurd, ook al weten die niet meer te vertellen dan wat we al lang wisten. Er wordt uitgeplozen waar de daders vandaan kwamen en hoe ze minuut per minuut hun boze plannen uitvoerden. We krijgen een gedetailleerde inventaris van alle aceton, junglemessen of bomwagens die ze al dan niet met succes hebben ingezet.

In Barcelona stond de Sagrada Familia op de target list. Wie er geweest is, komt onder de indruk van de stilte en spirituele grandeur. Toch moet de sprookjesachtige basiliek van Gaudi het in grootsheid afleggen tegen de toespraak van Javier Martinez. Zijn zoontje Xavi overleefde Las Ramblas niet. In zijn anonieme woonplaats Rubi, ergens buiten Barcelona, spreekt hij als volgt de pers en de mensen toe: “Er is geen plaats voor angst of woede. Ik weet dat er nog een kind is gestorven. Ik heb de familie nog niet ontmoet, maar ik deel hun pijn. Ik deel ook de pijn met de familie van de terroristen. We delen de pijn allemaal. We zijn allemaal mensen.” In Charlottesville spreken de ouders van Heather Heyer, dodelijk slachtoffer van de haatdragende auto-raid, gelijkaardige taal: “Ze had aan de manifestatie deelgenomen omdat ze een einde wilde maken aan de haat. Wat mij betreft, moeten we hier gewoon mee ophouden en elkaar vergeven.” In Brussel schrijft Mohamed El Bachiri, die zijn vrouw Loubna verloor in de metro-aanslag, een opmerkelijk boekje: “Een Jihad van liefde”. Daarin zegt hij: ‘Vraag me niet om te haten. Nog liever zou ik sterven.’

De retoriek is opvallend simpel, de boodschap een product van een wijs en geëvolueerd hart. De eigen diepe pijn wordt overstegen om te wijzen op wat we gemeen hebben en tot welke grootsheid we in staat zijn, eerder dan weg te zakken in verslagenheid of te azen op verbitterde gerechtigheid. Javier Martinez richt zich na zijn toespraak tot de plaatselijke imam Dryss Salym en geeft hem een knuffel. De imam barst in snikken uit. Op zijn eentje bewerkstelligt Javier Martinez een universele heling. Met een simpele geste verzoent hij de Islam met alle vredelievende westerlingen, met alle mooie waarden die Europa graag claimt, maar op zo’n momenten te weinig toont. Javier Martinez besluit zijn ongepland helingsritueel met een zegening: hij kust de imam op zijn voorhoofd.

Toch zal dit niet het beeld van het jaar worden en Javier Martinez zal naderhand in de pers vergeten worden. De beweging zal komen van onderuit, bij een groeiende massa mensen die deze moedige enkelingen hebben weten te raken. Bij hen zal het beeld wel op hun netvlies blijven kleven, de woorden worden opgeslagen in hun hart. Als nieuwe evangelisten zullen ze erover spreken tegen iedereen die het wil horen en telkens zullen ze het benoemen als: “Een kleine daad voor de mens, een grote sprong voor de mensheid.”

Hendrik Duron is schrijver van kortverhalen en blogs. Zijn debuutroman, De roekeloze redding van de wereld door Jonas Joplin, verscheen in het najaar van 2016.

De vliegtuigspotter van Raqqa

ManLookingAtSky_SmallHet was al de derde dag op rij dat de jongeman met het Arabische uiterlijk zich daar liet opmerken. De vliegtuigspotters wantrouwden de situatie, maar aangezien hij niets illegaals deed, lieten ze hem met rust. Voorlopig.

‘AeroMexico op komst,’ riep George. Onder de spotters van Brussels Airport was hij beter bekend als Google George. Over elk vliegtuig zocht hij een waanzinnige resem details op, waar hij te pas en te onpas mee uitpakte. ‘Een Boeing 787-9 Dreamliner,’ typeerde hij meteen het aankomende toestel.

‘Hoe herken jij dat zo makkelijk?’ wilde Manu weten, terwijl hij zijn telelens in aanslag bracht om het landende gevaarte in het vizier te nemen.

‘Simpel,’ pochte George. ‘Een 787-9 is zes meter langer dan een 787-8. Een echte kenner ziet dat,’ loog hij. In werkelijkheid wist hij dat AeroMexico er recent enkele had aangekocht en ze inzette op deze route. Het toestel, kleurrijk beschilderd met Mexicaanse maya motieven, voerde enkele zijwindcorrecties uit. Het naderde snel en likte al bijna de landingsbaan. De spotters, een tiental vandaag, drukten verschillende malen af. Sommigen gebruikten de repeat functie van hun geavanceerde toestel. Na de landing werd onmiddellijk overgegaan tot selectie van de beste shots. Ook George normaliter, maar deze keer wierp hij eerst een blik in de richting van de jongeman, die een dertigtal meter van de vliegtuigspotters verwijderd zat. Zijn huid was licht gebruind en zijn gelaat zag er scherp en ongeschoren uit. Over zijn rechterwang liep een groot, diagonaal litteken. Bij dat louche voorkomen leken zijn heldere, azuurblauwe ogen ongepast. George zoomde in op het blad waarop de jongeman, nog geen dertig schatte hij, aan het tekenen was met een potloodstompje. Bliksemsnel had hij een tekening gemaakt van het vliegtuig. Het resultaat was verbluffend goed, in de juiste verhoudingen en met de juiste details van de cockpit. Zelfs de rotorbladen van de jetmotoren leken levensecht. George kon het niet langer houden. Hij liet de vliegtuigspotters onder elkaar commentaar geven over het pas gelande toestel en stevende af op de jongeman. Hij moest dit uitpluizen.

‘Wie zijt gij en wat komt ge hier doen?’ vroeg George op de man af. De jongeman zat op het bermgras zijn tekening af te werken. Hij keek op naar George en fronste zijn wenkbrauwen.

‘What are you doing here?’ probeerde George het in het Engels.

‘English no good,’ klonk het antwoord. ‘I…,’ De Arabische jongeman zocht tevergeefs naar het Engelse woord voor tekenen. Glimlachend stak hij zijn tekening in de lucht. ‘Do you know… maybe… where airplane…’ Weer vond hij de woorden niet. Met zijn hand maakte hij dan maar een opstijggebaar. ‘Here only landing…’. George haalde zijn schouders op. Hij wist maar al te goed dat je daarvoor naar de Kortenbergse steenweg moest. Als hij al zin had om het uit te leggen, dan zou dat nooit zijn tegen een vreemdeling die alleen schabouwelijk Engels sprak en zich ronduit verdacht gedroeg.

‘Me Amal,’ stak de jongeman een hand uit, die halverwege tussen hen in bleef hangen. ‘You?’ Zonder antwoord te geven draaide George zich om en vervoegde de andere vliegtuigspotters om verhaal te doen.

‘Moeten we die gast niet aangeven?’ opperde Manu. ‘Je weet dat de politie gevraagd heeft om mee een oogje in het zeil te houden. Wie weet is het een…’

‘Terrorist?’ gooide George het beladen woord eruit. ‘Die hier opzichtig wat komt tekenen?’

‘Misschien is het een verkenner voor een aanslag,’ suggereerde Manu. ‘Je zei zelf dat hij veel details vastlegde.’

‘747 van de KLM op komst,’ onderbrak een derde spotter de discussie. Iedereen was in een mum van tijd weer alert. De blauwe kleur op de KLM leek op dat van de ogen van de jongeman, bedacht George. Alleen al omwille van die kleur was de KLM een van de aantrekkelijker toestellen om te fotograferen. Lenzen werden snel weer in aanslag gebracht en het ritueel herhaalde zich van vooraf aan. Na het afhandelen van de KLM gingen onder de spotters nu heel wat meer ogen in de richting van de jongeman. Hij was verdwenen.

Precies een week later hadden de vliegtuigspotters een andere standplek gekozen, vlakbij het gesloten opvangcentrum voor vluchtelingen in Steenokkerzeel. De landingen gebeurden rond dit tijdstip allemaal op de piste 25L, en dan was dit de beste plek om ze mooi in het vizier te krijgen. Alleen zat de omheining van het opvangcentrum soms in de weg en moest je die nadien weg photoshoppen uit de foto.

Er was net een Embraer van Estonian Air geland, toen de vreemde jongeman een eindje verder weer zijn opwachting maakte. Een week lang hadden ze hem niet meer gezien. Wat het nog eigenaardiger maakte, was dat zijn gelaat helemaal wit geschilderd was. Zelfs zijn oren en achterhoofd waren gewit, alsof iemand met een verfrol zich uitgeleefd had op zijn hoofd. Het zou grappig geweest zijn, mocht het niet op deze plek geweest zijn. Niet hier, vlakbij de luchthaven. Dat luchthavens een geliefkoosd target waren voor terroristen, was sinds 22/3 een understatement.

Opnieuw zat hij te tekenen. De achterdocht bij de spotters steeg naar een hoogtepunt. George werd er nogmaals op uit gestuurd, maar weer strandde het gesprek voortijdig omdat Amal de woorden niet vond.

‘Deze keer heeft hij een opstijgend vliegtuig getekend,’ bracht George verslag uit. ‘Voor zijn witte uiterlijk had hij geen uitleg. Meer dan wat rare poses kreeg ik er niet uit. Volgens mij zit er een serieuze vijs los aan die kerel.’

‘Ik bel de flikken,’ aarzelde Manu niet langer. ‘We moeten onze plicht doen. Dit kan niet langer.’

Binnen de vijf minuten arriveerde een politie combi met een razende vaart. Amal staakte zijn tekenactiviteiten en keek zoals iedereen op. Ze stopten met piepende banden vlakbij hem. Niet minder dan vier zwaarbewapende agenten van de Special Forces sprongen uit de combi. Ze droegen zwarte overvalmutsen met enkel gaten voor de ogen. Twee ervan grepen Amal meteen hardhandig vast, een derde nam de tekening af en fouilleerde Amal grondig. De vierde scande zenuwachtig de omgeving. Met een arm achter zijn rug geklemd duwden ze Amal tegen de combi aan, sloegen hem in de boeien en wurmden hem op de achterbank, waar hij door twee stoere politiebinken geflankeerd werd. Vandaar ging het recht naar de ondervraagkamer op het commissariaat.

Wie hij was. Vanwaar hij kwam. Wat hij daar deed. Of hij handlangers had. Door zijn gebrekkige Engels kwamen ze geen stap verder. Inderhaast werd er een tolk Arabisch bijgeroepen, die meer dan een half uur op zich liet wachten. Daarna werd het spervuur aan vragen alleen maar erger.

Het werd al snel duidelijk dat het om een asielzoeker uit Syrië ging, meer bepaald uit Raqqa. Zijn aanvraag was goedgekeurd en hij woonde ondertussen op een studiootje in Molenbeek. Nadat een en ander nagetrokken werd, bleek dit te kloppen. Of hij alleen handelde? Ja, want zijn familie was omgekomen, beweerde hij. Een bomvat recht op hun huis. Hijzelf was toen niet aanwezig.

‘Wat een ontroerend verhaal,’ schamperde de ondervrager. ‘Ik had het bijna geloofd. We kennen jouw soort. Nogmaals, wat deed je daar?’ Hij sloeg bij die vraag met zijn platte hand op de tafel. Amal schrok.

‘Vliegtuig tekenen,’ antwoordde hij.

‘Wij zijn niet achterlijk. Waarom, dat willen we weten. En waarom is je smoel wit geschilderd?’ Iemand klopte op de deur. Er volgde een onderonsje op fluistertoon tussen de ondervrager en iemand die een bericht kwam brengen. Een inval in de studio van Amal had niets tastbaars opgeleverd, tenzij nog meer tekeningen van vliegtuigen en andere zaken. Het bundeltje werd overhandigd en voor Amals neus op tafel gekwakt.

‘Nogmaals, wat dacht je hiermee te doen? Voor wie verzamel je deze informatie? De kentekens staan er zelfs op getekend, dat is niet zomaar wat tekenen. Kom op, ik heb niet de hele dag. En als je blijft zwijgen: wij gaan alles uitpluizen. Je studio is al overhoop gehaald. Je telefoonverkeer, je whereabouts, elke centimeter van je verleden, de hele rimram gaat onder ons vergrootglas. Ondertussen mag je hier in de cel nadenken over wanneer je gaat meewerken.’ Nadat de tolk de uitval had vertaald, riep Amal verschrikt; ‘No, no, no.’.

‘Yes, yes, yes,’ sloeg de ondervrager weer met zijn hand op tafel. Amal praatte plots als een waterval. De ondervrager wilde onmiddellijk weten wat hij zei, maar de tolk maakte een stopgebaar in zijn richting en bleef integendeel luisteren en korte aantekeningen maken. Dat ging zo minutenlang door en net op het moment dat de ondervrager zijn geduld definitief verloor, leek het betoog ten einde.

‘Ik ben benieuwd,’ vouwde de rechercheur zijn handen samen. ‘Voor de dag ermee.’

‘Eerst en vooral verontschuldigt Amal zich dat hij die heibel heeft veroorzaakt.’

‘Als hij denkt dat hij er zo goedkoop vanaf gaat geraken…’

‘Als je me even laat uitpraten,’ wierp de tolk een geërgerde blik in de richting van de ondervrager. Deze laatste maakte met zijn hand een roterend gebaar om de tolk aan te manen snel met het vervolg op de proppen te komen.

‘Amal gelooft in de kracht van verbeelding. Letterlijk. Daarom tekent hij een nieuwe werkelijkheid, een nieuwe toekomst. Je zal tussen deze tekeningen bijvoorbeeld ook schetsen van Raqqa vinden. Daar was hij trouwens leraar aan de kunstacademie. Tekenen en schilderen. Op de plaats waar in de stad nu ruïnes en puin te vinden zijn, visualiseerde hij een nieuwe buurt. Hij beweert dat er ook een tekening tussenzit van zijn eigen huis in Raqqa, zoals het er vroeger uitzag. Dat heeft hij opnieuw getekend in al zijn eenvoud en glorie, veel majestueuzer dan het er voorheen uitzag, met de lichtende zielen van zijn overleden familieleden erbij. Ooit zal het terug opgebouwd worden, zegt hij, en dan zal het er zo uitzien.’ De rechercheur bladerde tussen de tekeningen en vond de tekening die de tolk net beschreven had.

‘En die vliegtuigen dan?’ was de politieman allerminst overtuigd.

‘Hij wil visualiseren dat hij op een dag met zo’n vlucht terug naar Syrië zal vliegen, naar Raqqa, zijn geboortestad. Wanneer alle geweldenaars zijn verdreven en er terug vrede zal heersen over de stad en het land. Hoe meer je dat doet, hoe dichterbij die droom komt, zegt hij.’

‘Dan kan hij nog lang wachten volgens mij. Ik ben niet overtuigd,’ onderbrak de ondervager de tolk weer.

‘En ik was nog niet klaar,’ stak de tolk zijn groeiende ergernis niet langer onder stoelen of banken. ‘Omdat Amal geen werk vindt, beoefent hij fulltime de kracht van verbeelding om een betere wereld te creëren. Daarom ook heeft hij zijn gezicht wit geschilderd. Deze ochtend heeft hij daarmee in wat bijverdiend als levend standbeeld. Telkens iemand een muntje in zijn plastieken bekertje gooide, maakte hij een grappige beweging om daarna weer een nieuwe pose aan te nemen. Dat vinden kinderen heel amusant, zegt hij. Net zoals zijn kinderen vroeger altijd lachten met zijn fratsen. En wit is de kleur van de hoop.’

‘Heeft hij daar een licentie voor? Hij kan niet zomaar…’

‘Met het geld wil hij andere lotgenoten steunen, die er minder fortuinlijk aan toe zijn als hem.’

‘Straks ga ik nog geloven dat hij de nieuwe moeder Theresa is.’

‘Weet je trouwens wat de naam Amal betekent? Dat is het laatste wat hij me verteld heeft.

‘En?’ reageerde de ondervrager weinig geïnteresseerd.

‘Hoop. Amal betekent hoop.’

‘Hoop,’ proefde de rechercheur het woord. Hij trok een mondhoek scheef, wist niet hoe te reageren.

‘Yes, hope,’ glimlachte Amal. Zijn blauwe ogen twinkelden als diamanten knikkers in zijn witgekalkte gelaat. In gedachten zag hij vrede over Syrië neerdalen, dezelfde vrede die zijn familie nu had gevonden.

‘Hoop,’ herhaalde de rechercheur. Hij vouwde zijn handen samen voor zijn gelaat.

‘Je kunt gaan,’ verraste hij. ‘Je hebt nu je vliegtuig op papier, dus blijf weg van dat vliegveld. En wat hoop betreft: verlies die niet. Nooit. Het ga je goed.’ Hij reikte een hand naar Amal. Deze keer was hij het, die niet goed wist hoe te reageren. Hij drukte de rechercheur onwennig de hand, bedankte hem.

‘Salaam Aleikum,’ zei hij en verdween de straat op, waar nieuwe dromen wachtten om gevisualizeerd te worden. In zijn jaszak tastte hij naar zijn magische potlood. Vandaag zou hij spelende kinderen tekenen. Ja, dat zag hij duidelijk voor zich: kinderen die op de pleinen van Raqqa opnieuw voetbalden, knikkerden of kwajongensstreken uithaalden.

De bestemming van de man

DesertEr waren eens drie mannen, die op precies dezelfde dag geboren werden. Yusef zag het daglicht in een stoffig, lemen huis in het noorden van Syrië, Tenzing werd gebaard op een mistige maandagmorgen in de bergen van Tibet, terwijl Kendrick in de wieg gelegd werd in het beste hospitaal van Londen.

Toen de jongens een jaar of zeven waren, werden ze alle drie toegesproken door hun grootvader, naar wie ze zonder uitzondering met ontzag en bewondering opkeken. Misschien zelfs nog meer dan naar hun eigen vader.

Zo gebeurde het dat de opa van Yusef zich met zijn kleinzoon nestelde in de schaduw van een cederboom. ‘Yusef,’ sprak hij. ‘Luister goed. Ik wil dat je me later trots maakt. Je kan onze familie geen grotere eer bewijzen dan door een martelaar te worden van het volk. Ik wil dat je de vijanden van Allah bestrijdt met niet aflatende moed en uithoudingsvermogen, zoals wij het je hebben voorgedaan. Kijk maar naar mijn littekens,’ wees hij fier naar zijn gelaat. Yusef staarde met eerbied en bewondering naar de snee die dwars over opa’s wang gekerfd leek. ‘Dat zijn de trofeeën die ik later in het paradijs zal kunnen voorleggen aan de allerhoogste. Maar jij kan nog beter, dat weet ik. Je moet de angst voor de dood overwinnen, wetende dat je niet alleen zal beloond worden door God, maar ook in hoog aanzien zal staan bij je familie en de ganse gemeenschap. Bij mij. Wat is er mooier dan te sterven bij een aanslag op het goddeloze westen? Je hebt het in je, jongen. Ik weet dat je me niet zal ontgoochelen. Maak me trots!’ De grootvader legde een hand op de schouder van de jongen. Yusef voelde een beetje angst over wat opa hem gezegd had, maar tegelijk ook een zweem van opwinding.

Kendrick werd op zijn zevende apart genomen door zijn grootvader Patrick, die bekend stond als Pioneer Pat. Patrick was van Ierse afkomst en had zich weten op te werken van pakjesbezorger tot bankdirecteur van een filiaal in het Londense West End. Zijn vader had nog beter gedaan en was in een andere bank kunnen opklimmen tot sales manager voor Zuid-Engeland en Wales. ‘Beste Kendrick,’ sprak Patrick zijn kleinzoon toe. ‘Ik ben de pionier geweest die deze hard werkende familie voor het eerst welstand heeft gebracht. Je vader is in mijn voetsporen getreden en heeft mij niet beschaamd. Binnen enkele jaren zal het jouw beurt zijn. En tussen ons gezegd en gezwegen: ik weet dat jij nog beter kan dan hem. Sales manager is niet niks, CEO is beter. Je hebt het in je, boy, dat zie ik in je ogen, dat zie ik in de manier dat je wil winnen in het voetbal. Mijn jaren zijn geteld, maar ik zal pas kunnen rusten als ik weet dat jij de kroon op het werk gezet hebt. Hebben we een deal?’ Pioneer Pat deed een high five met Kendrick, die zich eerst onwennig voelde, maar anderzijds fier was dat opa zo over hem dacht. Als een winnaar, als de topscorer. Vijf tegen twee was het vorige week nog tegen Camebridge. Twee doelpunten van hem.

Toen Tenzing zeven werd, kwam zijn opa Lobsang hem halen voor een wandeling in de bergen. De blauwe lucht was kristalhelder en de Tibetaanse vlaggetjes wapperden stevig in de wind. Tenzing wist dat de gebeden op de vlaggetjes daardoor makkelijker naar de goden werden gevoerd, net zoals hij van opa nog veel andere zaken had opgestoken. ‘Ken je dat gebouw ginder?’ wees Lobsang naar de overkant van de vallei. Tenzing beantwoordde de overbodige vraag: ‘Natuurlijk, dat is het klooster van Yerpa.‘

‘Wel, beste Tenzing, als de jongste …’

‘Ik wil spelen met de yak.’

‘Het is een eer en een traditie. Ik weet dat jij een geweldige monnik zal zijn, de trots van de familie. Als je de weg van de Dharma bewandelt, zal je niet alleen vrede vinden met jezelf, je zal bovendien in staat zijn tot geestelijke verwezenlijkingen die voor onze familie en ons volk veel betekenen. Misschien word je wel een Lama. Ik zie het in je pientere ogen, ik zie het in je karma en je ziel. Het belangrijkste is echter om altijd de weg van je hart te volgen, want dat bezit de wijsheid die je voert waar je moet zijn. Beloof je dat?’ Tenzing knikte.

‘Mag ik dan nu met de yak gaan spelen? Mijn hart wil dat graag.’ Hij lachte zo ontwapenend, dat opa Lobsang op zijn beurt knikte. Kijk keek de jongen na met een glimlach, terwijl Tenzing door de weide naar de yak toeliep.

Hoe het deze jongens vergaan is in hun verdere leven? Laten we beginnen met de laatste, Tenzing. Op twaalf jaar werd hij door zijn ouders naar het klooster van Yerpa gestuurd. Hij kon er nooit echt aarden en ging enkele keren op de loop, om na een paar dagen in de bergen telkens schoorvoetend terug te keren. Op zijn zeventiende ontvluchtte hij definitief het kloosterleven. Uit schaamte durfde hij zijn ouders niet meer op te zoeken. Hij belandde in de criminaliteit, eerst met een handeltje in gestolen koopwaar, daarna als drugsdealer. Een keer probeerde hij zich te herpakken, toen hij aanklopte bij een afkickcentrum in Kathmandu. Hij kreeg er zijn verslaving onder controle en leerde een stiel als mechanieker van motorfietsen. Op een bepaald moment nam hij een boek ter hand uit de bibliotheek. Het had als titel: “De bestemming van de man.” Hij las de proloog en de eerste drie bladzijden, maar stak het toen toch terug weg tussen de andere boeken. Aan die opflakkering kwam een einde, toen zijn foute vrienden terug contact met hem zochten. Een week later verliet hij het centrum als een dief in de nacht. Hij ging terug dealen en stierf op zevenentwintigjarige leeftijd aan een overdosis.

Kendrick beschaamde de hoge verwachtingen niet. Hij werd een succesvolle bankier in het London City Financial District. Het geld kwam binnen met sloten tegelijk. Niet alleen bij hemzelf, ook bij zijn klanten, vooral bij zijn klanten. Een relatie had hij niet, op losse flirts na en de vaste drinkmaten uit de sector. Door zijn financiële successen werd hij steeds meer gevraagd voor beleggingen, zelfs door hooggeplaatste zakenlui en staatslieden. Zijn opa was beretrots: ‘You dit it! I always knew.’ Hij had zijn vader overtroffen. Aan Kendrick’s succesverhaal kwam een abrupt einde door een beurscrash. Niet alleen hijzelf verloor veel geld, het meeste eigenlijk, hetzelfde lot viel te beurt aan zijn klanten, die hem belaagden met rechtszaken. Hij probeerde een en ander op de lange baan te schuiven, in de hoop dat het zou overwaaien. Dat deed het geenszins. Het wegvallen van al zijn zogenaamde vrienden, tezamen met het zwaard van Damocles dat boven zijn hoofd bleef bengelen, deed nu ook hemzelf crashen. Hij zat maandenlang thuis op zijn appartement, werd zwaar depressief en raakte aan de drank. Wesley, zowat de enige echte vriend die nog overbleef, probeerde hem weer op te krikken. Wesley was een verkoper van Mini Coopers bij een garage in de buurt. Hij was een jeugdvriend. Op een dag bracht Wesley een boek mee voor Kendrick, “De bestemming van de man”, dat lange tijd onaangeroerd bleef liggen op de salontafel. Maar op een dag keek hij vanachter het schuifraam van zijn appartement uit op de South Bank en het reuzenrad “London Eye”. Met een Whisky on the rocks in zijn hand opende hij het schuifraam en ging met zijn ellenbogen over de balustrade leunen. Hij viste een ijsblokje uit zijn whisky en liet het naar beneden vallen, wat nog best lang duurde vanaf de drieëntwintigste verdieping. Zo lang zou hij dus hebben om zijn leven te overdenken, mocht hij zelf naar beneden springen. Dan hoorde hij plots iets in zijn appartement. Kendrick keek door het raam naar binnen, maar zag niets. Of toch: hij zag het boek van zijn vriend liggen. Deze keer nam hij het wel ter hand. Later zou hij zeggen dat dat zijn leven heeft gered. Pagina drieënzeventig heeft hij zelfs gekopieerd, ingekaderd en boven zijn bed gehangen. Het werd zijn nieuwe mantra. Kendrick gooide zijn leven totaal om en begon met het geld dat hem nog restte een toeristisch bedrijfje. Zijn specialiteit werd een alternatieve kijk op Londen, waarbij de klanten de echte verhalen te weten kwamen, eerder dan de gebruikelijke, toeristische fastfood. “Behind facades” werd een begrip. Kendrick leerde in die periode ook een Australische vrouw kennen, huwde ermee en kreeg twee kinderen met haar. Wat hem tegenwoordig het nauwst aan het hart ligt, behalve zijn vrouw en kinderen, zijn de lezingen die hij maandelijks geeft voor mannen met een burnout, die steevast eindigt met het voorlezen van pagina drieënzeventig.

Het leven van de derde jongen, Yusef, is een regelrechte thriller, een emotionele rollercoaster. Van jongsaf aan werd hij opgeleid als strijder en martelaar. Hij kreeg onthoofdingsvideo’s te zien, waarbij iedereen, zelfs zijn ouders en zijn opa, luidop juichten en applaudisseerden. Op zijn tiende mocht hij voor de eerste keer schieten met een kalasjnikov. Zijn eerste opleidingskamp voor het plegen van terreurdaden kwam er al op zijn twaalfde. Het zou niet het laatste worden. Toch begint er gaandeweg een zweem van twijfel in Yusef te ontstaan. Terwijl hij meeheult met de haatkoren, voelt hij in zijn hart dat er iets niet klopt. Op een dag, hij is dan veertien, wordt hij door strijders meegenomen om deel te nemen aan een lynchpartij. Een jongen, waarmee hij vroeger nog voetbalde, is betrapt op het luisteren naar Amerikaanse muziek op een mp3-speler. Hij is een jaar jonger als Yusef. Wanneer de jongen al zwaar bebloed op de grond ligt, wordt Yusef gevraagd hem met stenen te bekogelen. Iedereen kijkt naar hem, hij voelt dat hij geen keuze heeft. Terwijl Yusef wijdbeens over het slachtoffer een zware steen boven zijn hoofd tilt, kijkt hij de onfortuinlijke jongen in de ogen. Hij ziet zijn doodsangst, maar hij ziet ook nog iets anders: iets wat hij later zou beschrijven als een goddelijke connectie. Yusef staat perplex. Hij gooit de steen naast de jongen en gaat huilend op de loop. Thuis wacht hem een tirade, gevolgd door een paar welgemikte meppen in zijn gelaat door zijn vader. ‘Hoe durf je mij zo te schande te maken?’ fulmineert hij. ‘Wacht maar tot opa dit hoort!’

‘Neen, niet opa.’

‘Schande! Godslastering! Het zal niet je beste dag zijn.’ Alsof het dat sowieso nog was. Yusef neemt een drastisch besluit. Hij steelt een motorfiets – met dank aan de trainingskampen, steekt een paar spullen in een jute zak en vlucht dwars door de woestijn. Wanneer hij zonder benzine valt, verbergt hij de motorfiets achter een duin en vlucht te voet verder. De zon straalt genadeloos. Na nauwelijks een paar uur wordt hij overmand door de hitte. Compleet uitgedroogd ziet hij zijn dood tegemoet. ‘God,’ bidt hij. ‘Ik vraag u om vergiffenis voor al mijn slechte daden. Ik wist niet beter. Vergeef me mijn onwetendheid. Ik wilde zelfs een jongen stenigen, maar heb het niet gedaan omdat ik het idee had dat u dat niet wilde. Het was alsof ik u zou stenigen. Maar ik kan me vergissen. Daarom, als het uw wil is, zal ik sterven. Als het uw wil is, zal ik leven.’

Yusef wordt net op tijd gevonden door een groepje berbers op kamelen. Ze nemen hem mee met hun karavaan en ontfermen zich over hem. Hij zal enkele jaren in hun midden verblijven. Yusef leert navigeren met de sterren en raakt vertrouwd met de geheimen en gevaren van de woestijn. ‘De woestijn is niet je vijand,’ leren de berbers hem. ‘De zon is niet je vijand. De grootste vijand zit in jezelf. De slangen die soms plots vanuit het zand opduiken, zijn de saboteurs in je hoofd. Je kan ze niet vernietigen, want ook zij hebben een heilige taak. Maar je kan er wel in vrede mee leren leven.’ Deze en andere wijsheden inspireren Yusef tot een nieuw leven. Toch blijft de angst dat zijn vader hem op een dag zal vinden. Dan zal hij hem ongetwijfeld in de gevangenis laten gooien of, erger nog, op zijn beurt laten lynchen. Wanneer een spion van zijn vader hem na enkele jaren op het spoor is gekomen, zitten ze Yusef op de hielen. Er rest hem geen andere keuze dan afscheid te nemen van de berbers en verder te vluchten naar het westen.

Na een nieuwe, lange tocht vol gevaren, vraagt hij uiteindelijk asiel aan in Nederland. Zijn asiel wordt toegekend. Yusef slaakt een zucht van opluchting, maar mist de berbers. Wie hij niet mist is zijn familie, tenzij dan zijn moeder, die hem altijd wist te beschermen tegen de al te brutale aanpak van zijn vader en grootvader. In Amsterdam gaat hij aan de slag bij een pakjesdienst. Ondertussen sluit hij zich aan bij een meditatie groep, leert hij de wonderlijke kracht van tai chi en leest hij onophoudelijk boeken van mensen die hem inspireren. Op een dag voelt hij precies wat hij wil doen met de rest van zijn leven: iemand worden die andere mannen inspireert, net zoals de berbers bij hem een onuitwisbare indruk hebben nagelaten. Het zijn vooral de mannen die de weg kwijt zijn, stelt hij vast. Daarover wil hij een boek schrijven en vervolgens lezingen gaan geven. Maar eerst zoekt hij naar een goede titel voor het boek. Hij schrijft zeker twintig mogelijk titels op een blad, zonder dat er een tussenuit springt. Op een dag valt het hem zomaar in de schoot. Hij zocht het veel te ver, beseft Yusef, want raken mannen vooral de weg niet kwijt omdat ze hun bestemming vergeten zijn? “De bestemming van de man” is geboren.

In het boek combineert hij autobiografische elementen met diepere, mystieke ervaringen en levenslessen. Vooral zijn periode bij de berbers in de woestijn komt veelvuldig aan bod. Toch kan hij om zijn vroege jeugd niet heen. Die heeft er immers voor gezorgd dat hij geworden is wie hij nu is. Hij eindigt hoofdstuk zes – hij zit dan al aan pagina drieënzeventig – met een passage die hem erg zint, alsof ze hem werd ingelepeld door iets dat hoger is dan hemzelf.

Hij schrijft: “Wanneer je een kleine jongen bent, is je hart vol en je hoofd nog leeg. Maar naarmate je opgroeit, zal men proberen je hoofd vol te lepelen, de ene keer met goede zaken, de andere keer met leugens die men zal voorstellen als waarheden. Omdat we onze opvoeders onvoorwaardelijk liefhebben, hebben we er vertrouwen in dat we altijd in goede handen zijn. We geloven dat alles we ze ons vertellen juist is en vol goede bedoelingen. Let dan hierop: als je op je twaalfde, dertiende of vijftiende voelt dat je hoofd vol is en je hart leeg, laat dan een alarmlichtje flikkeren. Om van een jongen te transformeren tot een man, moeten we op een dag veel van wat ons ooit verteld is overboord gooien. Alles wat ons niet meer dient, zelfs wanneer het komt van de mensen die ons het dierbaarst zijn. Je zal hen tegen de haren instrijken en wellicht meer overboord gooien dan nodig, maar dat is een deel van het proces: de vlinder kan niet tevoorschijn komen zonder uit de cocon te breken en daarbij brokken te maken.

Wel, als je voelt dat dat moment gekomen is, ga dan ’s nachts onder de sterrenhemel staan, leg een hand op je hart en voel wat het je wil vertellen. De berbers zeggen: “Alleen wanneer je niet langer verblindt wordt door de zon en je het duister van de nacht verwelkomt, zal je de waarheid kunnen aanschouwen. De weg naar je ware bestemming zal je niet gegeven worden door wie zich het best kan oriënteren op de sterren, maar door wie het best kan luisteren naar het gefluister van zijn hart. Niet je ouders, je opvoeders of de kamelen leiden je naar je ware bestemming. Dat kan alleen het kompas van je hart. Het zal je leiden op een avontuurlijke tocht met geen enkele garantie. Het zoeken naar je eigen waarheid vraagt vastberadenheid, nederigheid en gevoel voor verantwoordelijkheid. Je zal vaak twijfelen en op de proef gesteld worden. Het kan zelfs zijn dat je een verkeerde richting opgaat. Wanneer je dat doorhebt, keer dan zonder schroom op je stappen terug. Meet je successen af aan al je verloren kilometers, aan alles wat je hebt moeten opgeven om het te kunnen bereiken. Maar wanneer er weer eens hoge duinen voor je opdoemen, weet dan dat daarachter de vruchtbaarste oases te vinden zijn. Altijd zal de weg nu eens verraderlijk zijn, dan weer een dolle, vreugdevolle rit. Wie zich overgeeft aan dat avontuur, zal het mysterie van het leven kennen. Koester dit als je lijfmantra: wie elke dag de weg naar binnen gaat, vindt zijn ware bestemming.”

Het geheim van de tweelingziel

P1040697 - CopyNiemand zou het geheim van de tweelingziel beter leren begrijpen dan Aisha. Het was een vrijdag die zich nochtans wolkenloos en windstil had aangekondigd. De uitbundige lente vulde de blauwe lucht met bedrijvige insecten en de eerste ooievaars kwamen na een heroïsche tocht over de Middellandse zee eindelijk aan op het Spaanse vasteland. De eerste hitte zou geen weken meer op zich laten wachten.

Aisha was die dag goedgemutst opgestaan. Ze dartelde rond en imiteerde in de keuken een heupbeweging. Ze had die afgekeken van een buikdanseres uit het naburige dorp. Toen ze het wilde tonen aan haar moeder, versteende ze eensklaps bij het zien van de gelaatsuitdrukking op haar gelaat. Ze kende die blik. Het was dezelfde doffe blik dan toen haar vader was vertrokken met die handelskaravaan, een tocht die wel maanden kon duren. Ook al was er door de mislukte oogsten geen andere optie geweest, het vertrek was zowel haar moeder als Aisha bijzonder zwaar gevallen. Ja, het was die blik.

‘Wat is er aan de hand, ma?’ Aisha kreeg geen antwoord.

‘Verdomme ma, er is toch niets met…’

‘Je pa is oké.’ Ma draaide haar hoofd weg van Aisha en keek door het raam in de richting van de stallingen. Aisha repte zich tot bij haar, legde een hand op de rug van haar moeder en keek angstvallig door datzelfde raam naar buiten. Ze liet haar hand onmiddellijk vallen. Even leek het alsof ze zelf in zwijm zou vallen. Nu was het Aisha’s moeder die haar vastgreep en omhelsde.

‘Zeg dat het niet waar is!’ krijste Aisha. Ze wrong zich uit ma’s knuffel en spurtte naar buiten.

‘Blijf hier, meisje.’ Het was al te laat. Op de binnenkoer liet stalknecht Jamal alles vallen om Aisha de weg te versperren. Hij greep haar vast in zijn sterke armen, terwijl Aisha met haar vuisten op zijn borst trommelde.

‘Zeg dat het niet waar is,’ herhaalde ze snikkend. ‘Neen, niet Nabila.’

‘We konden niets meer voor haar doen,’ bracht Jamal de dramatische nieuwstijding. ‘Het paard had geen schijn van kans tegen die hongerige poema.’ Een paar meter achter hem lag het kadaver van de merrie op een kar.

‘We hadden haar op stal moeten laten. Ik had het je nog zo gezegd!’ schreeuwde ze tegen Jamal. Hij wist als geen ander hoe Aisha gehecht was aan haar lievelingspaard, bijna net zo fel als ze verbonden was met haar tweelingzusje Layla, die in tegenstelling tot Aisha de vroeggeboorte niet had overleefd.

‘Je wist net als ik dat er geen houden aan was,’ zuchtte Jamal. Dat wist ze. Nabila had hetzelfde temperament als Aisha: fijngevoelig, maar ook een woelwater. Minutenlang bleef ze huilen met haar hoofd begraven op de schouder van Jamal.

‘Wil je Mansour voor me zadelen?’ vroeg Aisha, nadat ze haar tranen met haar lange haren van haar gelaat had weggeveegd. In tegenstelling tot Nabila was de rustige hengst Mansour wel op stal gebleven. ‘Nu, alsjeblieft?’ Jamal wist wat ze van plan was. Hij liet Aisha langzaam los en nam haar bij de arm mee naar de stal van Mansour. Toen ze voorbij de kar passeerden waarop Nabila lag, rukte Aisha zich los. Ontzet keek ze naar de vreselijke wonden.

‘Nabila, meisje, wat heeft die poema je aangedaan?’ Ze omhelsde de merrie bij de hals, alsof het was dat ze nog leefde. Zo bleef ze enkele minuten Nabila strelen met betraande ogen, terwijl Jamal de hengst voor haar zadelde. Ma stond op de binnenkoer naar het tafereel te kijken en sloeg een hand voor haar mond. Ze stapte op Aisha af om haar te troosten, maar Aisha maakte een afwerend gebaar. Jamal kwam aangewandeld met Mansour aan zijn zijde.

‘Ik heb behoefte om alleen te zijn,’ zei Aisha tegen haar moeder.

‘Waar ga je naartoe?’

‘Moet je dat nog vragen?’ Aisha’s moeder besefte de overbodigheid van haar vraag en wist dat dit haar zou troosten. Ze gaf een goedkeurend knikje aan Jamal, die Aisha in het zadel hielp.

‘Zorg ervoor dat je terug bent voor het donker,’ prentte Jamal haar in. ‘De poema…’

‘Weet ik ook wel.’

‘Voor het donker,’ herhaalde haar ma. Aisha keek nog een laatste maal naar de dode merrie en verdween spoorslags door de toegangspoort van het erf. Met een paar stevige voetsporen vuurde ze Mansour aan tot een gestrekte galop. Aan dit tempo zou de rit naar de Koningsheuvel maar vijf minuten in beslag nemen. Mansour hijgde, maar versaagde niet. Zelfs tijdens de klim naar de top van de heuvel verzwakte zijn tred geenszins, alsof hij wist wat er zich afgespeeld had en Aisha zoveel mogelijk terwille wilde zijn.

Bovenop de heuvel stopte Mansour, daar waar de eeuwenoude eik als een eenzaat heerste over de Koningsheuvel. Het zicht was er weids en adembenemend. Op heldere dagen zoals deze kon je in de verte Tarifa zien en daarachter de blauwgroene zee, vanwaar avontuurlijke dromers vertrokken naar Afrika. Daar had Aisha nu geen oog voor. Ze steeg van de hengst en liet Mansour grazen van de graspartijtjes die goed gedijden rond de lommerrijke eik. Het was hier dat Layla’s tere lichaampje begraven lag. Ze had bij de geboorte geen schijn van kans gemaakt. Layla was zo mogelijk nog zwakker als Aisha ter wereld gekomen: een broos, bijna doorschijnend lichaampje dat in een handpalm had gepast. Maar ook bij Aisha had het aan zijden draadje gehangen. Toen ze zag dat haar tweelingzusje noodgedwongen moest afhaken voor dit nieuwe levensavontuur, had ze niets liever gewild dan haar te vervoegen.

‘Je moet doorzetten,’ had Layla na haar laatste, bijna niet waarneembare hartenklop gesproken tegen Aisha. ‘Het is echt de moeite waard.’ Het waren woorden die kwamen uit Layla’s ziel, die ongeschonden en zuiver uit de ervaring was gekomen.

‘Niet zonder jou!’ Aisha’s hartje, nauwelijke een vingerdop groot, klopte eveneens zwak en onregelmatig, maar gaf niet op. Aisha wist dat het slechts een intentie verwijderd was om ook haar lichaampje te laten uitdoven en zo weer herenigd te worden met Layla.

‘Je moet doorzetten, Aisha’, was Layla blijven aandringen. ‘Omdat het leven een godsgeschenk is. Ik zal altijd aan je zijde staan, wat je ook meemaakt. Wanneer je proeft van uitbundig geluk, zal ik me laven aan het levenselixir dat zo’n ervaring uitstraalt. Telkens mijn ziel een stukje meer oplicht, weet ik dat het te danken is aan de successen van jouw stoutmoedige dromen en aan de passie van jouw hunkerende hart. En wanneer er een moeilijke uitdaging of een tragedie op je pad komt, zal ik het zijn die aan je zijde staat. Dan zal ik je troosten met subtiele signalen en je de kracht te geven om zelfs de zwartste nacht te boven te komen. Wat jij in je leven doet, doe je ook voor mij. En wat ik aan de andere kant van het mystieke gordijn uitspook, doe ik altijd met jou in mijn gedachten. Zo zullen we samen groeien in liefde en in wijsheid, want gescheiden zijn onze zielen nooit.’

Die woorden was Aisha nooit vergeten. Ze waren in haar hart gegrift. Maar als er een dag zou komen waarop ze die woorden nodig had, dan was het wel vandaag. Ze zette zich neer aan de voet van de eik, bij de plek waar Layla lag begraven.

‘Nabila is dood,’ begon ze te vertellen tegen haar tweelingzusje. ‘Je wil niet weten hoe. Neen, je wil echt niet…’ Nieuwe tranen baanden zich een weg over Aisha’s gelaat. ‘Het was verschrikkelijk.’ Er kwam geen antwoord.

Hoe ouder Aisha was geworden, hoe moeilijker het leek om contact te maken met Layla. Alsof er tussen hun zielen langzaam een scherm was opgetrokken. Ze vreesde zelfs dat een djinn of andere boze geest de communicatielijn tussen hen gesaboteerd had. Dat frustreerde Aisha enorm en maakte dat ze zich met de jaren steeds meer alleen voelde. Haar moeder en haar vader konden zich daar hoogstens een voorstelling bij maken, maar het volledig begrijpen was voor hen simpelweg niet mogelijk. Dat kon enkel als je zelf een tweeling was.

‘Op een dag zoals vandaag zou ik zo graag terug naar je toekomen,’ snikte Aisha. ‘Soms kan ik niet meer, heb ik er zo genoeg van. Soms is het op.’ Er kwam nog steeds geen antwoord, tenzij het ruisen van de bladeren bij het opsteken van een lichte bries. De troostende woorden van Layla’s ziel bij de geboorte leken plots heel ver weg. Aisha liet haar hoofd hangen. De wind werd sterker en wuifde Aisha’s haar als een troosteloos gordijn voor haar gelaat.

‘Zal ik je wat vertellen, lieve Aisha?’ Ze schrok en rechtte eensklaps haar hoofd. Vanwaar kwam deze stem?

‘Layla, ben jij het?’ Neen, zo klonk het niet. Het was een diepe, ietwat mannelijke stem, ook heel anders dan de stem van Jamal. Aisha keek spichtig om zich heen. Buiten Mansour, die rustig voortgraasde, was er niemand te bespeuren.

‘Ik sta hier al vele eeuwen.’ Het was de eik! ‘Ik ben ondertussen de tel al kwijtgeraakt.’ Ja, het was de eik. Op de een of andere manier had de boom telepatisch contact met haar gemaakt. Aisha keek omhoog naar zijn forse, ruwe stam met de brede, stoere takken, die altijd voor welgekomen lommer zorgden. Vele dieren maakten er dankbaar gebruik van. De vogels gebruikten de boom dan weer graag als rustplek en als strategisch uitzichtpunt.

‘Het zal je misschien verbazen, maar ook ik heb een tweelingziel,’ vervolgde de eik. ‘Iedereen eigenlijk. Helaas staat mijn tweelingbroer een paar kilometer verderop. Ondanks de hoogte van de heuveltop kan ik hem van hier niet zien, zelfs niet als ik op mijn tenen sta.’ Bij dat grapje moest Aisha even glimlachen.

‘Mijn broer staat achter een rots bij een waterpoel, waarover hij graag zijn schaduw werpt. Het ontbreekt hem aan niets, terwijl ik elk jaar moet vechten voor mijn overleving. Voor water moest ik lange tijd mijn wortels doorheen de rotsige bodem wurmen, tot ik hier of daar eens op een bescheiden partijtje water botste. Wanneer in de zomer de hete winden vanuit Noord-Afrika het land bereikten en de heuvel overspoelden, verschroeide ik bijna tot een rode schorpioen. Om nog te zwijgen van de dieren die elk jaar mijn bast beschadigen. Onlangs weer die dekselse poema met zijn scherpe nagels. Het zal weer maanden duren voor ik die wonde gedicht krijg.’

‘Echt? Die poema heeft wel mijn merrie gedood. Nabila was haar naam.’

‘Weet ik, dat heb je net verteld.’ Aisha fronste de wenkbrauwen. Ze had liever gehad dat ze nu met Layla sprak in plaats van met die eik, al was hij wel vriendelijk. Maar voorlopig had ze niet veel aan zijn praatjes.

‘Hoe kunnen we de poema doden?’ testte ze de boom.

‘Er zit zoveel woede in je, meisje. Ik begrijp het wel,’ suste hij. ‘Maar ook de poema probeert te overleven. Ook hij heeft een tweelingziel.’

‘Twee poema’s. Nu nog beter. Is het dan nergens meer veilig?’ Mansour stopte met grazen en keek gehypnotiseerd in westelijke richting. Aisha kneep haar ogen tot spleetjes en tuurde met een hand boven haar ogen in de verte. Vals alarm.

‘Ik heb me lang beklaagd over mijn lot,’ vervolgde de eik onverstoorbaar zijn relaas. ‘Misschien wel mijn eerste honderd jaar. Hoe kon de eikel waaruit mijn tweelingbroer is voortgekomen nu vallen bij die poel, en mijn geboortekiem pal bovenop die verdoemde heuvel? Welke vogel heeft die hier uit zijn stomme bek laten vallen? Zo bekloeg ik me jarenlang. Ik voelde me alleen op de wereld. Elk jaar opnieuw vechten om te overleven in die barre omstandigheden, ik was het meer dan beu en wilde er de brui aan geven.’ Aisha schrok. Dat herkende ze. Ze ging dichter bij de eik zitten en legde zich ertegen, alsof ze de boom uitnodigde verder in haar oor te fluisteren, zodat niemand hun gesprek kon horen. Mansour had een eindje verder het grazen hervat.

‘Het was pas tijdens een eenzame nacht, toen ik moegepiekerd was, dat er plots een stilte rond me viel die ik niet eerder had ervaren. Ik ving signalen op van mijn broer, die dreven op de wind. Op andere keren brachten vogels boodschappen over en dankzij de poema kon ik ook signalen van zijn bastgeur detecteren. Zo werd hij zich bewust van mijn hachelijke situatie en schakelde alles in wat de aarde te bieden had om mijn bestaan te verlichten. Onzichtbaar voltrok zich onder de grond een mirakel, met de hulp van naburige bomen, een familie mollen, miljoenen termieten en een nog veel duizelingwekkender hoeveelheid micro-organismen. Zo ontstond er een ondergronds netwerk. Ik kon er niet alleen beter door communiceren met mijn tweelingbroer, ik kreeg ook toegang tot nieuwe, afgeleide wateraders afkomstig van de poel. Het leek alsof gans het universum samenspande om van de heuvel een groene oase te maken. En kijk nu, zie me hier staan in al mijn boompracht.’ “Waarom doe je dat allemaal voor me, broer?” vroeg ik, enigszins gegeneerd over zoveel steun.’ De eik stokte even in zijn relaas, alsof hij emotioneel werd.

‘En wat zei hij daarop?’ wilde Aisha nu wel graag alles weten.

‘Omdat ik van je hou. Omdat ik je moed bewonder waarmee je altijd hebt doorgezet, ook al stond het huilen je vaker na dan het lachen. Omdat je nu eenmaal op de Koningsheuvel stond en zo’n heuvel per definitie een koninklijke boom verdient. Omdat je dichter bij de hemel staat dan ons en daardoor de sterren beter kan zien, waardoor je informatie kan doorgeven over nakende, belangrijke gebeurtenissen in het heelal. Dan kunnen ik en mijn vrienden ons daarop afstemmen. Plots kwam het besef dat zowel mijn tweelingbroer als ik even gedreven waren om onze rol te spelen in dat grote universum. Hoe onbetekenend het voor ons ook leek, er was een hogere macht aan het werk die onze bijdrage aan de schepping oeverloos apprecieerde. We deden het niet enkel voor elkaar, maar voor iets dat veel groter was dan onszelf. In het grote orkest van het universum zijn wij niet meer dan een instrument, dat harmonieus probeert samen te spelen met alle andere instrumenten. Onder impuls van die grote, gulle Dirigent.’ Aisha was onder de indruk. Alleen, de tweelingbroer van de eik leefde nog tenminste, en Layla was dood.

‘Dood?’ had de eik haar gedachten geraden. ‘De dood bestaat niet. Zielen sterven niet. Net zoals ik geholpen werd op magische manieren, zo spant je tweelingziel Layla zich onafgebroken in om je te helpen.’

‘Waarom hoor ik haar dan niet?’

‘Is dat zo? Misschien luister je niet met de juiste antenne,’ sprak de boom. Er viel een stilte. Aisha wist niet goed wat hiervan te denken.

‘Weet je dat ik samen met mijn tweelingbroer een stoutmoedig plan heb opgevat om ons weer dichter bij elkaar te brengen?’

‘Hoe dan?’ vroeg Aisha. ‘En kan dat ook werken voor mij en Layla?’

‘Elk jaar vragen wij aan de vogels om een eikel mee te nemen en te laten vallen op een plek hier even verderop, waar zowel water als struikgewas te vinden zijn. Onder het struikgewas worden de eikels niet zo snel gevonden door eekhoorns en andere verzamelaars. Een eikel van hem, een eikel van mij. Een van hem, een van mij, en dat al jaren aan een stuk. Ooit zullen er twee van onze nakomelingen bij elkaar gedijen, daar ben ik zeker van. We hebben tijd.’

‘Jij hebt veel tijd, bedoel je. Mijn leven is een pak korter.’

‘… en staat bol van de mogelijkheden die ik als eik nooit zal kennen.’

‘Touché. Maar…’

‘Ha, daar is ze.’

‘Wie?’

‘Raad eens.’

‘Layla!’ Haar beeltenis verscheen als een soort hologram in de stam van de eik. Aisha sprong recht. ‘Waar zat je, Layla? Waar zat je?’

‘Ik ben de ziel van Nabila gaan begeleiden. Die was aardig overstuur en in de war, zoals je je wel kan inbeelden.’

‘Waarheen heb je haar gebracht? Ik mis haar enorm.’

‘Ze krijgt rust in de paardenhemel en wordt daar herenigd met haar tweelingziel, alvorens ze een nieuw avontuur zullen aangaan. Net zoals het ons zal vergaan.’

‘Ik kan niet wachten om…’

‘Weet ik. Maar onze taak zit er nog niet op.’

‘Mijn taak, bedoel je?’

‘Zeg zus, lieve Aisha, heb je niet goed geluisterd naar de eik?’ Aisha voelde schaamte opkomen. Ze had perfect begrepen wat de boom had proberen duidelijk te maken.

‘Wij doen alles samen, Aisha. Ik ben je goede djinn, die de stoutmoedige dromen van je hart zal helpen waarmaken. Ik zal je over alle gevaarlijke bergpassen loodsen en je brengen naar de oases waar het bruist van het leven, zoals jij ze uitstippelt met onverschrokken moed en koppige volharding. Ik zal je brengen bij een man die jou zal aanbidden als een godin en met wie je op een dag onder deze boom zal genieten in de schaduw met dadels en een glas rode wijn, als een koning en een koningin. Op die dag zal ik op de eerste rij staan om je te overladen met applaus voor de moeilijke weg die je hebt afgelegd. Ik zal je zegeningen tellen en er nog vele aan toevoegen. En als iemand je vraagt waarom je elke dag zo straalt, zeg dan niet: “Dat komt door het goede weer of door het laatste cadeau van die liefdevolle man.” Zeg dan: “Dat is het geheim van de tweelingziel.”’

Aisha moest glimlachen om die woorden. Ze omhelsde de eik op de plek waar Layla was verschenen en keek om zich heen. In de verte zag ze Tarifa en de glinstering van de zee. Misschien wilde ze later die zee wel eens oversteken, om dat mysterieuze en aanlokkelijke continent, dat Afrika heette, van dichtbij te ontdekken. Misschien ook niet. Misschien zou ze die fantastische man, waarover sprake, binnenkort al leren kennen. Misschien zou zo’n man, als die al bestond, nog een hele poos op zich laten wachten, omdat ze andere, belangrijker hartszaken te doen had. Dat was op dit moment niet langer belangrijk. Wat ertoe deed, was dat ze haar armen in de lucht gooide en het leven opnieuw omarmde, voor altijd gevoed door het zoete geheim van de tweelingziel.

Opgedragen aan Jolien, die Sofie erg mist en tegelijk heel veel steun aan haar tweelingzusje heeft.

IMG_6428

Vlak na het posten van dit verhaal botste ik tijdens een wandeling op twee wilde reeën. Ik had toevallig mijn fototoestel bij, maar het stak nog in mijn rugzak. Toch bleven ze nieuwsgierig kijken, zodat ik nog snel kon afdrukken alvorens ze het hazenpad kozen. Alsof ze bewust dit verhaal wilden onderschrijven. Een knipoog van het universum?